Damherten gaan te weinig dood

De geschiedenis van de wereldliteratuur geeft enige aanleiding om te veronderstellen dat er een fundamenteel verschil is tussen, enerzijds, discursief proza, waarin men verhalen vertelt en theorieën ontvouwt, en, anderzijds, poëzie, waarin op een directe, fysieke manier stem gegeven wordt aan de noden van de existentie. Volgens overigens niet onomstreden reconstructies zou de menselijke taal zelfs zijn voortgekomen uit zangerige frasen van vroege hominiden. Hoe het ook zij, wie uiting wil geven aan vreugde, angst of verdriet zal wellicht eerder gaan zingen dan redeneren. Poëzie staat dan in zekere zin dichter bij de natuur dan proza.

Intussen hebben we de aarde kapotgemaakt en dringt techniek in die mate onze levens binnen dat je je kunt afvragen in hoeverre de mens nog een natuurlijk wezen is. Impliceert dit dat ook de poëzie niet meer organisch kan, of zelfs mag zijn? Is het ritme van voetstap, hartslag en ademhaling voortaan taboe? Zelfs als dat niet het geval is, zal de poëzie, die traditioneel drijft op beelden die aan de natuur zijn ontleend, haar positie moeten bepalen tegenover de nieuwe werkelijkheid, die een maaksel is. Dat is wat Maartje Smits (1986) probeert te doen in haar tweede bundel, Hoe ik een bos begon in mijn badkamer.

Het boek is in vele opzichten hybride. Tekst wordt afgewisseld met foto’s, de vorm van de gedichten is onvoorspelbaar, het onderscheid tussen dichtregels en onderschriften bij afbeeldingen is fluïde en een van de reeksen gedichten wordt gepresenteerd als een beleidsdocument dat digitaal is becommentarieerd. Niets spreekt vanzelf. Vandaar wellicht dat ook de taal geen normaal Nederlands meer kan zijn, maar op diverse plaatsen geïnfiltreerd lijkt door Duits en Engels:

noem me onwettig in eco
aber ver
trouw me
selbstverständlichkeit
regent het gras plat

Clandestien overschrijdt de dichter grenzen omdat wat altijd natuurlijk leek onhoudbaar is geworden: ‘selbstverständlichkeit/ lei ons bloot’.

Het bos uit de titel van de bundel begint met een treetje varens dat verkrijgbaar is bij Ikea. Terwijl in echte wouden de bomen met elkaar communiceren via een netwerk van schimmeldraden zijn kamerplanten aangewezen op ‘Luchtzuiverende Plantenmix’, getest door nasa en tno. En los van de vraag of varens kunnen gedijen in een stedelijk appartement is het de vraag of we dit soort vegetatie in onze leefomgeving zouden moeten toelaten. De ‘vulploegmedewerker’ vindt van niet:

in Suriname moet je vechten tegen de natuur
anders neemt ze alles over
eerst je tuin dan je huis je
bed je douchegordijnen

De paradoxale manier waarop we met de natuur omgaan komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de behoefte onder glas een tropisch klimaat na te bootsen: ‘buiten regent het/ binnen sproeit een vrijwilliger/ de stekjes nat’. En het geldt helemaal voor de explosie van damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen, een ‘duin dat beschermd wordt/ duin dat allang niet meer beschermt’. Zelfs ‘damherten struikelen/ over damherten’, zodat er rigoureuze maatregelen getroffen moeten worden om de overlast die ze veroorzaken in te dammen. In een reeks ‘Notities bij Natuurbrug Zandpoort’ lezen we:

6.4 over de natuurbrug loopt
schrikdraad 2m40 ingegraven
tegen gulzige damherten
die niet mogen oversteken
damherten gaan te weinig dood
en eten te veel

6.5 damherten zijn een gevaar voor de natuur

Klimaatverandering en natuurbeheer, met als absurdistisch dieptepunt het zalmkanon dat vissen naar hun paaigronden katapulteert, vormen de kern van de bundel. Smits schrijft erover op een nuchtere maar licht verbaasde toon, meestal zonder te oordelen. Niet alle gedichten zijn even substantieel, al dragen ze allemaal bij aan het beeld van de wereld dat in de bundel als geheel wordt opgeroepen. Raad voor dierenaangelegenheden is een beetje mager:

er zijn twee soorten dieren
gehouden en niet-gehouden
de eersten huizen de laatsten
wonen in het wild

De foto eronder toont een natuurgebied waarin onduidelijke bouwsels zijn neergezet. Dat is immers, als we de dichter mogen geloven, een van de meest fundamentele eigenschappen van onze soort: we willen afbakenen en ons toe-eigenen. Zelfs ‘de laatste mens’ is er nog mee bezig: zij ‘tekent hokjes in het zand/ om zich thuis te voelen’. Ook de taal is een systeem van hokjes, want wie de wereld wil beheren moet categoriseren: ‘ze kent alle namen van dieren en andere/ begrippen die in onbruik zijn geraakt’.

Smits slaagt erin haar bevreemding op de lezer te doen overslaan. We moeten iets, als beschaving, maar wat? Evolueren we mee tot een postbiologisch verschijnsel? Smits’ methode heeft echter ook een keerzijde. Haar poëzie is geestig en spitsvondig, maar ook afstandelijk, en er zijn weinig formuleringen die zich in het geheugen nestelen. Maar misschien is nestelen juist iets waarvan we moeten zien af te komen. Ik ben nog niet zo ver.

afbreekbaar

als bomen mogen blijven liggen op de Veluwe
een tuin waar alles uitslaapt en ik niet opval

hoe lang zou ons vermolmen duren

mijn omgedroomde kind klopt
zuchtend zaagsel uit mijn kruin
onder de slapende zaden van haar ogen
liggen fijne nerven die afbreken als ik lach
mijn lijf is al jaren van plantaardige oorsprong

ik denk niet
dat we hier zullen aarden