De preciezen verslaan de rekkelijken

Dammen in de polder

Dammen is een typisch Nederlandse sport voor protestanten en genieën. Even dreigden de stenenschuivers ten prooi te vallen aan de moderniteit. Maar de preciezen versloegen de rekkelijken.

Het damspel heeft een imagoprobleem. Daarom doen visionaire dambestuurders zo nu en dan dappere pogingen om deze calvinistische denksport flitsender te maken, om de monocultuur van introverte zonderlingen te veranderen en vooral ook om het aantal remises te reduceren. De meest recente poging daartoe strandde jammerlijk door een conservatieve contrarevolutie op de honderd velden, maar niet na een stammenoorlog tussen de rekkelijken en de preciezen.

Dammen is in Nederland van oorsprong een huiselijke aangelegenheid. In de diverse cultuuruitingen spelen grootvaders, vaders of ooms op vreedzame wijze tegen klein kinderen, kinderen of neefjes. In Meindert Talma’s droogkomische Dammen met oom Hajo speelt de jeugdige ik-figuur tegen zijn prekende oom die de godvrezende bevolking van Surhuisterveen van melk en boter voorziet; in De aansprekers van Maarten ’t Hart damt pa Pau tegen oom agent; ter inleiding van het bijbelverhaal Marcus bracht de gereformeerde voorganger van de Uffelter kerkgemeenschap eens zijn dampartijen tegen opa te berde; in Arie Storms De ongeborene combineert de vader van de ik-persoon zijn bestaan als groenteboer met dat van dam organisator; in Pieter Verhoeffs film De vuurtoren is een dammende oom aanwezig, en oom Dagobert speelt tegen zichzelf. In Pietertje is waratje verliefd van de theoloog en schrijver Hildebrand hangt niet voor niets een dambord aan de muur.

Volgens de schaker Hein Donner was het dammen uit de kinderkamer ontsproten — één van de bekendste damtoernooien van Nederland was dan ook jarenlang het Brinta-toernooi — en hoorde het thuis in de huiselijke kring. Op achttiende-eeuwse boedellijsten komen amper schaakborden, maar des te meer damborden voor.

Deze huiselijkheid is onlosmakelijk verbonden met het platteland. Het gros van de 7500 clubdammers in Nederland — waar onder 89 vrouwelijke — speelt in Friese, Overijsselse en Gelderse buurthuizen. In Friesland, zo verhaalt het jubileumboek Liefhebbers en topdammers van de Friese dambond, is dammen in de eerste plaats een sociaal gebeuren. De Koninklijke Nederlandse Dambond heeft daar sterke concurrentie van Damb’n Frysk Spul, een Friestalige bond (waar op z’n Molkwerums wordt gedamd, genoemd naar Molkwerum, dat bekend stond om zijn wanordelijke huizenbouw), en sinds 1932 de Zuidwesthoekbond, wier leden er geen heil in zien contributie te betalen aan een landelijke bond voor het spelen van streekderby’s tegen Hemelum of Elahuizen.

Sinds jaar en dag lijkt Gods zegen op dit spel te rusten. Dammen geniet althans bovenmatige populariteit bij protestanten in het algemeen en de mannenbroeders van de gereformeerde kerk in het bijzonder, zoals ooit uit een CBS-onderzoek over confessionele levensstijlen bleek. De eerste aanwijzing daarvoor dateert reeds uit 1733, toen Justus van Effen getuige was van een dampartij tussen een welgestelde Portugees en «een man die een christen scheen». Nu nog steeds verschijnen in het Kerkblad voor Nederlandse Gereformeerde Kerken in Gelderland en Overijssel bijdragen over de damsport en omlijst de gereformeerde VU-hoogleraar A.Th. van Deursen zijn lezingen wel eens met een damanekdote. Op schooldamtoernooien zijn de Scholen met de Bijbel altijd geduchte tegenstanders en bij het Nederlands kampioenschap is één van de vier poules gereserveerd voor de bevindelijke stenenschuivers.

Op het eerste gezicht is dammen een buitengewoon simpel tijdverdrijf dat door iedereen te volgen is, maar goed dammen is vanwege het hoge abstractieniveau een bezigheid voor hele of halve genieën. En daar heeft Nederland er relatief veel van gehad. Sinds de jaren zestig heeft Nederland met Ton Sijbrands, Harm Wiersma en Jannes van der Wal drie wereldkampioenen gehad, waarvan de eerste twee nog steeds op topniveau spelen en de derde dat waarschijnlijk nog had gedaan ware het niet dat hij in 1996 op te jonge leeftijd is gestorven aan leukemie. Het tragische lot van deze topdammers is dat ze hun naamsbekendheid niet alleen te danken hebben aan de onnavolgbare partijen die ze hebben gespeeld of de briljante offers die ze daarin hebben gedaan.

Het damleven van de gesjeesde wiskundestudent Van der Wal, met memorabele optredens in een Braziliaanse nachtclub, de intercity Amsterdam-Groningen en de televisieshow van Mies Bouwman, heeft een onwisbare invloed gehad op het imago van de dammer als zonderling. Het wonderkind Wiersma verwierf ook bekendheid als lijstduwer van de Boerenpartij, voorzitter van Leefbaar Leeuwarden en kamerlid van de LPF. Sijbrands werd een mythologische figuur door de lange damloze periodes die zijn carrière kenmerkten, door het feit dat hij in de Nederlandse competitie slechts vier verliespartijen achter zijn naam heeft staan en door de blindsimultaan die hij eind 2002 onder grote mediabelangstelling gaf in het Gelderse Lutten. Ereburger van het vestingstadje Muiden is hij er overigens niet door geworden.

Tussen de liefhebbers en deze topdammers gaapt een kloof. In ieder geval zijn het geen rolmodellen voor de kleine luyden voor wie het dammen een alibi is om even bij de vrouw weg te zijn.

Behalve door grootvaders, gereformeerden, genieën en schoolgaande jeugd wordt de damsport in Nederland voorts beoefend door premiejagers uit de voormalige Sovjet-Unie. Net als schaken werd het dammen onder het communistische bewind als een zaak van staatsbelang beschouwd. Als ze al niet in Nederland wonen, pakken de premiejagers soms reeds op donderdagmiddag de slaaptrein uit Minsk om op zaterdagmiddag in het Westland voor tweehonderd euro een ereklassewedstrijd te spelen tegen topclub Huissen of Rinsumageest, de Friese club die ontstaan is uit de sociale gewoonte om tijdens het wachten op de barbier de tijd te doden met een spelletje dammen. Het dammen in steden als Rotterdam en Amsterdam wordt voor een groot deel in stand gehouden door immigranten uit zowel Franse als Nederlandse koloniën, die elkaar ontmoeten bij een club als Gandhi.

De dambond heeft dus multiculturele trekjes in de breedste zin van het woord, maar sexy, hip of cool is het spel desondanks niet. Aan de interesse van de jeugd zal het niet liggen. Er zijn in Nederland meer schooldammers dan clubdammers. Het probleem is om die jongeren naar een club te lokken. De ooms en opa’s dammen graag met hun neefjes en kleinkinderen, maar liever niet op een gezellige clubavond. Gezien het magere prijzengeld zijn er bovendien weinig ouders die hun kinderen stimuleren om damgrootmeester te worden. «Waar schaakgrootmeesters dineren met koningen, daar zitten de dammers in de keuken met de kurken te spelen», schreef schaakpublicist Tim Krabbé in zijn dagboek. Bij de kroning van Alexander Georgiev als nieuwe wereld kampioen schitterde nota bene de voorzitter van de Nederlandse dambond in het Overijsselse Zwartsluis recentelijk door afwezigheid. Zijn mobiele telefoonnummer was bij de organisatie niet bekend.

Het vreedzame, dus suffe imago van het dammen wordt enigszins bijgesteld door het aantal onderlinge ruzies. Zo was dammend Nederland afgelopen najaar in de ban van de affaire-Goedemoed. Op een discussieforum had de Friese topspeler en jeugdtrainer Tjalling Goedemoed — de Jan Mulder van de damsport — iemand een NSB’er genoemd. Conform de balkenen diaanse strijd voor het behoud van normen en waarden, ook binnen het damuniversum, werd hoor- en wederhoor niet toegepast, de tuchtcommissie gepasseerd en Goedemoed voor het leven geschorst. Na een rebellie van de damspelers werd deze draconische maatregel teruggedraaid. Twee bestuurs leden hielden de eer aan zichzelf.

Deze affaire leidde de aandacht af van een binnenbrand die al jaren woedt binnen de damwereld en soms flink oplaait. De inzet: het reduceren van het aantal remises. Krantenkoppen als Ook 18e partij tussen Tsjizjov en Georgiev remise zouden dodelijk zijn voor het imago in een tijd van hyper reële computerspelletjes, extreme sporten, Idols en Patty Brard.

In de geest van Jannes van der Wal, die tegen het einde van zijn leven vanwege die heersende «wie-remise-wil-kan-het-krijgen-cultuur» was overgestapt op schaken, had de Delftse kunstenaar/schaker Henk de Witt de puntenoverwinning ontwikkeld. In het dammen verliest een speler pas wanneer hij geen enkele zet meer kan doen. In alle andere gevallen delen de spelers de punten. Onrechtvaardig, zo menen de voorstanders van de puntenoverwinning. In de Delftse telling gaat de overwinning simpelweg naar de speler die op het einde nog het meeste materiaal over heeft: 3-1 voor een puntenoverwinning en 5-0 voor een klassieke winst. Dammen zou hiermee evolueren in een soort veroveringsspel, en daarmee ook aantrekkelijker zijn voor de jeugd. De bond stelde een Werkgroep Modernisering Puntentelling in met daarin de voorstanders van deze wijziging. In juni besloot de bondsraad de telling in te voeren die in Delft en Harkstede reeds praktijk is.

Het vooruitzicht van een materialistisch spel met korfbaluitslagen als 5-0 of zelfs 7-0 zorgde voor een stammenstrijd tussen rekkelijke en precieze dammers. Uit een enquête bleek liefst tachtig procent van de dammers tegen verandering van hun liefhebberij te zijn. Immers, het remise probleem speelt alleen op topniveau en niet bij de gewone dammers. Bij sommige Friese damclubs is het zelfs de gewoonte om de partij, ongeacht de stelling, na drie uur spelen remise te geven. Maar ook de toppers zelf koesterden twijfels. Sijbrands, voor wie een remise meestal geen saaie 0-0, maar een boeiende 4-4 is, kondigde aan te stoppen bij invoering. Ook Wiersma bleek tegen het plan te zijn dat een einde zou maken aan de eenvoud. Totdat het wegens grof taalgebruik werd gesloten, was er op het dam forum een haat- en smaadcampagne gaande tegen «het Delftse gedrocht» en zijn bedenkers. Kortom, Nederland dreigde weer een dambond rijker te worden, eentje van ontevreden preciezen.

Zo ver kwam het niet. Tijdens de algemene ledenvergadering begin dit jaar bleken de afgevaardigden van de bondsraad te hebben geluisterd naar de opstandige achterban en de Delftse telling werd niet eens in stemming gebracht. Het bestuur verklaarde diplomatiek dat er eerst meer steun binnen de werelddambond moest worden gevonden. Nederland zou zich internationaal gezien buitenspel zetten met de Delftse telling. Elk land heeft zo zijn eigen spelregels en als gidsland strijdt juist Nederland al jaren voor een uniform damspel. Daar kwam bij dat het besluit om de omstreden telling in te voeren indertijd ongeldig was omdat de statuten van de bondsraad nooit waren goedgekeurd door de notaris. Voorlopig zullen slechts de Delftenaren en Harkstedelingen remisebestendig zijn. Maar voor de rest geldt Donners eerste damwet, namelijk dat de natuurlijke bestemming van een dampartij het vreed zame slot is. De remise.