OUDEREN EN NEDERLAND

Dan knijpt mijn hart

Waardig ouder worden in Nederland. Zit dat erin? En hoe vergaat het de migrant op zijn oude dag? Bericht uit een woonzorgcomplex en een multicultureel ouderencentrum in Amsterdam-Oost.

‘De mensen worden steeds ouder’, zegt mevrouw Root-Klok. We lopen langzaam over de gang op de eerste verdieping van woonzorgcentrum De Gooyer, op weg naar een kop thee. In een kleine zaal zitten enkele ouderen aan het middagmaal. Mevrouw Root-Klok schuifelt achter haar rollator. We komen er wel, haast is hier niet nodig. ‘Moet jij eens raden hoe oud die dame is die net een hap neemt’, zegt ze met een zangerig Amsterdams accent. ‘Honderdentwee! Kun je het je voorstellen? Dat zeg ik, de mensen worden steeds ouder. Voorheen als je ’t aan je hart had, werd je afgeschreven. Nu leggen ze een omleidinkje aan, nieuwe hartkleppen, nieuwe knieën, huppatee.’
Zelf is mevrouw Root-Klok 82 en best tevreden. Ze woont samen met haar man in een appartement in De Gooyer, dat zo’n beetje aan de Amsterdamse Dappermarkt ligt. In het enige pand dat het complex scheidt van het marktgewoel, huist een Turkse halal-bakkerij. ‘We hebben hier een woonkamer en een slaapkamer. Als je het leuk inricht, is dat nog heel aardig wonen’, zegt ze. Ze kende het centrum al voordat ze erheen verhuisde. Haar man had er veertien jaar de klaverjasclub geleid, zij zelf was er tien jaar vrijwilliger geweest. Op haar leven kijkt mevrouw Root-Klok zonder morren terug. Ze houdt er niet van als mensen gaan zeuren over vroeger. Het verleden is geweest, het komt niet meer terug. Ook al halen de herinneringen langzaam de lege werkelijkheid van de oude dag in. ‘Ik was gelukkig vroeger. Ik kon overal van genieten en dat kan ik nog steeds. Ik vind dat we het goed hebben nu, want vroeger hadden we niks. Jazeker, we hebben hard gewerkt, ons leven lang. Mijn man stond 27 jaar op de Dappermarkt met groente en fruit en daarna 25 jaar op de vismarkt bij de Jan van Galenstraat. Maar daar word je niet beroerd van hoor, van werken. Van verveling word je beroerder.’

De tijden zijn veranderd, dat merkt mevrouw Root-Klok elke dag. Het is niet alleen de techniek, met bypasses_,_ rollators en scootmobielen. Het is de mentaliteit. ‘Vroeger was het socialer, nu leven de mensen maar allenig. Eigenlijk vind ik het een stuk asocialer geworden. Wij hadden weinig, maar we hadden elkaar. Nu leven de mensen in luxe zonder dat ze daar hard voor moeten werken. Mensen hebben te veel tijd. Als er verveling in de man komt, gaat men dingen doen die niet goed zijn. Wij waren zuinig op wat we hadden, maar tegenwoordig zijn de mensen niet eens meer zuinig op zichzelf. Als je die drugsverslaving en al die toestanden ziet: dat is geen verbetering hoor. Wij hoefden niet zoveel te bereiken. Jonge mensen leven gejaagd. Hoe moeten zij ooit tevreden raken? Ze willen steeds méér. Ze denken niet aan elkaar, maar alleen aan zichzelf.’ Het sterkste bewijs daarvan vindt mevrouw Root-Klok de huidige toestand van de liefde. Daar is weinig meer van over. ‘Mijn man en ik zijn bij leven en welzijn volgend jaar zestig jaar getrouwd. Daarvoor hadden we al zes jaar verkering. Maar nu zijn jonge mensen één, misschien twee jaar bij elkaar, en huppekee, weg zijn ze weer. Het is een chaotische toestand geworden.’

Het was voor haar generatie vanzelfsprekend dat je je ouders onder je hoede nam. 22 jaar heeft ze voor haar moeder gezorgd. ‘Nagelopen’, noemt ze dat. Haar vader overleed jaren eerder. Toen haar moeder alleen was, ging het bergafwaarts. Haar broer kon niet helpen. Die verloor de onderkant van zijn been bij het sloopbedrijf waar hij werkte, toen hij bekneld raakte onder een omgevallen kraan. ‘Hij lag twee jaar in het ziekenhuis. Hem heb ik ook nagelopen, want het eten daar was maar niks.’ Pas aan het einde van het gesprek blijkt dat ze ook nog eens zorgde voor een buurvrouw en een tijd lang voor een van haar dochters, die lang het bed moest houden.

Eigenlijk vindt mevrouw Root-Klok dat ouderen tegenwoordig veel te snel naar het bejaardenhuis worden gebracht. Maar ze heeft erover nagedacht en ze vindt niet dat haar dochters haar hoeven nalopen. ‘Ik ben niet het type dat zich laat verzorgen. Daarom hebben wij ons eigen appartementje.’ Een van haar dochters woont in de buurt en komt elke ochtend langs. ‘Wij hebben ons leven gehad’, zegt mevrouw Root-Klok. ‘Zij hebben nu hún leven en dat leven ze op hun eigen manier. Natuurlijk houden ze veel van hun vader en moeder, daar gaat het niet om. Wij redden ons voorlopig nog wel; we worden hier verzorgd als het moet. Het is goed zo.’

In de Eerste Atjehstraat, vlakbij De Gooyer, wordt geen eten opgediend. Niemand loopt er met een rollator en er staan geen scootmobiels voor de deur. Hier wordt gewoond noch gezorgd. De gemiddelde leeftijd van de aanwezigen is lager dan die in De Gooyer, maar de mannen die hier komen – er is geen vrouw te bekennen – zijn allen de zestig gepasseerd. In dit Multifunctioneel Ouderen Centrum wordt vooral luidruchtig gesproken, in het Turks en in het Berbers. In een hoek van de ontmoetingsruimte is een groepje oudere mannen aan het sjoelen. Aan een lange tafel wordt domino gespeeld. Er is gratis slappe koffie en sterke thee. Dit zijn de ‘buitenlanders’, waar mevrouw Root-Klok heus geen hekel aan heeft, zei ze, maar ‘die het land wel vol maken’. Moustafa Cezim, bestuurslid van de Turkse Ouderenraad tydm, laat zijn minuscule kantoortje zien. ‘We hebben te weinig ruimte om de ouderen goed op te vangen’, vertelt hij. ‘Het is de bedoeling dat oudere Surinamers, Nederlanders, Turken en Marokkanen elkaar hier ontmoeten, maar als ze allemaal tegelijk komen, hebben we een probleem.’ Hij lacht verlegen. ‘Er is ons al jaren geleden beloofd dat we de ruimte hiernaast erbij zouden krijgen.’ Door wie dan? Moustafa Cezim wordt nu écht verlegen. Het was Tjeerd Herrema, de pvda-voorzitter van de deelraad Zeeburg zélf die dat beloofde. Herrema is nu wethouder Verkeer, Vervoer en Infrastructuur van de centrale stad. ‘We horen niets meer van hem’, zegt Cezim.

In de keuken heeft zich een groep Marokkaanse mannen teruggetrokken rond een tafel. Ze zijn druk in gesprek. De grotere ontmoetingsruimte is in bezit genomen door Turkse heren. Het vertrek loopt leeg; men gaat naar de moskee. Meneer Ünal (67) besluit dat hij later in zijn eentje zal bidden. Hij schuift aan om zijn verhaal te vertellen. ‘Niet alleen mijn verhaal, maar het verhaal van bijna alle mannen hier’, corrigeert hij. Dertig jaar werkte hij als kok in congrescentrum de rai, maar hij krijgt geen volledig ouderenpensioen van de staat. ‘Ik heb hard gewerkt, maar ik krijg maar vijfhonderd euro aow. Als je veertig jaar hebt gewerkt, krijg je wel negenhonderd’, protesteert hij. Wie aantoonbaar niet kan rondkomen, kan een aanvulling krijgen van de sociale dienst. Maar daarvoor komt hij niet in aanmerking, omdat een van zijn zoons nog thuis woont en geacht wordt een toelage aan zijn ouders te betalen – wat hij niet doet, en wat meneer Ünal ook niet zou willen. ‘Hij is mijn zoon, hij hoeft mij niet te betalen.’ Hij heeft ook nog een klein pensioentje van zijn voormalige werkgever. Ook dat wordt door de sociale dienst aangevoerd als reden om hem geen aanvulling te geven op zijn aow. ‘Dat vind ik onrechtvaardig’, zegt meneer Ünal. ‘Het is mijn geld dat ik verdiend heb met hard werken. Dat moet losstaan van de aow.’

De wereld van meneer Ünal is klein geworden nu hij niet meer werkt. Als kok had hij veel contact met Nederlanders, ras-Amsterdammers vooral, van wie hij zijn bijna Bargoense accent kreeg ingeblazen als inburgeringsgift. ‘Als je niet met ze werkt, zijn Nederlanders niet zo sociaal. Ik kom nu vaak hier om medemensen te ontmoeten, en dat blijken dus vooral Turken. Ik heb eens aan mijn twee Nederlandse buurvrouwen gevraagd of ze meegingen, maar die vonden dat ze hier niets te zoeken hadden. Dat vond ik jammer. Ik had begrepen dat ons ouderencentrum er was voor alle culturen.’

Elk jaar gaat hij een paar maanden met zijn vrouw naar Turkije, om de winter te ontvluchten. Maar hij voelt zich er niet echt meer thuis en in Nederland al net zo min. ‘Als ik in Turkije ben, mis ik mijn zoons. Die komen soms wel, maar eigenlijk willen ze liever aan het strand liggen. Ik kwam naar Nederland in 1966. Ik ben hier getrouwd met mijn Turkse verloofde en mijn kinderen zijn hier geboren. Zij willen niet in Turkije wonen. Ik vind dat moeilijk. Ik wil het liefst oud worden in mijn land, maar ik wil niet te ver weg zijn van mijn kinderen. Dus reizen mijn vrouw en ik maar heen en weer.’

Hoe zijn échte oude dag eruit zal zien, als hij misschien minder goed ter been is, weet hij niet. ‘Ik ben bang om alleen achter te blijven; mijn kinderen hebben het druk, wat als mijn vrouw sterft? Mijn angst is het bejaardenhuis, dat ik daar in mijn eentje zit. Ik weet niet wat er zal gebeuren. God beschikt.’ Dan wordt hij weer vrolijk, hij heeft namelijk nog niet zo lang geleden een uitstekende manier gevonden om toch te integreren met mede-Nederlanders. Twee keer in de week wordt de keukentafel in bezit genomen door een groepje Hollandse dames. ‘Die zitten dan te breien. Ik ga er graag bij zitten. Breien en kletsen, heel gezellig.’

‘Waardig ouder worden in Nederland, daar gaat het ons om’, zegt Wendela Gronthoud. ‘Maar dat is voor veel migranten van de eerste generatie niet zo gemakkelijk.’ Gronthoud is directeur van Stichting Centrum Advies & Beleid Oudere Migranten (Cabo). De organisatie probeert oudere migranten in Amsterdam wegwijs te maken in dienstverlening, zorg en wonen. Oudere migranten zijn vaak bang geïsoleerd te raken. ‘Ze kwamen hier zonder de taal te spreken en aanvankelijk wees niemand hun erop dat ze daar iets aan moesten doen’, vertelt Gronthoud. ‘Ze hebben de Nederlandse samenleving nooit echt begrepen. Dat was ook niet nodig: ze hebben vooral knoerthard gewerkt. Ik vind het niet vreemd dat ze dan op hun oude dag willen wonen in de nabijheid van mensen met eenzelfde culturele achtergrond. Dat is bijna een noodzaak als je kijkt naar de omstandigheden waaronder zij hier zijn gekomen. Ze zoeken geborgenheid.’

Toen Gronthoud zich ging bezighouden met de allochtone oude dag, halverwege de jaren negentig, kreeg ze allerlei zorgen te horen van de eerste generatie migranten. Pas na enige tijd kwam ze erachter dat één probleem niet werd genoemd, uit schaamte: de sociaal-economische achterstand. ‘Oudere migranten hebben een heel kleine beurs. Jij en ik bouwen aow op vanaf ons vijftiende. Een migrant doet dat pas vanaf het moment dat hij werkt. Ze hebben al die jaren zo ontzettend hard gewerkt, en ze blijven achter met bijna niets. Dan knijpt mijn hart.’ Soms gaf Gronthoud de mensen tijdens voorlichtingsbijeenkomsten cadeaubonnen. ‘Daar kochten ze handschoenen van of een warme sjaal. En de broodjes en koekjes die overbleven gaven we aan de mensen die dat wilden. We bleven er nooit mee zitten. Er is echt stille armoede bij deze groep.’

Bij het Cabo werken consulenten, die sleutelfiguren (vaak zelf ook op leeftijd) uit verschillende migrantengroepen bijstaan. ‘Dat zijn de waterdragers’, zegt Wendela Gronthoud. ‘Zij zijn onze helden. Zij helpen “hun” ouderen met alledaagse dingen die ze zelf niet aankunnen. Veel mensen kunnen niet naar de dokter of de sociale dienst omdat ze geen Nederlands spreken. Ze zijn te oud om de taal goed te leren. Mensen overlijden soms eenzaam, zonder dat er een begrafenis is geregeld. Als deze sleutelfiguren er niet waren, wie zou hen dan helpen?’

Een van de waterdragers is meneer Liu. Hij is de drijvende kracht achter de Chinese ouderenvereniging Tung Lok. We drinken een biertje in een café in Amsterdam-Oost, vlakbij het ouderencentrum van meneer Ünal en het woonzorgcomplex van mevrouw Root-Klok. Meneer Liu is 71 jaar en gaat onberispelijk gekleed. Hij heeft een onverstoorbare glimlach op zijn gelaat. Eens, vertelde Wendela Gronthoud ontroerd, organiseerde hij een busreis voor Chinese ouderen naar Zeeland, waar ze met z’n allen kokkels gingen zoeken. Meneer Liu is geboren in Suriname. Zijn vereniging bestaat volledig uit Chinese Surinamers die als contractarbeiders naar Suriname kwamen. De Chinezen uit Hongkong en China kunnen zij niet verstaan. Die spreken een ander dialect. Meneer Liu herinnert zich nog hoe hij in Suriname optrok met een blank schoolvriendje, het zoontje van een rechter. ‘Als we op school zaten, kwam een zwarte vrouw met een koperen dienblad en een witte doek over haar arm hem zijn lunch brengen.’

Meneer Liu lacht wel, maar hij maakt zich zorgen. Al tien jaar probeert hij iemand te vinden die hem wil opvolgen als voorzitter van Tung Lok. Maar wie aanvankelijk enthousiast was, deinst terug voor de drukke vrijwilligersbaan. Toch moet er iets gebeuren. Veel langer houdt hij dit niet vol.

Dit jaar zou een mooi moment zijn om ook in het vrijwilligersleven met pensioen te gaan, want hij heeft met Tung Lok groot succes geboekt. In de Bijlmer wordt een wooncomplex met zorgsteunpunt gebouwd met 54 appartementen voor Chinese ouderen. Stichting Cabo, een woningbouwvereniging en een zorgverlener hebben daarbij geholpen. Het is een ideale oplossing voor de Chinezen, vertelt meneer Liu. ‘Veel mensen zijn bang voor het bejaardenhuis. Dit is veel beter voor hen.’ Bij de bouw wordt zelfs rekening gehouden met feng-shui-aspecten. De voordeur mag bijvoorbeeld niet in één lijn liggen met de binnendeuren, want dan stroomt het geluk weg. Toch ziet meneer Liu veel oudere Chinezen vereenzamen. Hun kinderen leiden vaak moderne levens, met snelle banen. Ze wonen niet meer thuis en hebben het druk. ‘Chinezen houden hun problemen voor zichzelf. Er is veel eenzaamheid. Elke maand vieren we collectief de verjaardagen van iedereen die die maand jarig is. Met slingers en cake. Je ziet de mensen dan opleven.’ In sommige Amsterdamse bejaardenhuizen verblijven eenzame oude Chinezen die geen Nederlands spreken. Meneer Liu zorgde ervoor dat zij elke maandag en vrijdag bijeen worden gebracht, zodat ze weer met mensen kunnen praten. ‘En lekker majong spelen, natuurlijk.’

Meneer Liu houdt niet van verzorgingstehuizen. Toen zijn moeder 85 werd, werd ze in zo’n tehuis opgenomen. ‘Ze lag soms ’s middags te slapen in de ontmoetingszaal. Een verzorger vertelde me dat het daarmee afgelopen moest zijn, want anders was ze ’s avonds te wakker en hadden ze te veel werk aan haar. Ik heb haar meteen mee naar huis genomen en voor haar gezorgd.’

Volgens Wendela Gronthoud heerst bij sommige migranten het hardnekkige misverstand dat Nederlanders niet de behoefte hebben om te zorgen voor hun ouder wordende ouders. ‘Als je in de harten van Nederlanders kijkt, voelen zij denk ik dezelfde bezorgdheid over hun ouders als jonge migranten. Maar wij zijn veel eerder begonnen met het ontwikkelen van oplossingen. Stel dat je vader of moeder een been breekt, dan kun je als autochtone Nederlander waarschijnlijk gemakkelijker zeggen dat het goed is om de thuiszorg te bellen. Dat is niet beladen. Bij veel migranten wel, want dat is een harde breuk met vroeger, toen de levens van mensen zo waren ingericht dat ze voor elkaar konden zorgen. Wij merken dat jonge migranten vaak in een onmogelijke spagaat verkeren. Ze hebben de behoefte om te zorgen voor hun ouders, maar ze hebben banen en kinderen, en ze wonen steeds vaker niet meer in de buurt van hun ouders. Dat is een proces dat Nederlanders al veel eerder hebben doorgemaakt.’ Tegelijkertijd ziet Gronthoud ook verandering bij de ouders. Die komen weliswaar vaak uit culturen waar de sociale groep een grotere rol speelt dan in de westerse samenleving, toch zijn ze niet blind voor de situatie van hun kinderen. ‘De eerste generatie zou het in emotioneel opzicht heel fijn vinden als er door hun kinderen voor hen werd gezorgd, maar zij zien dat hun kinderen behoefte hebben aan zelfstandigheid. Ze willen graag dat hun kinderen hier een goed leven krijgen.’

Die ontwikkeling wordt echter te niet gedaan door de verharding van de samenleving jegens migranten. Steeds vaker hoort ze van zowel jongere als oudere migranten dat ze zich nooit eerder zo onwelkom voelden. ‘Mensen zien hoe politici tekeer gaan en hebben het gevoel dat er voortdurend op hen wordt ingebeukt. Toen wij begonnen, lieten we een oude film zien over de ervaringen van Nederlanders die naar Australië emigreerden. De ontroering die dan loskwam bij de migranten! Soms denk ik: Den Haag zou eens op excursie moeten naar al die landen waar Nederlanders na de oorlog naartoe zijn geëmigreerd. Zij voelen zich net zo ontheemd.’