Dan liever de lucht in

Natuurlijk had Jacq Vogelaar al lang de P.C. Hooftprijs voor zijn essayistisch werk moeten hebben, het had dit jaar nog gekund (en gemoeten). Zeker na zijn grote werk Over kampliteratuur (2006) en dan heb ik het nog niet eens over zijn talloze essays in het jaarboek Raster dat tot 2009 voor het grootste deel dankzij zijn bijdragen overeind bleef.

Medium je zit niet alleen in je vel

Of over zijn laatste essayboek, het paradoxale en hoogst vermakelijke Je zit niet alleen in je vel. Je moet natuurlijk nederig voor jury’s door het stof gaan, zeker niet kwaad worden, ze altijd schuldbewust en deemoedig in je gebeden prijzen en vooral ‘ik heb altijd ongelijk’ prevelen. Maar toch.

Het ligt er natuurlijk aan wat je van essays verwacht. Wie hoopt op persoonlijke ontboezemingen, op bekentenissen en het bijbehorende zelfmedelijden, op meningen over van alles en nog wat, of wie rekent op betogen met een inleiding en een stelling, een uitwerking van de voors en tegens van de stelling plus een conclusie, komt bij Vogelaar uiteraard bedrogen uit. Zulk soort essays zijn voor schoolmeesters en moraalridders. Vogelaar kiest altijd het ruime sop van het voorlopige denken en schrijven. Het Wilde Schrijven, zo zou je het kunnen noemen, niet omdat het zo wild is, of primitief, of magisch, maar omdat hij altijd een eigen manier van denken en schrijven probeerde te ontwikkelen.

Niet voor niets vertaalde hij al in 1968 Lévi-Strauss’ meesterwerk Het w __ilde d_ enken_. Vogelaars eigen werk is te beschouwen als een voortzetting hiervan, een vorm van doorschrijven in en over literatuur. Het ging hem er niet om zich in de richting te denken of te schrijven van een vooraf gegeven einddoel dat je vervolgens via oorzaak-en-gevolgredeneringen moest zien te bereiken (en dus altijd bereikt). Zo werkte dat bij hem niet, hij zocht het in cirkelende, omleidende en omtrekkende bewegingen. Wie in zijn werk ‘de’ kern wil opsporen, komt er vele tegen, steeds meer, in mijn exemplaar van Je zit niet alleen in je vel heb ik op tientallen pagina’s in de kantlijn de kreet ‘Kern’ gekalkt. Maar waar is ‘de’ kern dan? Als er zoveel van zijn? Wie gooide hier wie zand in de ogen? Misschien zit die kern in de vele voetnoten die Vogelaar over alle pagina’s rondstrooide en waarin hij op het beweerde reageert.

Deze omtrekkende, cirkelende werk- en denkwijze (methode is het woord niet) was bij hem geen kwestie van niet kunnen, maar van niet willen. Dan liever de lucht in, hoe vaak heeft Vogelaar deze treffende kreet niet in zijn werk, in allerlei vermommingen, doorhalingen, pogingen, proefopstellingen, excursies en uitweidingen geënsceneerd. Ook weer in Je zit niet alleen in je vel, waarin hij een doorlopend, vaak vrolijk en anders wel hartstochtelijk of snijdend betoog afsteekt tegen de ‘gewone’ roman en het ‘gewone’ proza. Tegen het einde schrijft hij: ‘In gewoon proza – met het begrip pageturner als toppunt – zijn zinnen bedoeld om de lezer zo snel en soepel mogelijk vooruit te helpen, te vervoeren, op weg naar het einde.’ Let op de weerzin die hier dubbelzinnig doorklinkt: ‘vooruit helpen’ (literatuur als therapie), ‘vervoeren’ (in vervoering brengen), ‘op weg naar het einde’ (de dood). Weerzin tegen het gewone van literatuur. Dat, het gewone, verdom ik toch eeuwig.

Het ging bij Vogelaar niet om de invulling van ideeën en concepten, maar om doorschrijven

‘I would prefer not to.’ Dit ingehouden statement van de klerk Bartleby uit Melville’s verhaal Bartleby, the Scrivener (1856) zou je goed kunnen gebruiken als motto bij Vogelaars werk, als je maar wel beseft dat het alleen een deel ervan dekt. In Je zit niet alleen in je vel gaat Vogelaar uitvoerig en met veel empathie op dit merkwaardige verhaal in, waarin Bartleby’s weigering om bepaalde (schrijf)taken uit te voeren uiteindelijk ook leidt tot de weigering om te eten en dus tot de dood. Net als bij het verhaal Een hongerkunstenaar van Kafka, waar Vogelaar ook uitvoerig (en soms uiterst geestig) mee aan de haal gaat. Bij Vogelaars essayistiek gaat het overigens niet alleen om dit ‘weigeren’, maar vooral om de route van de weigering, om het plezier of de wanhoop van en over de afgelegde weg, om de bomen naast de weg, het struikgewas, de zangvogels in het struikgewas, de wormen onder de grond, het gepeins over het juiste vervoermiddel of over het plaveisel (waarom is dit een teerweg?), over een alternatieve route en over de invallen die de hele weg over elkaar duikelen als jonge dolfijnen op weg naar een nieuw visgebied. We zien wel waar we uitkomen, daar gaat het om. Op weg naar nieuwe terreinen. En afgronden, dat ook.

Het ging bij hem niet om de invulling van ideeën en concepten (zoiets noemen we ‘romans’ en dat weten we nu wel), maar om doorschrijven, om doorschrijvingen zou ik willen zeggen, misschien is dat het betere woord. Verder gaan waar een ander is gebleven. Wat dit betreft is Vogelaars werk verwant met dat van de Duitse veelschrijver Jean Paul (1763-1825) die de literatuur van zijn tijd ‘weigerde’, hij prikte er met parodieën doorheen, maar die toch verder ‘doorschreef’ en in zichzelf rondcirkelende ‘romans’ produceerde, boordevol essaytjes, verhalen, citaten, zijpaden en alternatieve routes. Die altijd met zichzelf en de literatuur in debat was. Tot op het rare af. En daar dan weer op reageerde om het er toch nog over te hebben.

Het paradoxale van dit alles springt natuurlijk direct in het oog en Vogelaar is zich in Je zit niet alleen in je vel als geen ander daarvan bewust. Geen romans willen schrijven (ze hebben hun kracht verloren) en dan pleiten voor romans die geen romans willen zijn. En dus toch romans zijn, maar dan andersoortige. Deze essaybundel is één groot pleidooi voor de romankunst.

Eind april 2010 interviewde ik in het Haagse Theater Branoul voor ongeveer vijftien literatuurliefhebbers Jacq Vogelaar over Je zit niet alleen in je vel. Ik heb mijn voorbereiding nog. Blaadjes papier met vragen en kreten. Ik wilde hem de mop van de allerkleinste roman vertellen (‘alles is niks’), maar dat kwam er niet van. En ik wilde hem vragen waarom hij de romankunst, ondanks al zijn bezwaren, toch overeind wilde houden. De roman als invuloefening, dat ik romanschrijven bij mezelf toch geen invuloefening vond. Invullen is ook schrijven. ‘Vlakken vullen is ook schilderen’, staat in mijn aantekeningen. Ik wilde hem de paradoxen van zijn werk voorleggen: niet willen schrijven en daarover schrijven. ‘Maar ik wil wel schrijven’, zei hij. En waarom hij toch zo keihard tegen Rousseau tekeergaat, terwijl ik die zo smartelijk bewonder. Ergens in mijn exemplaar staat in de kantlijn: ‘vragen naar Rousseau, discussie, waarom?’.

Veel kwam er van mijn plannen niet terecht. Jacq praatte vrolijk over zijn werk, zoals altijd, over het ontstaan ervan, over orale literatuur, stemverschillen, de pilroman (romans als pilletje), Balzac, Tolstoj. Hij las ten slotte een stukje voor uit een Taats-verhaal: ‘Taats groef en groef en had met elke bocht die hij insloeg de rechte hoek achter zich gelaten. Hij groef een kronkelend gangenstelsel onder zijn geboortestad. Versneld afgedraaid was het een dans die hij uitvoerde, een door niemand geziene maar daarom nog niet minder extatische dans.’

Jacq Vogelaar, Je zit niet alleen in je vel, Querido, 2010, 337 blz., € 13,50 (tweedehands)