Boerenzelfmoord, een onderschat verschijnsel

Dan liever de schuur in

Het zoete beeld dat het massaal bekeken Boer zoekt vrouw schetst van de agrarische werkelijkheid staat in schril contrast met de persoonlijke drama’s die zich regelmatig in plattelandsgemeenschappen afspelen.

Op het kerkhof van het dorpje Westphalia, in de landbouwstaat Iowa (VS), liggen vijf kleine, bemoste, identieke grafstenen naast elkaar. Ze dateren allemaal van september 1963. ‘Weggevaagd, een heel gezin verdwenen. Het dorp was ontredderd. Iedereen kende elkaar, want we zagen elkaar zaterdag en zondag in de kerk.’ Ik sta naast Mike Rosmann, klinisch psycholoog en expert op het gebied van preventie van agrarische zelfmoorden. In Amerika staat de preventie van zulke suïcides hoog op de agenda, want in veel staten hebben boeren een grotere kans door eigen hand te overlijden dan anderen. Net als in ettelijke Europese en Aziatische landen.

In Nederland wordt over deze kwestie gezwegen. Er zijn geen cijfers, er is geen onderzoek: het is een taboe. Maar dat was het voorheen in de VS ook, totdat de statistieken té alarmerend werden. Ik ben op zoek naar de achtergrond van het taboe en naar strategieën om het te doorbreken. Rosmann is twee weken lang mijn gids in de uitgestrekte Midwest en voert me langs uiteenlopende preventieprojecten, hun bedenkers en de doelgroepen.

Ik staar naar de grafstenen. Ze gedenken ‘Father: Francis Schomers’, ‘Mother: Teresa Schomers-Behrendt’, ‘Jo Ellen’, ‘Janice Mae’ en ‘Baby Patty Ann’. ‘Ik had toen verkering met Janice Mae’, zegt Rosmann. ‘Haar vader was boer. Hij verbouwde sojabonen. Zijn bedrijf ging bergafwaarts, hij kon zijn grote schuldenlast niet meer aan. Op een dag sloeg hij zijn vrouw met een hamer op haar hoofd en vergiftigde hij hun baby met cyanide. Ook zijn vrouw diende hij nog cyanide toe. Daarna heeft hij zichzelf doodgeschoten. Toen Janice thuiskwam heeft ze haar moeder mond-op-mondbeademing gegeven, maar dat werd haar meteen fataal. Door de cyanide. Later kwam Jo Ellen thuis, samen met een vriendin. Die vriendin is direct naar de politie gerend. Jo probeerde haar moeder nog te redden, maar ook zij kreeg cyanide binnen. Ze stierf een maand later. De familie Schomers was twee generaties geleden naar Westphalia gekomen. Iedereen hier kende ze. Het waren goede boeren, harde werkers. Pruisen.’

Rosmann (67), zelf boerenzoon, vertelt dat het drama hem vroeg heeft geïnspireerd om zijn leven te wijden aan het psychische welzijn van boeren in de Midwest. Dat doet hij met succes, hij kan het vele werk met moeite aan. Nadat de suïcidestatistieken van de landbouwstaten in de VS ongekend hadden gepiekt tijdens de agrarische crisis in de jaren tachtig – in sommige staten werd zelfmoord de voornaamste onnatuurlijke doodsoorzaak onder mannen – bleef suïcide een hardnekkig en gevreesd gegeven bij de agrarische bevolkingsgroep. Zozeer zelfs dat het taboe op de zelfgekozen dood in het religieuze Middle America werd doorbroken: onbespreekbaarheid maakte langzaam plaats voor openheid en preventieprogramma’s. De federale overheid en sommige landbouwstaten gingen geld investeren in een gewenste ‘mentaliteitsverandering’ bij boerenfamilies. Misoogsten, prijsdalingen en veeziekte-epidemieën zullen altijd blijven, zo was de redenering, maar aan de geestelijke weerstand van de boer en zijn gezin kan gesleuteld worden.

Wetenschappers, hulpverleners en landbouwconsulenten ontwikkelden specifieke hulpverlenings- en preventiestrategieën die vaak effectief bleken, zoals evaluatieonderzoek aantoonde. Ook de zuivelindustrie en het verzekeringswezen toonden zich betrokken. In sommige staten, zoals Californië, gingen melkfabrieken financieel of anderszins deelnemen in preventieprogramma’s. Een enkele zorgverzekeraar gaf boeren korting op de premie als hun bedrijven aan (federale) veiligheidseisen voldeden op het gebied van geestelijke gezondheid. Al met al is zelfmoord onder boeren een ‘normaal’ gespreksonderwerp geworden in veel agrarische gemeenschappen: bijna iedereen weet wat er heeft gespeeld en wat er nog steeds speelt. Bijna iedereen weet dat dreigende bedrijfsbeëindiging, amfetaminen- of alcoholverslaving, grote schuldenlasten, huiselijke problematiek en sociaal isolement risicofactoren zijn op het platteland.

‘Het is daarom beroerd dat er nu door toedoen van de Tea Party-lobby in Washington steeds minder geld beschikbaar komt voor het welzijn van onze boerenbevolking’, zegt Rosmann. ‘Ze vinden daar dat minderheden zoals boeren hun eigen broek moeten ophouden, zonder steun of hulp. Landbouwers in de hele wereld begaan vaker zelfmoord dan de normale bevolking, kijk maar naar de statistieken. Het is een universeel verschijnsel, zeker in de westelijke wereld. Ikzelf denk dat het een genetisch gegeven is. Maar dat wil niet zeggen dat er niets tegen te doen valt. Dat hebben we hier in de Midwest in de laatste 20, 25 jaar laten zien.’

Medium b041

Dat er niets tegen te doen valt lijkt in Nederland echter sinds jaar en dag een uitgemaakte zaak. Sterker nog, het hele fenomeen van de agrarische zelfmoord bestaat niet, althans niet op papier. Het Centraal Bureau voor de Statistiek neemt geen gegevens op over beroepsuitoefening in de suïcidestatistieken, dus niemand weet of er een probleem is en zo ja, hoe groot dat is. De psychiater Jan Spijker schreef desalniettemin in 2005 in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid dat ervan kon worden uitgegaan dat resultaten van buitenlandse studies op het gebied van psychopathologie onder boeren ook voor de Nederlandse situatie gelden. Vermoedelijk is er ook in Nederland een verhoogd suïciderisico onder boeren; dat verdient speciale aandacht en moet worden onderzocht. ‘Maar’, zo adviseerde Spijker, ‘gezien de ernst van dit vermoeden en het grote leed voortkomend uit suïcides moeten we de resultaten van dergelijk onderzoek niet afwachten maar nu al starten met preventieprojecten.’ Met deze aanbeveling is voorzover ik kon nagaan niets gebeurd.

­Misoogsten en prijsdalingen zullen altijd blijven, maar aan de geestelijke weerstand van de boer kan gesleuteld worden

Spijkers aanbeveling is een verre echo van een verzuchting uit 1960, toen de socioloog Cor Kruijt concludeerde dat ‘het zelfmoordverschijnsel in Nederland een overwegend plattelandskarakter draagt’. Hij schreef: ‘Wij voelen de neiging opkomen om de geestesgesteldheid in die delen van ons platteland waar het aantal zelfmoorden ontstellend groot blijkt te zijn, als ongunstig te kwalificeren. Naar onze verwachting zou een versterking van het industrialisatie- en verstedelijkingsproces na verloop van tijd een gunstige uitwerking hebben op het geestelijke klimaat van dergelijke streken.’ Vrijwel overal is het zo dat industrialisatie en verstedelijking juist een toename van suïcides tot gevolg hebben; Nederland vertoonde dus een afwijkend beeld. En dat was eerder gebleken.

Cijfermateriaal dat in 1930 werd bestudeerd door de Franse onderzoeker Gargas liet zien dat Nederland in grofweg de periode 1900 tot 1925 een tamelijk laag zelfmoordcijfer kende. Maar het werd toen al duidelijk dat Nederland wat betreft de verdeling van suïcides een ongewoon beeld vertoonde, want de plattelandscijfers waren gelijk aan of, wat vaker voorkwam, (veel) hoger dan in de steden. Zeker in plaatsen met minder dan vijfduizend inwoners bleek het risico van zelfmoord voor de inwoners verontrustend hoog. Gargas ontdekte dat het vooral ging om een verschijnsel onder oudere plattelanders: hij stelde dat bejaarde, rustende boeren zich overbodig voelden omdat in Nederland ‘nu eenmaal alles om geld draait’. Ook zíjn conclusie luidde dat de sociale situatie in de Nederlandse steden hoe dan ook beter was dan die op het platteland.

In volksverhalen die in plattelandsregio’s eeuwenlang de ronde deden vormt de agrarische zelfdoding een terugkerend thema. Dat boerenzelfmoord al langer een vertrouwd verschijnsel was in de publieke sfeer blijkt ook uit de dagbladverslaggeving in de loop van de negentiende eeuw. Vrijwel alle kranten berichtten regelmatig en tot in macaber detail over landbouwers en hun familieleden die de hand aan zichzelf hadden geslagen. In 1866 berichtte bijvoorbeeld de Nieuwe Rotterdamse Courant dat er in Colijnsplaat een ‘schrikkelijke zelfmoord’ had plaatsgevonden. ‘De weduwe B., reeds vrij bejaard, heeft zich, terwijl haar zoon met zijne vrouw naar het veld was, door het open snijden van den buik en eene diepe wonde aan den hals, van het leven beroofd. Onnoodige murmureringen, daar zij door hare kinderen goed werd behandeld, schijnen haar tot dat noodlottig besluit te hebben gebragt. Hare kinderen, ’s avonds te huis komende, vonden haar, reeds overleden en in haar bloed zwemmende, in het schuurtje of achterhuisje liggen.’

Zulke nieuwtjes stonden in de rubriek ‘Gemengde berigten’, waarin ook agrarisch zelfmoordnieuws uit het buitenland werd overgenomen. Zoals in 1933 over een Poolse boer, die ‘origineel’ zelfmoord pleegde door zich te ‘omwikkelen met antennedraad tijdens een onweer’. Zelfs in 1976 verscheen nog zo’n bericht, getiteld Radeloos…, in Het Vrije Volk: ‘PARIJS – Een boer uit Calvados (Normandië), radeloos omdat hij geen eten meer had voor zijn acht koeien, heeft ze losgelaten in zijn veld vol mislukt koren. Hij vergat in zijn haast, dat hij het koren had besproeid met insecticiden. Alle koeien zijn vergiftigd gestorven en de boer heeft zelfmoord gepleegd.’

Pas in de jaren tachtig, toen de agrarische crisis toesloeg, maakten de kleine berichtjes plaats voor meer serieuze berichtgeving over de zelfmoordproblematiek in de landbouwsector – ook onder invloed van de openheid die in gang was gezet door psycholoog René Diekstra. Maar vanaf de jaren negentig, toen een nieuwe journalistieke ethiek de berichtgeving over zelfdoding aan banden had gelegd, verdween het onderwerp van de publieke agenda. Wanneer er nog wél over werd geschreven, zoals rond de varkenscrisis in 1997 en vooral de mond-en-klauwzeer-crisis in 2001, was de berichtgeving mondjesmaat, verwarrend en tegenstrijdig; de context was die van een extreme beduchtheid.

Het einde van de twintigste eeuw stond daarbij in het teken van een fors verslechterd imago van de Nederlandse boer: vaker wel dan niet werd hij afgeschilderd als milieucrimineel, dierenbeul en landschapsbederver. De veelgeplaagde sector zelf had er minder behoefte aan dan ooit om, zoals dat heet, de vuile was buiten te hangen. Dat lijkt nog steeds het geval. Toen ik een bestuurder van de Land- en Tuinbouw Organisatie (lto) Nederland omzichtig telefonisch benaderde om inlichtingen sprak hij duidelijke taal: ‘Deze problematiek lossen wij op in eigen kring. Uw vragen vind ik opdringerig. Uw onderzoek is niet welkom.’

Dat het massaal bekeken Boer zoekt vrouw een vertekend, zoetelijk beeld schetst van de agrarische werkelijkheid maakt welbewust deel uit van de charme van het programmaformat. Bij het grote publiek is ondertussen onbekend hoe sterk die vertekening is en hoe onthutsend de persoonlijke drama’s zijn die zich regelmatig in plattelandsgemeenschappen afspelen.

‘Met het sluiten van het boerenbedrijf is het gezin niet alleen zijn werk kwijt, maar zijn hele levenswijze’

Zelfmoordincidenten worden om goede redenen niet opgenomen in de nieuwsberichtgeving. Maar daardoor blijven eventuele alarmerende trends in de suïcidecijfers van bevolkingsgroepen onzichtbaar voor de gemiddelde krantenlezer. Het enkele, sensationele geval dat wel de (lokale) krant haalt – zoals van een veehouder uit Brummen die in 2011 tussen de vijftien en tachtig koeien doodreed met zijn trekker en de kadavers onder zijn erf begroef, alvorens met zijn auto de IJssel in te rijden – komt dan op zichzelf te staan: als de laatste actie van een gek geworden boer, een echt gebeurd gruwelsprookje van het platteland. Zo’n bericht ontbeert context, waardoor het geen maatschappelijke en politieke betekenis krijgt. Zelfdoding is namelijk in geen enkele Nederlandse agrarische regio een onbekend gegeven: veehouders, landbouwers en tuinders weten van en door elkaar wat er speelt, bij wie en wanneer, ook al gaat dat met weinig woorden gepaard. Ze praten over ‘naar de schuur gaan’, of, in het Noorden, over ‘zichzelf tekort doen’.

Ik praat daar in Den Bosch over met Peter Greijmans en Willem Leijs, sociaal-pastoraal medewerkers van de afdeling landbouw en samenleving van de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie zlto. Voorzien van een grote, algemene achtergrondkennis op het gebied van land- en tuinbouw begeleiden ze al vele jaren niet alleen agrariërs met psychosociale problematiek, maar ook nabestaanden van door suïcide overleden boeren. Ze lichten eerst recente gevallen toe: een melkveehouder die zich van het dak van zijn gloednieuwe stal stortte, een boer die er met een jachtgeweer een einde aan maakte en een varkenshouder die landbouwgif innam op de zolder van zijn woning – de laatste kon nog net gered worden door zijn echtgenote. Ze vertellen ook hoe de zelfmoorden in het merendeel van de gevallen door de omgeving als ‘plotseling, totaal onverwacht’ worden ervaren; regelmatig verwijzen ze cliënten en hun gezinsleden door naar de ggz.

‘Maar’, vertelt Greijmans, ‘de varkensboer die de poging had overleefd zei tegen me: “De enige aan wie ik iets heb als het om praten gaat ben jij. Al die psychologen en dokters snappen niet wat er speelt. Jij wel.” Die boer heeft een tijdje antidepressiva geslikt, maar is daar nu mee opgehouden. Hij ziet eruit als een zombie, in de ochtend. Maar hij gaat vooruit, al weet hij dat het bedrijf niet te redden is. Het schuldgevoel is enorm, hij heeft gefaald, zegt hij. Het bedrijf was door grootvader gestart. Zijn puberzoon houdt hem nu constant in de gaten, hij is doodsbang dat pa het opnieuw probeert.’

Greijmans en Leijs zijn de laatste standsorganisatiemedewerkers die deze gespecialiseerde hulpverlening uitvoeren. Agrarische sociaal-maatschappelijke dienstverlening is wegbezuinigd, terwijl de vraag ernaar – mede door de onophoudelijke stroom van bedrijfsbeëindigingen – groot is. Leijs heeft al geruime tijd geleden, na de mkz-crisis, een notitie geschreven over het opzetten van een landelijk systeem voor psychosociale hulpverlening aan agrariërs. Kort gezegd kwam zijn ontwerp erop neer dat er een netwerk van circa acht maatschappelijk werkers moest komen, goed ingevoerd in de regionale ggz en flexibel werkzaam in de regio’s, die vrijgesteld moesten zijn voor acute en andere psychosociale hulp aan boeren; hun plek zou gelieerd worden aan lto-afdelingen. Zowel bij calamiteiten als bij voorlichtings- en preventie-activiteiten moesten deze werkers actief optreden; hun gezicht moest bekend zijn bij agrarische organisaties en gemeenschappen en ze moesten een grote affiniteit hebben met de sector en daarbinnen een stevig netwerk opbouwen.

Het belangrijkst moest zijn dat ze pro-actief optraden en niet wachtten op noodsignalen. Ze moesten dus outreachend werken. Leijs heeft een paar keer overleg gehad op het ministerie van Landbouw, waar men positief stond tegenover het plan. Maar in de uitwerking, die moest plaatsvinden in samenwerking met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, is het plan op de klippen gelopen. Nu ligt het alweer jaren in de la, tot zijn grote spijt.

Medium b025

Carin Giesen, psycholoog en Gelderse boerendochter, publiceerde in de jaren negentig veelvuldig over agrarische psychosociale nood en de noodzaak voor boeren om zelf verantwoordelijkheid voor hun leven te nemen. Daarbij schuwde ze het niet om gevallen van (dreigende) zelfmoord te noemen. Suïcide vindt regelmatig plaats in de context van gedwongen bedrijfsbeëindiging, een gebeurtenis waarvan Giesen duidelijk maakte dat die risicoverhogend is voor boeren (het aantal Nederlandse boerenbedrijven daalde van 300.000 in 1960 tot 113.000 in 1995). ‘Kleine geïsoleerde eilandjes, die ondergaan. Dat gebeurt vaak in stilte. Buitenstaanders staan er niet bij stil dat met het sluiten van het boerenbedrijf het gezin niet alleen zijn werk kwijt is, maar zijn hele levenswijze’, vertelde ze daarover in Trouw (1994). Ook citeerde ze in haar werk uit een brief van een boerin die na drie opeenvolgende gevallen van zelfmoord in haar omgeving vertwijfeld raakte over de hulpverlening en de rol die ze daar zelf in kon spelen.

‘Ons voedsel moet veilig zijn en rein. Als boeren zelfmoord kunnen plegen, raakt ons voedsel in symbolische zin besmet’

Deze taboedoorbrekende benadering is zeldzaam in de agrarische vakliteratuur. Giesen vertelt me dat het feit dat ze frank en vrij over zelfmoord schreef en sprak haar op veel hinderlijke mediabelangstelling kwam te staan. Journalisten belden met de vraag hoe vaak het voorkwam bij boeren en of ze adressen wist. In het Trouw-interview zei ze daarover: ‘Af en toe duikt er weer het – overigens correcte – bericht op dat het aantal zelfmoorden op het platteland stijgt. Dan is er weer even aandacht, alsof dat het enige is wat telt.’

Maar niet iedereen was even blij met haar bijdragen aan het boerenwelzijn. Giesen zegt dat de landbouworganisaties zeker niet enthousiast reageerden op haar werk. ‘De voormannen vonden dat ik alleen maar onrust zaaide met m’n publicaties en lezingen. Misschien was het te bedreigend.’ Ze vertelt hoe ze ooit tijdens een forumdiscussie de wind van voren kreeg van een vvd-politicus, een voorzitter van een standsorganisatie en een hoogleraar sociologie uit Wageningen. Ze had niet mogen zeggen dat er meer aandacht moest komen voor stoppende boeren. Er zou geen enkel verschil zijn tussen boeren en ‘gewone’ stoppende middenstanders; verder zou er niets aan de hand zijn zolang er meer geïnnoveerd werd in de sector en de socioloog vond dat er voor boeren grote mogelijkheden lagen in de milieuvriendelijke landbouw.

Twintig jaar later blijkt het probleem van de plattelandssuïcide niet alleen een non-issue, maar voor sommigen zelfs een nieuw fenomeen op de Haagse burelen van LTO Nederland, de koepel van de grootste standsorganisaties. De organisatie vormt het ‘gezicht’ van de prestigieuze land- en tuinbouwsector in Nederland – ons land staat genoteerd als de op één na grootste exporteur op de wereldranglijst (na de VS).

Tijdens een gesprek met voorlichter Jack Luiten en strategisch communicatieadviseur Paula Legen laat laatstgenoemde me weten dat ze eigenlijk voor het eerst kennis neemt van het onderwerp. De praktijk – de ‘ambtsberichten’ uit de regio’s – is bij LTO Nederland nooit aanleiding geweest om cijfers op te vragen bij het cbs, zegt ze. ‘We worden hier in Den Haag nooit geconfronteerd met meldingen van zelfdodingen. Dat is iets wat blijft bij de regio’s. Als de situatie daar grote stijgingen te zien zou geven, zouden ze daar zeker melding van maken bij ons. Dat weet ik zeker. De aantallen zijn niet zodanig dat we actie zouden moeten ondernemen.’

Luiten, die een agrarische achtergrond heeft, weet dat boeren soms zelfmoord plegen. Hij herinnert zich gevallen van vroeger en vertelt over een agrariër die nog niet zo lang geleden ’s middags bij hen in Den Haag op een borrel aanwezig was en zich ’s avonds bleek te hebben verhangen. Luiten vertelt ook over een lto-bestuurder die een depressieve boer in zijn omgeving zo ver kreeg dat hij openstond voor psychosociale hulp. ‘Dat gebeurt in de sector best vaak’, zegt Luiten. ‘Er zijn mensen die durven op te treden, die verantwoordelijkheid nemen als ze zien dat het niet goed gaat met een boer.’

Maar als ik vraag of hun organisatie hier niet een rol te vervullen heeft in de communicatie met andere landelijke organisaties of in Den Haag gezetelde machtsconcentraties, bijvoorbeeld op het gebied van de ggz, ontkennen beiden een speciale verantwoordelijkheid van LTO Nederland. Luiten: ‘Dat kan bijvoorbeeld de zlto toch heel goed zelf, als die iets van de ggz gedaan willen krijgen? Daar gaan wij niet tussen zitten.’

Het is een intrigerend gegeven dat juist in Nederland, waar de welvaart van oudsher grotendeels te danken is aan de boerenstand, het taboe op het verschijnsel van de aan de hanenbalk eindigende boer zo groot is. Ik blijf me afvragen: waarom wil vrijwel niemand, zelfs binnen de eigen sector, ervan weten? Waarom is er zo weinig solidariteit?

Als geboren solisten, trotse doorzetters en ­hard werkende perfectionisten zijn boeren niet geneigd tot praten

Henk de Haan, als cultureel antropoloog verbonden aan de Wageningen Universiteit, oppert een culturele verklaring voor het uitblijven van aandacht voor de suïcideproblematiek bij het Nederlandse ‘agro-industriële complex’, zoals hij het conglomeraat van belanghebbenden in de agrarische sector noemt: de wetenschap, de industrie, de overheid en de standsorganisaties. ‘Jij noemt het terecht een taboe. Dat taboe raakt heel erg aan de plattelandsidylle, die sinds de industrialisatie is opgekomen. Het dorp is in die idylle de ideale samenleving en dat beeld wordt nog steeds door zowel burgers als boeren vastgehouden en beschermd. Ruchtbaarheid geven aan boerenzelfmoorden zou een doorbreking van de plattelandsidylle betekenen. Misschien is het ook zo dat de ggz daarom van het platteland moet wegblijven, omdat het erkennen van geestesziekten daar net zo goed een doorbreking van die idylle zou betekenen. Gekte hoort niet thuis op het land waar het leven goed is. Net zo min als misdaad. Kijk naar de moord op Marianne Vaatstra. Zo’n lustmoord past niet in het geïdealiseerde rurale plaatje en daardoor stort het hele beeld in. Hetzelfde gaat op voor incest, zelfmoord en misschien ook nog wel homoseksualiteit op het platteland’.

Een factor die volgens De Haan zeker meespeelt bij het sluiten van de ogen voor agrosuïcide is de breuk die binnen de sector is opgetreden als gevolg van de milieuproblematiek. De opkomst van aandacht voor natuur en milieu in de jaren zeventig heeft agrariërs volgens hem reputatieschade toegebracht en een fundamenteel andere oriëntatie op prioriteiten. ‘Er werd ineens door veel mensen geroepen: “Het agrarische bolwerk maakt ons land kapot. Hun ruilverkaveling heeft ons landschap vernietigd en vervuild. Het zijn milieucriminelen.” Dat heeft de sector zwaar getroffen. Uiteindelijk kwamen ze met een tegemoetkoming: ze zouden hun problemen oplossen binnen hun eigen kring. Deze strategie was vooral bedoeld om hun autonomie als sector te kunnen handhaven. Die autonomie was heel belangrijk, ook omdat hun internationale reputatie constant in het geding was. Maar sinds die tijd lopen niet alle belangen meer parallel binnen de sector. Er zijn boeren die kunnen vernieuwen en zich aanpassen en boeren die achterblijven, die het niet redden.’

Een mogelijke verklaring voor het feit dat de Nederlandse samenleving niet geconfronteerd wil worden met zelfmoord in de agrarische sector zoekt De Haan in de symbolische antropologie. ‘Dat wij niet willen weten dat boeren zelfmoord plegen en zelfs veelvuldig zelfmoord plegen, heeft misschien te maken met het feit dat de boeren ons eten produceren. Je wil toch niet dat zo’n man, die zoiets wel of niet gaat doen, aan jouw aardappeltjes heeft gezeten. Ons voedsel moet veilig zijn en rein. Als boeren zelfmoord kunnen plegen, raakt ons voedsel in symbolische zin besmet. Dat maakt dat agrarische zelfmoordgedrag taboe, maar ook het praten over of refereren aan zulk zelfmoordgedrag.’

In Wageningen is nooit wetenschappelijke aandacht besteed aan boerenzelfmoord. In het buitenland ligt dat anders. Onderzoek daar heeft tot een waaier van waarnemingen, verklaringen en theorieën geleid. Bijvoorbeeld dat boeren hun leven vooral in het voorjaar beëindigen en dat ze dat het vaakst doen op maandagochtend. Dat boeren relatief weinig zelfmoordpogingen doen: hun suïcide voltrekt zich doorgaans volgens plan, door het gebruik van harde methoden. Dat boeren niet vaak afscheidsbrieven schrijven.

Een belangrijke, wereldwijde risicofactor is de slechte sociaal-economische positie van boeren. Een ander zorgwekkend punt is de hoge drempel die op veel plekken bestaat wat betreft de toegankelijkheid van geestelijke gezondheidszorg op het platteland. Er is een theorie die ervan uitgaat dat de nabijheid van dodelijk materieel op de boerderij (geweren, landbouwgif, gier, touw) een rol speelt; een andere denkrichting zoekt het in het idee dat boeren beroepshalve alles makkelijk doden en uitwieden wat in hun beleving geen direct nut meer heeft, dus ook zichzelf.

Sommige wetenschappers speculeren op het bestaan van speciale ‘agrarische genen’ die zich tegen de boer zelf kunnen richten; anderen onderzochten de langetermijneffecten van blootstelling aan landbouwgif in combinatie met antidepressivagebruik. Vanuit de masculinity studies komt de hypothese dat de marginalisering en feminisering van de traditionele landbouw de boer levensmoe maken. Er is ook een stroming die vermoedt dat het toenemende sociale isolement waarin agrariërs werken hen vatbaar maakt voor hopeloosheid en depressies, die vervolgens onbehandeld blijven. En er is ten slotte de school die het zoekt in de zogenaamde rigide persoonlijkheidsstructuur van boeren: als geboren solisten, trotse doorzetters en hard werkende perfectionisten zijn ze niet geneigd tot praten en problemen delen en gaan ze kopje onder als tegenslag te lang voortduurt – als ze vinden dat ze gefaald hebben.

Mike Rosmann, de auteur van de ‘agrarische genen’-theorie, neemt me ter afsluiting van mijn bezoek aan Iowa mee naar een ex-boerin, de weduwe van een landbouwer die zich nog niet zo lang geleden van een watertoren heeft gestort. Ginnie ontvangt me met open armen en vertelt uitgebreid en in tranen over de laatste dagen van haar man Matt. Dat is een onderdeel van haar therapie, heeft Rosmann me laten weten: zo leert ze het drama steeds beter te verwerken. Ik krijg te horen dat Matt een probleem kreeg met de bedrijfsopvolging, vervolgens depressief werd en het verkeerde, fatale antidepressivum kreeg voorgeschreven.

Terug in Nederland ontvang ik na een paar maanden een mailtje van Ginnie, waarin ze me bedankt voor mijn bezoek. Ze meldt dat ze als vrijwilliger meewerkt aan preventieprojecten. Ginnie schrijft: ‘This road after Matt’s death is the most difficult one I have travelled. It will never be the same again. My life will never be the same. I will always be a suicide survivor. But I want to talk about it on behalf of my husband. I need to speak for him. Ignoring it is NOT an option because the pain left for survivors is beyond description. And I can’t even begin to imagine the pain my husband was in when he took his life.’


Van Lizzy van Leeuwen verschijnt op 29 januari bij Atlas Contact De hanenbalken: Zelfmoord op het platteland. Op 28 januari brengt het NCRV-programma Altijd wat (20.55 uur, Nederland 2) een reportage over gedwongen bedrijfsbeëindiging en een gesprek met Lizzy van Leeuwen.
Haar onderzoek werd onder meer gefinancierd door het Prins Bernhard Cultuurfonds, het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, het Fonds Psychische Gezondheid en
De Groene Amsterdammer.

De afgebeelde boerderijen hebben geen relatie met het artikel

beeld: Martin Luijendijk