Dan maar een literalunapark!

Dat het Letterkundig Museum te Den Haag zijn scheefhangende, roestige deuren wil openen voor enkele ‘jonge schrijvers’, voor wie zeventig ‘oude’ collega’s moeten wijken, is een miskleun van jewelste. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar beeldende kunst wordt tentoongesteld van veelal nog levende kunstenaars, is de bedoeling van het Letterkundig Museum niet om de bezoeker een blik te gunnen op de toestand van dit moment. Het moderne dient afwezig te blijven in een museum dat onschatbare relikwieën van de vaderlandse literatuur bewaart.

De broek van Nescio. De stofzuiger van Vestdijk. De duikbril van Slauerhoff. Wie aanklopt bij het Letterkundig Museum, weet waar hij voor komt. De tandenborstel van Hermans. Het pistool van Achterberg. Het raam van Jan Arends. Alle hoogtepunten van de Nederlandse literatuur onder één dak. Het stof slaat de bezoeker op de keel. Weeë walmen warrelen hem in het gezicht.
En dat is goed.
Zo is de Nederlandse literatuur. En zo moet de Nederlandse literatuur blijven. Stoffig, doods en muf.
Nu grote en belangrijke auteurs (Debrot, Emmens, De Haan, Hillenius, Terborgh) uit het Museum dreigen te verdwijnen, moet staatssecretaris Nuis een schrijnend gebrek aan inzicht in ‘zijn’ belletrie worden aangerekend. Die grijze reminiscenties aan de Nederlandse literatuur houden herinneringen aan een imposant cultureel verleden in stand. Wie in de wereld kent niet Daums meesterwerk Nummer elf?
'Jonge schrijvers’ als Ronald Giphart en Hermine Landvreugd horen niet in het Letterkundig Museum. Dat is een contradictio in terminis. De voorbinddildo van Landvreugd in plaats van de nagelknipper van Anna Blaman? Gipharts opblaaspop voor de koelkast van Belcampo (die, dood, ook met uitzetting wordt bedreigd, maar daar hoor je niemand over)? De strippenkaart van Joris Moens voor een handschrift van Jules de Corte?
De vroegere plannen voor het LiteraLunaPark moeten maar weer uit de kast worden gehaald. Te bouwen in Zoetermeer, naast het Noord-Aa. Daar horen jonge schrijvers thuis. In plaats van het zilveren thee-ei van Hermine Landvreugd bleu in een vitrine te leggen, worde er een ei van drie meter doorsnede geconstrueerd, waar men in kan gaan zitten met ten meeste vier personen. Van een heuvel van een meter of vijftig hoogte worde het ei losgelaten. Het rolt allengs sneller de berg af. In de cocon worde via een geluidscassette een fragment te horen gebracht uit het ei-boek van Landvreugd.
De binnenkant van het zilveren thee-ei is vanzelfsprekend voorzien van staken en gemene punten. Ter verhoging van de kick. Want, zoals Ronald Giphart meermalen heeft aangegeven: literatuur is een speeltuin. Is bungyjumpen. Literatuur is kicken!
Het Letterkundig Museum moet de kans krijgen in alle rust tot stof te vergaan. Samen met haar inhoud: ons trillende, bibberende, stokdove en stekeblinde literatuurverleden. Een Letterkundig Museum dat met haar tijd meegaat, is geen Letterkundig Museum.