Klimaatdepressie onder wetenschappers

‘Dan maar naar de donder’

Volgens Nasa is afgelopen juli de warmste juli ooit. Wetenschappers en activisten vinden bij politiek en publiek nauwelijks gehoor voor hun pleidooi voor actie tegen de opwarming van de aarde. Sommigen maakt het moedeloos en cynisch.

Medium groene klimaatdepressie 3

Afgelopen winter werd ik tijdens een skivakantie in Oostenrijk bevangen door een acute aanval van klimaatdepressie. Er was nauwelijks sneeuw gevallen en we konden gemakkelijk zonder jas naar buiten, zo warm was het. ’s Nachts werden grote, brommende sneeuwkanonnen aan gezet, waardoor we de volgende dag over een volstrekt kunstmatige witte baan naar beneden konden roetsjen. Het groene gras lag naast de witte sneeuw en de warme zon scheen fel in ons gezicht.

Natuurlijk hebben we in Nederland ook de regentoename die het knmi rechtstreeks toeschrijft aan klimaatverandering, maar dat voelt anders. In Nederland regende het toch altijd al veel? Nee, hier in Oostenrijk was de wereld letterlijk, voor mijn ogen, aan het smelten. En dat beeld maakte me angstig en somber. In wat voor wereld leven onze kinderen zo meteen? Wanneer zal het einde komen? Dat soort gedachten.

Toch kon ik nergens naartoe met deze gevoelens. De mensen van het hotel waar we verbleven, de helpers bij de skiliften, de skileraren, niemand maar dan ook niemand had het over global warming. De afwezigheid van de sneeuw werd heus wel besproken – tijdens een skivakantie is de kwaliteit van de sneeuw met stip het favoriete gespreksonderwerp. Maar het leek wel alsof iedereen met elkaar had afgesproken dat we zouden doen alsof het nu eenmaal gebeurt dat er met Kerst geen sneeuw is. Pech. Volgend jaar beter. Niets aan de hand.

‘Maar volgend jaar wordt het natuurlijk niet beter, want elke maand wordt er wel een nieuw warmterecord gebroken. En die sneeuwkanonnen zijn zo slecht voor het milieu, dat maakt het probleem alleen nog maar erger’, begon ik tegen mijn man. Maar ook bij hem kreeg ik geen voet aan de grond. Toen ik het onderwerp voor de derde keer aansneed, vroeg hij me of het mogelijk was dat ik deze vakantie niet meer over global warming zou praten.

Toch bleef ik eraan denken. In mijn e-mail krijg ik dagelijks updates over de opwarming van de aarde. Het nieuws wordt steeds somberder en varieert van ‘als we nu met z’n allen wat gaan doen zijn de gevolgen misschien nog een klein beetje in te dammen’ tot ‘we zijn gedoemd om met z’n allen te vergaan en het gaat nog sneller dan we denken’. Klimaatnieuws zien we meestal in dramatische filmpjes en statistieken, de ene nog deprimerender dan de andere. En het erge is: klimaatwetenschappers wijzen ons simpelweg op feiten. De realiteit is donker en deprimerend.

Hoe moet dat zijn voor wetenschappers en activisten die de data vergaren voor deze onheilspellende plaatjes en statistieken? Hoe moet het voelen als je al zó lang aan de bel trekt, maar vrijwel niemand echt naar je luistert? Hoe slaap je ’s nachts als politici wel zeggen dat ze ermee aan de slag gaan, maar niet eens in de buurt komen van voorstellen die afdoende zouden zijn? Mijn gevoel van de skivakantie moeten zij ook hebben, maar dan keer honderd.

De eerste wetenschapper die zich in het openbaar uitsprak over haar ‘depressie’ was Camille Parmesan, hoogleraar biologie aan de Universiteit van Texas en Plymouth, en samen met Al Gore Nobelprijswinnares voor haar werk bij het International Panel on Climate Change (ipcc). Vijf jaar geleden kondigde ze aan dat ze haar staat Texas zou verlaten, omdat ze ‘professionally depressed’ was geraakt. Ze vertrok naar Engeland. Tijdens een Skype-interview begint ze met een recent voorbeeld:

‘Neem de staat Texas. De kustlijn daar is vergelijkbaar met die van Nederland: een duinlandschap, een kwetsbaar gebied waar een stijging van de zeespiegel een enorme impact zal hebben. De staat Texas geeft een aantal wetenschappers opdracht om een onderzoek te doen naar kustplanning voor de toekomst. De wetenschappers doen netjes hun werk en leveren een duidelijk rapport in. Maar wat blijkt? In de eindversie hebben de beleidsmakers alle vermeldingen van de woorden “klimaatverandering” en “stijging zeespiegel” uit het document verwijderd. Het noemen van deze woorden in staatsdocumenten is namelijk door de staat Texas verboden. En denk niet dat dit alleen in Texas zo is. Een flink aantal andere staten vond dit zo’n uitstekend beleid dat ze het hebben overgenomen. Als ik dit hoor, dan heb ik zo te doen met die wetenschappers. Ze vinden creatieve manieren, omslachtige bewoordingen, om hun informatie toch in die documenten te krijgen, maar het is vrijwel onmogelijk om in zo’n omgeving te werken.’

Het begon allemaal in 1996 met Parmesans studie naar het uitsterven van bepaalde vlindersoorten, de studie waarmee ze een plek in het ipcc veroverde. ‘Dat was nog niet zó deprimerend. Hoewel de resultaten van mijn studie schokkend waren – de helft van alle vlindersoorten was aan het uitsterven – dacht ik toen nog dat het misschien lag aan de bijzondere gevoeligheid van deze soort. De echte depressie kwam pas later, toen we constateerden dat de helft van álle soorten aan het uitsterven was. En dus niet alleen maar mijn eigen, kleine, gevoelige vlindertjes.’

Hoewel de groep wetenschappers met wie ze werkte ‘heel sterke data’ had, wilde niemand luisteren. ‘Zelfs biologen luisterden toen nog niet echt. Ik was een van de eerste biologen die publiceerde over klimaatverandering. Pas de laatste tien jaar zijn biologen zich er ook actief mee bezig gaan houden. Die zien nu hun eigen werkveld veranderen. Als je de soort die jij zelf onderzoekt ziet verdwijnen, dan verandert er iets in je hoofd. Dan raakt het je persoonlijk.’

Joe Duggan, een Australische wetenschapscommunicator, besloot dat het tijd werd om juist dáármee iets te doen. Hij zocht naar manieren om emoties de ruimte te geven in het klimaatdebat en richtte de website Is This How You Feel op. Voor de website nodigde hij klimaatwetenschappers uit om in een handgeschreven brief te vertellen hoe ze zich voelden over de opwarming van de aarde. Verschillende wetenschappers over de hele wereld gaven gehoor aan zijn oproep.

Op de site lees ik bijvoorbeeld een brief van Katrin Meissner, associate professor klimaatverandering aan University of New South Wales in Sydney: ‘Het maakt me ziek. Als ik naar mijn kinderen kijk en me realiseer dat zij niet dezelfde kwaliteit van leven zullen hebben die wij hadden. Bij lange na niet. Zij zullen leven in een wereld met ernstige water- en voedseltekorten, een wereld die getekend wordt door oorlogen veroorzaakt door klimaatverandering. Het maakt me treurig. En het maakt me bang. Het maakte me banger dan wat dan ook. Ik zie een groep mensen vrolijk in een boot zitten wuiven, ze nemen foto’s onderweg en weten niet dat die boot recht naar een krachtige en dodelijke waterval dobbert.’

Professor B. deMenocal, gespecialiseerd in milieustudies aan Columbia University in New York, vergelijkt zijn gevoelens met die van een dokter en zijn ernstig zieke patiënt: ‘Stel je voor hoe een arts zich voelt als hij zijn patiënt, een oude, levenslange vriend, moet informeren over een ernstige maar behandelbare diagnose. De vriend negeert boos wat je zegt, om uiteenlopende heel menselijke redenen, en jij ziet machteloos de pijn en ziekte die zich ontplooien in de rest van zijn verkorte leven.’

‘Als je de soort die jij zelf onderzoekt ziet verdwijnen, dan verandert er iets in je hoofd. Het raakt je persoonlijk’

De brieven werden in verschillende staten van Australië tentoongesteld en trokken veel bezoekers. Duggan vertelt aan de telefoon dat ze mensen diep raken. ‘Ze komen huilend naar me toe en vragen zich af wat ze kunnen doen.’ Volgens Duggan gaat het erom die grote groep in het midden te bereiken. Aan de ene kant staan de wetenschappers die precies weten hoe het zit en aan de andere kant staan de klimaatontkenners. Maar daartussenin zit ‘de grootste groep die wel weet dat er grote problemen zijn, maar die er niets mee doet’.

Veel wetenschappers beschrijven in hun brieven gevoelens van angst, verdriet en frustratie. Toch zijn de meeste wetenschappers niet bereid om bij de pakken neer te zitten en spreekt uit net zo veel brieven een vastberadenheid om hoop te houden en optimistisch te blijven.

Medium groene klimaatdepressie 2

Een soortgelijke houding vind ik bij rasoptimist professor Louise Vet, hoofd van het Nederlands Instituut voor Ecologie (een van de grootste instituten van de knaw), die ik spreek aan de telefoon. ‘Ik ga liever gefrustreerd mijn graf in dan dat ik het nu opgeef. Ik kan ook niet anders. Ben altijd al heel positief ingesteld, echt een glas-half-vol-type. Er worden op dit moment zoveel alternatieven ontwikkeld die sociaal en innovatief zijn. Nederland is een hotspot voor de nieuwe circulaire economie. Men begint ook wel te begrijpen dat het oude model niet meer voldoet. Je kunt doorgaan met bomen kappen zolang het bos oneindig is. Maar als het bos op een gegeven moment simpelweg ophoudt, dan werkt de lineaire economie met al dat afval niet meer. Ik zie echt een nieuwe beweging ontstaan, vooral onder jongeren. We gaan nu leren om de natuur niet weg te drukken, maar juist te werken mét de natuur, te leren ván de natuur. Biomimicry, het kopiëren van natuurlijke processen voor de ontwikkeling van een bepaalde technologie, de blue economy, cradle to cradle, de circulaire economie – het is allemaal aan het gebeuren nu.’

Toch krijgt ook Lousie Vet het wel eens te kwaad. ‘Ik was laatst op Kalimantan in Indonesië. Wat ik daar zag was vreselijk. Al het bos dat wordt gekapt voor de palmolie. En de meneer die mij rondreed was er zó trots op. Noemde het zelfs de nieuwe economie van Indonesië. Heel Kalimantan gaat vernietigd worden door die kap, dacht ik. En het wordt nog gesubsidieerd ook. Ik kreeg er echt een knoop van in mijn maag. Vooral door de grootsheid van de internationale vernietiging van ecosystemen. De schaal ervan. Dat is erg frustrerend.’

Ze herstelt zich echter telkens weer van dat soort gevoelens. ‘Alleen maar dat doemdenken, daar valt gewoon niet mee te leven. We moeten niet verlamd raken. Dan gaan we maar als mensheid naar de donder, maar dan hebben we er in ieder geval wel alles aan gedaan om het te voorkomen.’

Hoewel Camille Parmesan het woord ‘depressie’ meermalen gebruikt, komt ook zij niet bepaald over als een ongelukkige vrouw. ‘Nee, dat klopt. Ik ben een erg gelukkig mens’, lacht ze. ‘Ik doe eigenlijk hetzelfde als wat jij deed op die vakantie. Stop het regelmatig weg. Ik weet dat klimaatverandering een feit is. Ik weet dat het allemaal wetenschappelijk bewezen is. En ik ga gewoon door met het verschaffen van data. Ik zie het als mijn taak om de feiten te publiceren. Die feiten zijn niet mooi, maar ze kloppen wel. Ik hoop dat mijn kinderen ooit nog levend koraal zien voordat het allemaal weg is. Dat is zoiets magisch. Maar het meest frustrerende is de politiek en het feit dat er niets met je onderzoek wordt gedaan.’

Parmesan heeft zelf, onder meer bij het ipcc, de weerstand aan den lijve ondervonden. De woorden ‘high confidence’ werden uit de tekst van het eindrapport geschrapt waar het ging om de impact van klimaatverandering op het uitsterven van soorten. ‘Terwijl we daar keihard bewijs voor hadden! Politici denken allemaal aan de korte termijn. En aan het belang om herkozen te worden. Zolang de stemmende bevolking andere prioriteiten stelt, zullen politici zich niet hard maken voor verandering.’

Het is, denkt zij, theoretisch nog mogelijk om met wereldwijde actie het tij te keren. ‘Dan zou je mondiale actie én mondiale implementatie moeten hebben. Te beginnen vandaag. Tien jaar geleden kon dat nog zonder nucleaire energie. Nu moet het mét. Ook dat is een tijdelijke oplossing, want we hebben geen ongelimiteerde hoeveelheden uranium. Maar het zou nog kunnen.’ Een dergelijk scenario acht ze echter ‘zeer onwaarschijnlijk’. ‘Het gaat helaas zelfs een stuk harder met de opwarming van de aarde dan de meeste wetenschappers hadden gedacht.’

Toch houdt Parmesan vast aan sprankjes hoop. ‘Het dieptepunt was de klimaatconferentie in Kopenhagen in 2009. Toen zag niemand het meer zitten. Maar Parijs gaf mij wel nieuwe energie. Het begint te leven. Gewone mensen moeten uiteindelijk hun politici overtuigen.’

In Plymouth kan ze nu beter werken, maar ze waarschuwt: ‘Ook in Europa zijn nog klimaatontkenners. Hier in Engeland zijn ze misschien wat beleefder dan in de Verenigde Staten, maar een aantal van de ontkenners heeft veel invloed.’

Van alle wetenschappers is Michael Mann, hoogleraar meteorologie aan Penn University, misschien wel het hardst aangevallen door agressieve klimaatontkenners. Hij werkte aan zijn PhD toen hij hielp met het verzamelen van data voor de zogenaamde hockeystick-curve: de beruchte grafiek waarin te zien is hoe temperatuur en emissies recht omhoog schieten aan het einde van de curve. Hij werd met de dood bedreigd, werd beschuldigd van fraude, ontving wit poeder in een envelop en duizenden e-mails met afschuwelijke teksten. Eén journalist stelde de elektrische stoel voor.

Ik mail met Mann over zijn ervaringen. Hoewel het een afschuwelijke ervaring voor hem was, besloot hij door te gaan met zijn werk. ‘Het is absoluut intimiderend en ik heb verschillende collega’s gezien die zich daarom hebben teruggetrokken uit het publieke leven. Precies wat die ontkenners willen, helaas. Dat doet me verdriet, hoewel ik het wel begrijp. Sommigen kiezen er nu voor om meer een rol achter de schermen te spelen. Ik was nooit bang voor een gevecht vroeger als kind en die houding heb ik nog steeds.’

‘Politici denken allemaal aan de korte termijn. En aan het belang om herkozen te worden’

Manns inschatting van de klimaatrisico’s wordt steeds ernstiger: ‘Hoe duidelijker en erger die risico’s zijn geworden, hoe krachtiger en met meer urgentie ik me heb uitgesproken. Dat past bij de huidige situatie. Ik houd mezelf dikwijls voor: dit probleem is groter dan jijzelf. Dit gaat om de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen op deze aarde. Er kán niet meer op het spel staan.’

Bram Bregman is strategisch businessmanager klimaatverandering bij het knmi en hoogleraar klimaatverandering en beleid aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Op het afgesproken tijdstip kom ik als een verzopen kat aan bij het knmi in De Bilt, overvallen door een hevige plensbui. Bregman en een voorlichter van het knmi ontvangen mij. Terwijl mijn jas nog nadruppelt lachen we. ‘Het nieuwe klimaat, hè?’

Bregman ligt zelf niet wakker van dat nieuwe klimaat, vertelt hij me. ‘Dat zou ook geen zin hebben. Natuurlijk maken we ons wel zorgen. We zijn niet emotieloos bij het knmi, maar het is ook heus niet allemaal kommer en kwel. Ik heb geen analyse gedaan, maar ik kan me zo voorstellen dat in de media de neiging bestaat om naar de excessen te kijken. Op Twitter zie je zoveel alarmistische berichten. Het is dus van groot belang om een goede balans te vinden in de berichtgeving. Daar streven we naar bij het knmi. Er is altijd sprake van bandbreedtes en die bandbreedtes houden we in de gaten. Maar wij houden ons bij ons vak. Doen bijvoorbeeld geen uitspraken over het terugdringen van CO2. Daar zijn andere instanties voor.’

Het is belangrijk te begrijpen dat klimaat voor veel mensen geen prioriteit heeft, zegt Bregman. ‘Ik vraag het vaak aan mijn studenten in het eerste college. Zoek een willekeurige gemeente uit en vind uit wat de top-vijf is van prioriteiten voor die gemeente. Daarbij zit nooit het klimaat. Mensen maken zich zorgen om vluchtelingen, werkloosheid of hun gezondheid. Dat komt eerst. De taak van het knmi is om trends in het klimaat te signaleren en het ministerie te informeren. Het ministerie kan vervolgens om duiding vragen, maar dat hoeft niet. Ik heb zelf bij het ministerie gewerkt en weet hoe het werkt. Het is heel goed om in andermans keuken te kijken.’

Maar we hebben toch wel een probleem met het klimaat? ‘Jawel, maar wat mij betreft moet je je als schoenmaker bij je leest houden. Ik blijf altijd ambtenaar. En professional. Ik hecht erg aan mijn geloofwaardigheid. Het is niet aan mij om bepaalde onderwerpen te agenderen die voorbij onze rol gaan. Maar we geven wel de feiten en de betekenis van die feiten. Neem het bericht van het knmi in mei over de ijssmelt in Antarctica. Daar hebben wij het woord “rampzalig” gebruikt. vanwege de mogelijkheid van meters zeespiegelstijging op de lange termijn. Handen en voeten geven aan dit soort langetermijnbeelden is heel lastig voor beleidsmakers. Dat weet ik uit ervaring. Petje af voor die beleidsmakers.’

Zoals iedereen inmiddels weet is klimaatverandering een ‘wicked problem’. Het gaat om de lange termijn, er is het vraagstuk van de landen die de grootste problemen hebben veroorzaakt en nu andere landen erop wijzen dat ze moeten stoppen met CO2-uitstoot, er is het probleem van de free riders. Maar uiteindelijk komt het erop neer dat het moet gaan leven in de hoofden van mensen en dat zij vervolgens van hun politieke leiders eisen dat er actie wordt ondernomen om de leefomgeving van ons allemaal veilig te stellen. Dat er een bereidheid ontstaat om daar ook opofferingen voor te doen. Waarom is dat nog niet ontstaan? Of in ieder geval onvoldoende? Waarom doen we bijna allemaal hetzelfde als wat ik deed op die skivakantie? We lezen een naar bericht over het klimaat, sidderen even bij het rampzalige toekomstbeeld dat wordt geschetst en gaan daarna weer over tot de orde van de dag. Hoe kan dat toch?

Het was dé grote vraag die Renee Lertzman, consultant op het grensgebied van psychologie en milieu, zich al stelde toen ze in de jaren tachtig in de collegebanken zat. In haar boek Environmental Melancholia (2015) legt ze uit welke rol psychoanalytische inzichten volgens haar zouden kunnen spelen in het effectiever tegemoet treden van de klimaatcrisis. ‘De zeer precieze studie van het omgaan met pijnlijke en kwellende ervaringen kan helpen, maar ook van de omstandigheden die creativiteit en herstel mogelijk maken. Het begrip van menselijk gedrag op het diepste niveau, inclusief onbewuste processen, zoals ontkenning, projectie, afsplitsen, afstand nemen van verantwoordelijkheden en apathie.’ Al die inzichten kunnen een bijdrage leveren, aldus Lertzman.

Ze denkt dat een vorm van milieumelancholie – een aanhoudende vorm van rouw – aan de basis staat van een groot deel van ons gebrek aan reactie op de ecologische verwoesting. ‘Als we angst van mensen begrijpen, dan kunnen we ook begrijpen waarom mensen vaak vermijden wat het meeste pijn doet, zelfs als het uiteindelijk tegen ze werkt.’ De betrokkenheid van mensen ziet er misschien wel heel anders uit dan veel milieuactivisten zich voorstellen. Minder als ‘selling and telling’, meer als een ‘collaboratief proces’, een gesprek zonder directe veroordeling of toekenning van schuld. Een gesprek waarin wordt erkend dat belangen naast elkaar liggen en strijdig met elkaar kunnen zijn. Dat ambivalentie kan bestaan. Want inderdaad: ik geef om de natuur maar ik geef ook om mijn vakantie. Het heeft geen zin om te doen alsof die spanning er niet zou zijn.

Lertzman wijst erop dat gebleken is dat een beroep op angst en doemscenario’s contraproductief werkt. Mensen wenden zich dan juist af van het onderwerp. Bovendien wordt een beroep gedaan op mensen als rationele wezens, maar inmiddels is gebleken dat ontkenning van het probleem niet wordt weggenomen door nóg meer informatie. Integendeel.

De grootste hulpbron kunnen we volgens Lertzman vinden in de menselijke behoefte om invloed uit te oefenen. De apathie van veel mensen, ook wel de ‘perception-action gap’ of ‘disconnect’ genoemd, moet op een andere manier worden benaderd en onderzocht. Voor haar onderzoek nam ze bijvoorbeeld uitgebreide interviews af met de bevolking van Green Bay, Wisconsin, en kwam erachter dat mensen die officieel als ‘inactief’ zouden worden omschreven wel degelijk betrokkenheid voelen. Op het moment dat deze mensen het gevoel krijgen dat ze zelf iets kunnen doen wat verschil maakt, willen ze juist heel graag verandering bewerkstelligen. Apathie moet eerder gezien worden als een defensief coping-mechanisme dan als daadwerkelijke inactiviteit. Onder die apathie kunnen we gevoelens vinden van verlies, pijn en angst. En over die gevoelens moeten we met elkaar praten.

Lertzman deed in het Verenigd Koninkrijk haar PhD in psychosociale studies, een vakgebied dat kijkt naar de interactie tussen het individu en de maatschappij. Ze was medeoprichter van de Climate Psychology Alliance en ontmoette Rosemary Randall, een Britse psychologe die discussiegroepen oprichtte, de zogenaamde Carbon Conversations. Moeten we allemaal in klimaattherapie? Dat hoeft niet volgens Lertzman, maar ze wijst er wel op dat we elkaar nodig hebben om betekenis te geven aan wat er om ons heen gebeurt. Het therapeutisch gesprek helpt om bepaalde onbewuste gevoelens helder voor ogen te krijgen. Om compassie te tonen voor elkaar zonder de ander te veroordelen.

Ook George Marshall, oprichter van het Climate Outreach Information Network, blogger bij The Guardian en auteur van het boek Don’t Even Think about It: Why Our Brains Are Wired to Ignore Climate Change (2014), denkt dat het tijd wordt dat de geesteswetenschappen zich meer met het klimaatprobleem bezig gaan houden. In deze disciplines kunnen we verklaringen vinden (en wellicht dus ook oplossingen) voor het gebrek aan actie. Zo leert Marshall van de Israëlische psycholoog Daniel Kahneman dat het klimaatprobleem verschillende vormen van bias van mensen tegelijk aanjaagt. Klimaatverandering bevat geen enkel duidelijk, direct signaal van een dreiging die ons tot actie zou moeten aanzetten. Het speelt in de toekomst, het brengt bepaalde kosten met zich mee en er zijn allerlei onzekerheden aan verbonden. Ons primitieve instinct is ‘daar vinden we later wel iets op’. Terwijl de dreiging er natuurlijk wel degelijk is. Zo hield het Future of Humanity Institute een enquête onder academische experts over het risico dat de mensheid voor het einde van deze eeuw is uitgestorven. Het risicopercentage kwam uit op negentien.

Marshall trekt een directe lijn van onze algemene doodsangst naar klimaatverandering. Hij verwijst naar antropoloog Ernest Becker die meende dat de angst om te sterven aan de basis ligt van al het menselijk geloof. Het ontkennen van de dood is een ‘vitale leugen’ die ons aanspoort om in onze cultuur en in gemeenschappen te investeren om een gevoel van permanentie te krijgen na onze eigen dood. Deze theorie, de terror management theorie, wordt ondersteund door allerlei experimenten.

Volgens Janis Dickinson, neurowetenschapper aan Cornell University, kan klimaatverandering eveneens onder deze theorie worden geschaard. ‘Veel van de standaardreacties, zoals extreme rationalisatie, ontkenning, of het plaatsen van de problemen ver in de toekomst, zijn allemaal consistent met de manier waarop we omgaan met onze eigen doodsangst. We kunnen het idee van de dood van onze kinderen niet aan, maar we accepteren wel dat ze doodgaan nadat we zelf dood zijn gegaan. Op dezelfde manier vermijden we de angst voor klimaatverandering en ons eigen uitsterven door het in een toekomst te plaatsen ver na onze dood.’

Tegelijkertijd blijven dat onbestemde angstgevoel, die zogenaamde ‘pre-traumatische stress’ over de toekomst van onszelf en onze kinderen, en dat gevoel van machteloosheid over de gebrekkige politieke acties van onze leiders bestaan. Het wordt tijd voor een andere koers. Tijd dat wij, die grote ‘apathische’ middengroep, met elkaar in gesprek gaan. Alleen via dat gesprek kunnen we ontsnappen aan cynisme en moedeloosheid. Zo kunnen we elkaar inspireren zonder te veroordelen. Dus tijd voor een goed gesprek over de vraag: hoe voel jij je over het klimaat?