Dan teltalleen de daad

LOUIS DE BERNIÈRES
A PARTISAN’S DAUGHTER
Harvill Secker, 212 blz., € 18,96
Vertaald (Een partizanendochter) door Frans van der Wiel
De Arbeiderspers, 200 blz., € 17,95

De biografie van Louis de Bernières (1954) kent een merkwaardig verloop. Als tiener gaf hij er na een paar maanden de brui aan op de militaire eliteacademie Sandhurst, om te gaan klussen als motorkoerier en mecanicien te worden, zodat hij genoeg geld bij elkaar kon sparen om de oceaan over te steken en gaucho te worden in Argentinië en leraar Engels in Colombia. Zijn verblijf in Zuid-Amerika viel samen met de literaire hoogtijdagen van Gabriel García Márquez en Isabel Allende, iets dat in zijn pen moet zijn geslopen en hij er nooit helemaal uit heeft kunnen krijgen.
In zijn eerste boeken – de trilogie The War of Don Emmanuel’s Nether Parts (1990), Señor Vivo and the Coca Lord (1991) en The Troublesome Offspring of Cardinal Guzman (1992) – schildert De Bernières een márqueziaans landschap vol paradoxen, waar het magische naast het realistische bestaat, macho’s naast matriarchen, academici naast clairvoyants, en waar politiek geweld en obsessieve liefde als vanzelfsprekend door elkaar lopen.
In 1992 werd De Bernières door Granta uitgeroepen tot een van de beste jonge Britse schrijvers, een belofte die hij meteen waarmaakte met zijn bestseller Captain Corelli’s Mandolin (1993). Niet langer was hij schatplichtig aan de Latijns-Amerikanen. Hier had hij zijn eigen stem gevonden, gegoten in de vorm van een onweerstaanbare roman die net zozeer magisch-realistisch was als een familiegeschiedenis, een liefdesopera en een oorlogsverhaal. Het overkoepelende verhaal is een klassieke romance (tijdens de oorlog valt een Grieks meisje voor een Italiaanse soldaat), maar in de talloze zijpaden toont De Bernières zijn diversiteit als schrijver. Zo is er een hysterisch hoofdstuk gezien vanuit de ogen van Mussolini en een hilarisch stuk waarin een Britse parachutist op het eiland landt. Omdat hij als Oxbridge-klant alleen klassiek Grieks kent, denken de eilandbewoners dat hij een engel is als hij ze toespreekt, door De Bernières geschreven in het Engels van Chaucer: ‘Sire, of your gentilesse, by the leve of yow wol I speke in pryvitee of certeyn thyngs.’
Zijn volgende roman was een geslaagde herhalingsoefening, Birds Without Wings (2004), nu over een Ottomaans dorpje aan de vooravond van Ataturks revolutie. Het massale lezerspubliek van die laatste twee titels viel voor een deel ook voor zijn manier van schrijven, waarin je de mediterrane zon op je huid voelt en je de wijn en olijven al kunt proeven. Tegelijk zijn de boeken doordrongen van een aanstekelijk optimistisch humanisme; of de personages nu slachtoffer zijn van totalitaire of individuele kwaden, uiteindelijk kunnen ze altijd door hun eigen toedoen gered worden.
Bovenstaande in gedachten nemend is De Bernières’ nieuwste roman, A Partisan’s Daughter, een raar boek. In de winter van 1978-79, de ‘winter of discontent’ waar stakingen het Britse openbare leven lamlegden, raakt een man van middelbare leeftijd (Chris) verliefd op een jonge illegale immigrante (Roza), die hem als een Sheherazade duizend-en-één verhalen voorschotelt over het leven in Tito’s Joegoslavië. Chris zit gevangen in een seks- en liefdeloos huwelijk – zijn vrouw noemt hij The Great White Loaf – en loopt ook nog eens vreselijk naast de pas van de culturele tijdgeest. Natuurlijk is hij kanonnenvoer voor de genadeloze charmes van Roza, die precies inspeelt op wat hij horen wil en steeds net iets meer vertelt dan hij aankan: hoe ze de lijken in de straten van Sarajevo zag liggen, hoe ze een lesbische affaire had tijdens haar studie en hoe ze haar vader ertoe verleidde haar te ontmaagden.
A Partisan’s Daughter is ook een raar boek omdat Louis de Bernières heel bewust geprobeerd heeft geen Louis de Bernières-boek te schrijven. Dat is bewonderenswaardig – een goed oeuvre kent variëteit. Hij heeft een bespiegeling willen schrijven over hoe eerlijk verliefde mensen tegen elkaar kunnen en moeten zijn – à la Ian McEwan’s On Chesil Beach. De twee treffen elkaar in Roza’s verrotte woning; dat is eigenlijk het enige decor en meer spelers zijn er niet. Voor De Bernières, die graag hele dorpen opvoert, is dat zeer mager. Ook in zijn stijl zet de schrijver de lezer op dieet: geen lyrische beschrijvingen, maar redelijk zakelijk proza met veel dialoog. Voor de lezer voelt de roman dus niet aan als vintage De Bernières, maar de schrijver kan er wel degelijk mee overweg; de dialogen zijn vaak scherp en soms zo geestig dat ze leiden tot hardop lachen. Als Roza I Can’t Get No Satisfaction van de Rolling Stones citeert, zegt Chris dof: ‘That’s afwul grammar.’
Ook het optimisme van De Bernières’ eerdere boeken is absent. Constant spreekt Chris in zinnen als: ‘Later, toen ze eenmaal verdwenen was…’ Dat is funest voor de spanningsboog. Die komt toch al niet lekker uit de verf doordat de schrijver het boek presenteert als zijnde de memoires van Chris waarin hij probeert te begrijpen wie Roza nu precies was – een vraag waar de lezer nauwelijks mee worstelt omdat er regelmatig vanuit Roza’s perspectief wordt geschreven, waardoor bekend wordt dat ze alle verhalen op z’n minst aandikt om Chris geïnteresseerd te houden.
Essentieel voor een één-op-één-roman is dat je iets voor de twee personages voelt, je je inleeft in hun liefde. De Bernières weet van Chris’ verliefdheid nooit meer te maken dan pure geilheid. Als liefde alleen een kwestie van seks is, dan doen alle ontboezemingen die ze delen er ook niet toe. Dan telt alleen de daad en daar gaat deze roman nu weer helemaal niet over. En zo is A Partisan’s Daughter uiteindelijk een gemankeerd boek. In de ambitie wellicht zijn oeuvre te diversifiëren heeft De Bernières een romance geschreven die liefde noch lust is.