Toneel - Toen wij van Rotterdam vertrokken

‘Dan was het net een brokkie wanhoop’

De titel van de voorstelling is tevens de openingsregel van een van de beroemdste levensliederen uit het zeemansrepertoire, Ketelbinkie uit 1940, in mijn jeugd beroemd gemaakt door Frans van Schaik, ik heb dat lied vaak in tranen meegezongen.

Medium toneel

De mooiste regel beschrijft waarom dat joch ongeschikt is voor de grote vaart, almaar ziek, zwak en misselijk en ‘net een brokkie wanhoop’.

De varende vertelling Toen wij van Rotterdam vertrokken gaat over veel grotere brokstukken wanhoop, grote en kleine tragedies die in de haven beginnen en er vaak ook weer eindigen. De voorstelling is bedacht door Floris van Delft, die in de elf jaar van zijn toneelloopbaan al zo’n vijftig grotere en kleine theaterprojecten op zijn naam zette. Op basis van interviews met mensen uit de Rotterdamse haven heeft hij een soort raamvertelling geschreven, waarin een nagenoeg failliete rederij, het spook van een verzopen containerschipkapitein, een hoge pief uit het Havenbedrijf, een agente van de immigratiepolitie en een groep bootvluchtelingen tezamen een haven-Odyssee vertellen, dansen en spelen, een verhaal over wat verloren ging in de haven en wat er mogelijk nog voor toekomsten gloren.

We gaan aan boord van een schip dat op tien minuten wandelen ligt van producent MAAS theater dans. De tribune op het dek biedt plaats aan enkele tientallen kijkers. Wij turen naar de gebeurtenissen op de kades en in het water, we horen de stemmen van de protagonisten op onze koptelefoons. Wij glijden in een redelijk gelijkmatig tempo door het water (er wordt hoogstens af en toe even gestopt voor een brug of in een sluis). Maar de voorstelling hanteert een ander tempo: die holt, en wandelt, en zwemt, en rijdt, en vaart met ons mee, maar veel grilliger, met versnellingen, vertragingen en dan weer versnellingen. Het is alsof je in de paar uur die Toen wij van Rotterdam vertrokken duurt in verschillende tempo’s leeft. De regie (ook van Floris van Delft) zit vol met visuele grappen, georganiseerde toevalligheden en voorziet zelfs in een doorgecomponeerd (en doorhollend) musicalnummer. En in de loop van die twee uur worden we ook een aantal keren op het verkeerde been gezet wat betreft ‘toevallige passanten’ – wat is echt en wat is geënsceneerd?

En met een ‘Eén-twee-drie-in-Godsnaam!’

Ging ’t ketelbinkie overboord,

Die z’n moedertje niet durfde zoenen

Omdat dat niet bij zeelui hoort.

Alles komt in dit epos op de een of andere manier wél goed. En we krijgen tegen het eind een uitzicht op het waterlandschap waar ik branderige ogen van kreeg en waardoor ik nog meer van die in elkaar gevlochten havenverhalen ging houden. Door de intrigerende tempowisselingen, de hoge concentratie op de stemmen en geluiden uit de koptelefoon (goeie muziek van Frans Baudoin), is het net alsof je tegen het eind uit een soort trip komt, een niemandsland tussen waken en dromen, bevolkt door tien sterk spelende en keihard werkende acteurs en actrices. Gaaf en muzikaal locatietheater, dat is het. Niet te lang wachten, ’t loopt snel vol.

Te zien t/m 19 september; maastd.nl


Foto: Phile Deprez