10 mei 1919 - 25 januari 2011

Daniel Bell

De grootste kwaliteit van de socioloog Daniel Bell was zijn fijne neus voor veranderingen in de naoorlogse consumptiemaatschappij.

PROFETEN, zo blijkt, kunnen maar beter voorzichtig zijn. Eén onverwachte gebeurtenis en hun voorspellingen komen niet uit. Dit overkwam Francis Fukuyama, die in zijn essay The End of History? voorspelde dat na de val van het communisme de wereld langzaam één grote vrije democratie zou worden. De gebeurtenissen die volgden - 11 september, de war on terror, Irak, Afghanistan - waren het tegenovergestelde van zijn verwachte triomfmars van het vrijemarktliberalisme.
Wie zoekt naar meer succesvolle pogingen om het einde van de strijd tussen communisme en liberale democratie te beschrijven, komt al snel uit bij een van de boeken waar Fukuyama schatplichtig aan was: The End of Ideology van Daniel Bell. In deze verzameling essays, geschreven in de jaren vijftig, stelde de onlangs overleden Amerikaanse socioloog dat de grote politieke ideologieën in de tweede helft van de twintigste eeuw hun zeggingskracht zullen verliezen. ‘Ideologie, net als zonde, is een leeg begrip geworden’, schreef hij. Ook de term 'postindustriële samenleving’ is bekend geworden dankzij Bell. In The Coming of the Post-industrial Society uit 1973 beschreef hij het ontstaan van een economie die niet werd gedreven door productie van goederen maar door diensten en informatietechnologie.
Bells grootste verdienste, kortom, was zijn fijne neus voor veranderingen in de naoorlogse consumptiemaatschappij. Hij was een van de eersten die doorhad dat het kapitalisme niet langer stoelde op Webers protestantse werkethiek - zuinig doen, sparen en investeren - maar op een moraal van lenen en consumeren. 'Marketing en hedonisme zijn de motor van het kapitalisme geworden’, schreef Bell met nauwelijks verholen ergernis in The Cultural Contradictions of Capitalism (1978). Het boek behoort volgens The Times Literary Supplement tot de honderd meest invloedrijke werken van na de Tweede Wereldoorlog. Ook The End of Ideology staat op de lijst, al gaat de eer voor de pakkende titel van dat boek naar een ander. De frase 'Het einde van de ideologieën’ komt van Albert Camus.
Daniel Bell werd op 10 mei 1919 geboren in New York als Daniel Bolotsky. Hij kwam uit een familie van joodse immigranten uit Oost-Europa die hun naam veramerikaniseerde toen Daniel dertien was. In datzelfde jaar, tijdens zijn bar mitswa, verkondigde Bell niet in God te geloven, maar in het socialisme. De rabbi was niet onder de indruk. 'Zeg eens, denk je dat God het iets zal interesseren?’ vroeg hij aan de jonge Daniel. De anekdote, regelmatig aangehaald door Bell, illustreert zijn rode jeugd. Als jongeman ging hij naar de socialistische zondagsschool. Hij studeerde aan City College in Manhattan, dat in die tijd werd bezocht door een bonte verzameling marxisten, trotskisten en andere linkse scherpslijpers. Bell sloot daar vriendschap met Irving Kristol, die zou uitgroeien tot de geestelijk vader van het neoconservatisme.
Dat Bell sceptisch was over de ideeën van zijn college-genoten bleek uit zijn eerste boek, Marxian Socialism in the United States (1952). Het beantwoordt de vraag waarom de revolutie nooit was uitgebroken in de VS. Bells conclusie: de socialisten waren veel te rigide voor de pragmatische Amerikaanse cultuur. Ook later koos Bell het liefst een gematigde positie, zeker wanneer anderen werden meegesleept door hun idealen. In de jaren zestig gaf hij les op Columbia University, brandpunt van de studentenprotesten. Maar in tegenstelling tot veel van zijn collega’s toonde hij weinig bewondering voor de hoogdravende idealen van de studenten. Volgens Bell was het idealisme van de jaren zestig een dun laagje vernis voor het hedonisme van de tegenbeweging.
In 1965 richtte hij samen met Kristol het opinieblad The Public Interest op. Het werd al gauw een belangrijk platform voor neoconservatieve denkers die kritisch waren over de great society-programma’s van president Johnson. In 1976 verliet Bell, inmiddels overgestapt naar Harvard, de redactie vanwege onenigheid over de politieke koers van het blad. Veelzeggend genoeg ging The Public Interest in 2005 ter ziele.
Vanwege zijn houding in de sixties werd Bell, tegen zijn zin, tot het neoconservatieve kamp gerekend. Zijn conservatisme was echter vooral cultureel. Hij hield van James Joyce en T.S. Eliot, verafschuwde moderne kunst en betreurde het uiteenvallen van sociale gemeenschappen. In politiek opzicht was hij altijd blijven geloven in gematigd socialisme. Toen Irving Kristol in 2009 overleed, noemde The Economist Bell een van zijn conservatieve geestverwanten. Prompt ontving het blad een brief van de hoogleraar in ruste met een rectificatieverzoek. 'I remain, if a label has to be stated, a social democrat’, schreef hij.
Naar eigen zeggen was Bell een 'specialist in generalisaties’. Daarmee deed hij zichzelf te kort. Veel van zijn voorspellingen bleken tot in detail correct. Zo voorzag hij eind jaren zestig het ontstaan van een netwerk van 'tienduizenden computers’ die gebruikt zouden worden als 'bibliotheek, winkel en voor het betaalverkeer’. De term 'internet’ verzon hij er helaas niet bij. Bell, geen fan van de maakbare samenleving, verkondigde regelmatig dat zijn voorspellingen niet al te veel politiek gewicht moesten krijgen. Op één punt had dat advies beter genegeerd kunnen worden. Hij doorzag al vroeg dat de westerse verzorgingsstaten zich steeds verder tot een kennismaatschappij (nog een van zijn termen) ontwikkelden. Hij waarschuwde daarbij voor het gevaar van een vergeten onderklasse waarvoor de moderne meritocratie geen voordelen oplevert. Dat kan politiek zeer destructief uitpakken, voorspelde de socioloog.