Daniel cohn-bendit

DE AANLEIDING was grotesk: de Franse minister van Sport en Jeugdzaken was afgereisd naar de universiteit van Nanterre, een voorstad van Parijs, om een nieuw zwembad te openen. De plechtigheid werd verstoord door een roodharige 23-jarige student sociologie die aan de minister vroeg of hij wel wist dat er onder de studenten sprake was van grote seksuele problemen. De minister dacht zich met een grapje te redden en zei dat het zwembad nu juist bedoeld was voor studenten met seksuele problemen; die konden er afkoelen. Dat had hij beter niet kunnen doen.

De student was Daniel Cohn-Bendit, de datum was 22 maart 1968 en de beweging van 22 maart - wier invloed omgekeerd evenredig was aan haar ledental - maakte Daniel Cohn-Bendit enige maanden later wereldberoemd. Hij werd de ‘leider’ van de studentenopstand die eerst Nanterre, toen het Parijse Quartier Latin en niet veel later half West-Europa de zenuwen bezorgde.
Nanterre was saai en lelijk, er was een groot gebrek aan studentenvoorzieningen, de verbindingen met Parijs waren slecht, de universitaire verhoudingen verkalkt en autoritair. De ideale voedingsbodem voor een studentenopstand. En Rode Dany was de ideale spreekbuis: spitsvondig, snel en charmant. Hij werd het troetelkindje van de media, die niet ophielden te vermelden dat 'iedere vrouw met een greintje moederinstinct hem wilde knuffelen’. Vrouwen zonder moederinstinct trouwens ook.
COHN-BENDIT was in 1945 in Frankrijk geboren als zoon van een Duits-joodse vader en een Franse moeder die in 1933 naar Frankrijk waren gevlucht. In 1958 namen ze hem mee terug naar Duitsland, waar hij tot het einde van de middelbare school bleef. Hij koos voor de Duitse nationaliteit omdat hij daardoor de dienstplicht ontliep, maar in 1967 ging hij in Frankrijk studeren.
Toen hij in het kader van het verbreden van de revolutie naar Amsterdam afreisde (boer Koekoek probeerde nog hem een inreisverbod op te leggen, maar de Nederlandse regering voelde daar niets voor), trok de Franse regering zijn verblijfsvergunning in. Cohn-Bendit was in Frankrijk niet meer welkom. Strategisch inzicht kon en kan hem niet worden ontzegd: niet in Amsterdam maar in Duitsland opende hij het offensief tegen de Franse regering.
Eerder had hij in de Franse studentenbeweging de bijnaam 'de Duitser’ opgelopen; de Franse studenten wisten precies hoe kwaad hun ouders werden als ze merkten dat hun opstandige kinderen ook nog werden aangevoerd door een Duitser. De Gaulle werd nu te verstaan gegeven dat hij 'de vriendschap tussen de Duitse en Franse jeugd toch niet kon verstoren’, en vergezeld van vijfhonderd medestanders stapte Cohn-Bendit de Franse grens over - om na vijf kwartier weer te worden uitgezet. Hij stortte zich vervolgens vol overgave in de Duitse studentenbeweging.
In de ogen van de Duitse en Franse machthebbers mag hij het revolutionaire gevaar in persoon zijn geweest, in feite was Rode Dany ook toen nogal gematigd. Dat werd alleen in Engelse kranten gesignaleerd. Maar het is waar; voor de Oost-Europese regimes heeft hij nooit een goed woord over gehad, voor de communistische partijen in West-Europa ook niet. Hij zag wel wat in Cuba, maar dat was het wel zo'n beetje. Vanaf de barricades riep hij vooral (tevergeefs) op niet in te gaan op de gewelddadige provocaties van de politie en op de vraag of de dames en heren studenten het systeem omver wilden werpen, antwoordde hij onveranderlijk dat dat er voorlopig niet in zat. Sartre, die Cohn-Bendit wel vaker te hulp schoot als het hem aan abstractie en theoretisch fundament ontbrak, formuleerde het zo: 'U vergroot het domein van het mogelijke.’
Toen de storm ging liggen, trok Cohn-Bendit zich terug in Frankfurt. Daar bestond een levendige gemeenschap van 'sponti’s’. Hij werkte in een boekhandel (Karl Marx genaamd) en in een crèche (want je moest toch bij het begin beginnen), hij woonde in een woongroep en hij zag enigszins ongemakkelijk de opkomst van de radicale feministische beweging aan. Hij gaf een blad uit, Pflasterstrand - een directe verwijzing naar Parijs 1968, waar een van de leuzen luidde: 'onder de straatstenen het strand’ . Een leus die zó tegen het zere been was dat de Parijse binnenstad na 1968 geheel geasfalteerd werd - de Parijse politie wenste de nachtmerrie van de eenvoudig uit te graven kinderhoofdjes niet meer mee te maken.
Zo goed als Cohn-Bendit kan praten, zo beroerd schrijft hij. In 1978 voegt hij zich bij het koor van stemmen dat tien jaar 1968 bezingt. Zijn latere boeken zijn evenmin leesbaar, maar er staat wel wat in - terwijl dit werkje, De grote bazar, een smet op zijn blazoen is. Rode Dany heeft iets te melden als hij zich met maatschappelijke problemen en met anderen bezighoudt, niet als het over hemzelf gaat. Maar Cohn-Bendit denkt dat het volk zit te wachten op ontboezemingen over zijn seksuele wederwaardigheden (veel), zijn dagelijks leven (saai), zijn sportieve voorkeuren (voetbal en de Tour de France).
IN 1984 WORDT Cohn-Bendit lid van de Duitse Groenen. De West-Europese media duiken er bovenop. 'Rode Dany wordt Groene Dany’, koppen de kranten, en: 'Van anarchist tot reformist’. In feite valt het mee: de enige radicale breuk, en het enige waar Cohn-Bendit radicaal op terugkomt, is vervat in die ene vermaledijde leus van 68: 'élections, trahison’ (verkiezingen, verraad). Bij gebrek aan een werkbaar alternatief voor de parlementaire democratie en door een toegenomen geloof in de veranderbaarheid van de samenleving langs parlementaire weg verklaart Cohn-Bendit zich tot een radicaal democraat.
Even simpel, eerlijk als sympathiek is zijn antwoord op de vraag, nogal relevant in het West-Duitsland van de jaren zeventig en tachtig, waarom hij niet naar de wapens heeft gegrepen: 'Ik ben toevallig geen terrorist geworden, hoewel dat heel goed mogelijk zou zijn geweest.’ Want 'het waren de Tupamaros in Uruguay, Che Guevara en de Vietnamoorlog die de RAF op het idee brachten dat als zij een Amerikaans gebouw in brand zouden steken, er in Hanoi feest zou worden gevierd’. Om direct daarop te melden dat het Duitse terrorisme veel te maken had met de overheidsreactie op dat terrorisme, waarbij hij de schrijver Peter Schneider citeerde: 'President von Weizsäcker verdedigde tijdens de Neurenberger processen zijn eigen vader. Het wordt nu tijd dat hij mensen verdedigt die terrorist zijn geworden vanwege zijn vader. Want dat is de voornaamste gedachte die de RAF-leden heeft beheerst: Wij willen niet worden als onze ouders.’
VOOR DANIEL Cohn-Bendit breekt een geheel nieuw tijdperk aan als hij wordt benoemd tot honorair (dat wil zeggen tegen een onkostenvergoeding) wethouder multiculturele zaken van Frankfurt, en later tot lid van het europarlement voor Bündnis 90 (de Europese Groenen). Dan ook wordt zijn gebrek aan ideologische en theoretische diepgang zijn verdienste. In de praktijk en in boeken pleit hij voor een zakelijke en vooral pragmatische aanpak van het migrantenvraagstuk. Vriend en vijand zijn van mening dat hij het klimaat in Frankfurt aanmerkelijk heeft verbeterd met zijn bureautje, dat met onconventionele en snelle maatregelen reageerde op spanningen tussen de Duitse en de nog niet zo lang Duitse inwoners van de stad. Islamitische meisjes, zo vindt hij, horen een school met een hoofddoek binnen te komen en in spijkerbroek te verlaten. Hij wordt tot tijdelijk voorzitter benoemd van de Indiase gemeenschap als de Sikhs en anderen elkaar te lijf gaan. Hij vergelijkt de aanslagen van de PKK op Turkse winkels met aanslagen op asielcentra, maar veroordeelt scherp de razzia van de Duitse overheid onder alle Koerden en praat vervolgens een harde kern van PKK-aanhangers uit het gebouw waarin ze zich hebben opgesloten met een paar oliedrums benzine.
Zijn voorstellen op politiek niveau zijn, omslachtig en in denderende clichés, verwoord in zijn boek Heimat Babylon: Duitsland moet erkennen dat het immigratieland is, en via een zorgvuldige procedure immigratiequota vaststellen. Daarnaast behoort een ruimhartige asielregeling te blijven bestaan. Bovendien moeten mensen die in Duitsland leven maar geen Duits paspoort hebben, op een redelijke termijn burgerrechten (zoals stemrecht) krijgen.
Zijn vermogen om zijn tegenstanders het schuim op de bek te brengen, is nog altijd groot. Het beperken van het aantal buitenlanders dat Duitsland binnenkomt? 'Ja, dat kan natuurlijk: je reactiveert Honecker en het hele Stasi-apparaat, je laat ze de muur aan de oostelijke grenzen weer optrekken, mét Schiessbefehl; je reactiveert de Duitse Wehrmacht en je laat ze de Atlantikwall aan de Atlantische kust en langs de Middellandse Zee herbouwen. Met de combinatie van deze twee roemrijke momenten uit de Duitse geschiedenis zou het misschien mogelijk zijn de grens weer dicht te maken. Anders niet.’