Meneer Pip

Dank aan Dickens

Lloyd Jones
Meneer Pip
Vertaald (Mister Pip) door Joris Vemeulen
De Bezige Bij, 268 blz., € 18,90

Hij was de grote onbekende, maar in de laatste peilingen bij de Engelse bookies wordt de Nieuw-Zeelandse auteur Lloyd Jones inmiddels als favoriet genoemd voor de Booker Prize. In de gokkantoren keert zijn roman Mister Pip twee tegen één uit; Ian McEwan’s On Chesil Beach doet het vijf tegen twee.

Het is een opmerkelijke ontwikkeling. Begin augustus werden Jones’ kansen nog twintig tegen één geschat. Hoewel hij al acht romans geschreven heeft, is dit de eerste die in Europa verschijnt. Het duurde even voordat alle boekenbijlagen de roman ontdekt – en terecht omarmd – hadden. In Jones heeft Nieuw-Zeeland, een land dat niet onmiddellijk bekendstaat om zijn literatuur, een fijn exportproduct gevonden. Meneer Pip is een ontwapenend boek, een roman die zwaarmoedig lijkt maar lichtvoetig leest.

Het verhaal begint als de dertienjarige Matilda al 86 dagen geen school heeft gehad. Op Bougainville, een idyllisch eilandje in de Grote Oceaan, heerst een burgeroorlog. De elektriciteitsgeneratoren zijn uitgevallen, alle docenten zijn gevlucht. De laatste blanke op het eiland, de excentrieke meneer Watts, neemt het op zich om les te geven. Nu is hij geen gediplomeerd leraar, dus het beste wat hij kan bedenken is de wereld te verklaren aan de hand van zijn lievelingsboek, Great Expectations van Charles Dickens. Hij belooft de kinderen elke dag een hoofdstuk voor te lezen.

Als de ouders van de kinderen horen dat meneer Watts ze gaat voorstellen aan ene Dickens – ‘een blanke naam’ – raken ze minstens net zo geïnteresseerd als hun kroost. Ze vragen meteen of hij malariatabletten, bier en kaarsen kan meenemen. Snel puilt het klaslokaal uit met ouders die Pips verhaal willen horen. Elke ouder moet iets bijdragen aan de les, waardoor ze de kans krijgen hun kinderen te bewijzen dat ze geen simpele eilandbewoners zijn in vergelijking met de wereldse Dickens. ‘Om een octopus te doden moet je hem boven zijn ogen bijten’, zegt er eentje.

Vrijwel meteen gaan de leerlingen zich spiegelen aan Pips zware tijden en ze voelen zich gesteund in zijn onverzettelijkheid. Dit lijkt wat flauw. Allereerst omdat Jones hiermee zijn lezer zijn boodschap nogal ondubbelzinnig opdringt. Hij laat de moeder van Matilda letterlijk zeggen: ‘Verhalen hebben een bepaalde taak. Ze kunnen niet zomaar een beetje als een hond liggen te luiwammesen. Ze moeten je iets leren.’ Jones had de lezer hier net zo goed met een opgerolde krant op zijn neus kunnen meppen, roepend: ‘Literatuur heeft waarde! Literatuur is van alle tijden!’

Daarnaast lijkt het flauw omdat het een gemakzuchtig pedagogisch trucje is. Toch werkt het; alle personages dragen een naïviteit in zich mee die hen reëel maakt. Hier sluit Jones’ stijl perfect aan; hij vertelt op een bijna onschuldige toon, door de mond van een vroegwijs meisje dat met een zekere sereniteit naar haar eiland kijkt. ‘Voor mij (was thuis) de paden door de jungle, de bergen die hoog boven ons uittorenden, de zee die zich soms uit de voeten maakte; het was de vieze geur van bloed die ik niet meer uit mijn neusgaten kreeg sinds ik Black met opengesneden buik had gezien. Het was de hete zon. Het waren de vruchten die we aten, de vissen, de noten. (…) Het was de jungle, die je voortdurend liet weten hoe klein je was en hoe onbelangrijk vergeleken met de reusachtige bomen en hun bladerdek, dat zich een weg baande naar het zonlicht. Het was het gelach van vrouwen die de was deden in de beken.’

Naarmate de tijd verstrijkt, komt de oorlog dichterbij en gaat Matilda vraagtekens zetten achter het kleine geluk op het eiland. De rebellen komen op bezoek in haar dorp. Ze hebben geruchten gehoord over ene meneer Dickens en willen weten wie hij is. Een spion? Iemand van een hulporganisatie? Omdat het dorp ze niets anders kan bieden dan een Britse negentiende-eeuwse schrijver – het boek is net zoek – gaan de huizen in vlammen op.

De opzet van het boek is daarmee duidelijk. In de eerste helft zet Jones meneer Watts neer als een docent wiens goedaardigheid aan het heilige grenst. Hij doet in alles aan professor Dumbledore denken, Harry Potters mentor – een ironisch opgetrokken wenkbrauw, half gesloten ogen, een geamuseerde glimlach op zijn lippen, hij beantwoordt vragen met tegenvragen om kinderen te doen nadenken. Vervolgens laat Jones alle kommer en kwel specifiek over zich heen komen, om het allemaal nog even iets schrijnender te maken. Matilda’s stem houdt het geweld draaglijk, ze veroordeelt geen van de beide vechtende partijen – de ‘rambo’s’ en de ‘roodhuiden’ – en ziet steeds de menselijkheid. Terwijl haar moeder wordt verkracht kijkt ze met medelijden naar de commandant die daar opdracht toe gegeven heeft: ‘En weer zag ik hoe geel en bloeddoorlopen zijn ogen waren. Hoe ziek hij was van de malaria. Hoe ziek hij was van alles. Van zijn mensenleven.’

Mocht de jury besluiten Mister Pip de prijs toe te kennen, dan kiest ze niet voor het gewichtigste literaire werk, maar voor een boek waarvan alle radertjes als in een Zwitsers uurwerk kinderlijk eenvoudig in elkaar grijpen.