De persoonsverheerlijking van dictators

‘Dank u, lieve Stalin’

Jozef Stalin liet zich liefdevol portretteren met het meisje Gelja. Vlak daarna werd haar vader wegens spionage geëxecuteerd.Jozef Stalin veranderde van een vriendelijke man die je teder mocht omarmen in een afstandelijk beeld dat je hooguit mocht bewonderen, borduren en ophangen. Zijn streven een opperwezen te worden, was echter een stap te ver.

Toen zich in de loop van de zestiende eeuw de eerste moderne staten vormden, werd door velen naar een voorbeeld of model gezocht. Begrijpelijk, want wat was dat eigenlijk, een staat? Het fenomeen was tot dan toe zo goed als onbekend. Bekend waren streken, steden, regio’s, naties in de zin van taalkundige en culturele verbanden, rijken (Romeinse rijk), culturen (christendom), continenten (Europa), maar staten? Waaruit bestond zo’n eenheid? Wie maakte er deel van uit? Wie had het er voor het zeggen? Wat waren de plichten van een staat, wat de rechten?

Een van de eersten die zich dergelijke vragen stelden, was de Italiaanse ambtenaar en filosoof Niccolò Machiavelli. Dat deed hij in een boek dat tot op de dag van vandaag gelezen en besproken wordt: Il Principe (1532). Het daarin gegeven antwoord is duidelijk maar eigenlijk nogal middeleeuws. Bij een staat stelde Machia­velli zich weinig meer voor dan een man als Cesare Borgia die plunderend en zonder onderscheid des persoons door de Romagna trok en slechts op één ding uit was: het belang van zijn stato of status, zijn heerschappij. Een staat was dus zoiets als een ridder met zijn gevolg.

Deze machiavellistische visie op de staat verklaart waarom de juiste vertaling voor principe (letterlijk voorste) niet De vorst (J.F. Otten, 1940) maar De heerser (Frans van Dooren, 1990) luidt. Het begrip ‘vorst’ impliceert immers legitimiteit, aanvaarding, samenhang en taakverdeling, allemaal zaken die in een moderne (natie)staat voorkomen maar in een heerschappij als die van Borgia junior ontbreken. Dezelfde visie op de staat verklaart ook het ontelbaar aantal woedende reacties op Machiavelli’s geschrift – destijds, tegenwoordig en in alle tijd daartussen: zo zou de samenleving dus niet ingericht moeten worden; de overheid of staat zou geen heerser moeten zijn maar… Hiermee begon het zoeken naar een model. Het lag voor de hand.

Het was een jongere, Franse tijdgenoot van Machiavelli, Jean Bodin, die de samenleving als een van de eersten nadrukkelijk naar analogie van de familie beschreef (in Les six livres de la république uit 1576). Levend in een tijd van godsdienstoorlogen en geconfronteerd met aan de ene kant de meedogenloze theorie van Machiavelli en aan de andere kant de democratische denkbeelden van de protestanten, zocht hij een middenweg en kwam bijna vanzelf uit bij wat in de burgerlijke cultuur als hoeksteen van de samenleving werd beschouwd maar altijd bouwsteen is geweest: de familie. De familie was een staat in het klein, met aan het hoofd, destijds althans, een man met welhaast absolute macht: de vader. Vandaar de alomtegenwoordigheid in het verleden van patriarchaten. Maar de macht van de vader zou anders zijn dan die van Machiavelli’s heerser. Zij dient niet het eigen belang. Een vader houdt van zijn kinderen. Zijn macht is voor ieders bestwil. Hij hoeft haar ook niet te veroveren. Hij heeft haar al. Zij is vanzelfsprekend. Ze is gezag.

Met het gebruik van de gezins- en vadersymboliek bij zijn ideeën over staatsinrichting greep Bodin, een christen-humanist waardig, zowel terug op klassieke als op middeleeuwse denkbeelden. Bij de Romeinen was de benaming Vader des Vaderlands (Pater Patriae) een gezochte eretitel die aanvankelijk bij hoge uitzondering werd toegekend en later, in de eerste eeuwen van onze jaartelling, voortdurend werd gebruikt. Toen ook werd hij opgepakt door het instituut dat met het wereldlijk gezag rivaliseerde: de kerk. Deze maakte nog kwistiger gebruik van het vaderbegrip en paste het toe op zo goed als eenieder die in haar organisatie actief was – van de hoogste positie (paus, van het Griekse pappas, vader) tot helemaal onder aan de ladder waar elke priester pater was of in ieder geval zo werd genoemd.

Dergelijk overvloedig gebruik van het vaderbegrip door de kerk lag temeer voor de hand omdat het spoorde met de christelijke basis­teksten, de bijbel voorop. Daarin werd het begrip vader niet alleen gebruikt voor God (‘de Vader’) maar ook voor allen die zijn boodschap uitdroegen, te beginnen met de apostelen (zie bijvoorbeeld Paulus’ Eerste brief aan de Korintiërs, 4:14-16). De achtergrond hier weer van is even vanzelfsprekend als onachterhaalbaar, want ligt diep verborgen in het oer van natuur en cultuur: beide zijn ondenkbaar zonder vader.

Hoewel Bodin met zijn vadersymboliek terugviel op kerkelijk gebruik, nam hij tegelijkertijd afstand van het religieuze beeld. Traditioneel werd een vorst immers beschouwd als een halfgod. Vandaar dat hij bij zijn aantreden gezalfd werd, dat wil zeggen ingewijd met heilige olie. Dit was het teken dat hij ontsteeg aan de wereld van de gewone stervelingen en voortaan geacht werd wonderen te kunnen verrichten, genezen door handoplegging bijvoorbeeld. In een moderne staat zouden dergelijke rituelen en verwachtingen volgens Bodin tot het verleden behoren. De vorst was niet langer verheven boven anderen. Hij was een van hen, zij het in een evident hogere positie. Hij was vader.

Zich baserend op Romeinse, kerkelijke én vroegmoderne tradities was het vanaf de achttiende eeuw gebruik een machthebber als vader voor te stellen. Het wellicht bekendste voorbeeld hiervan is de Russische tsaar die vadertje genoemd werd. Die omschrijving legde de klemtoon op dat aspect van het vaderschap dat door de bevolking gewenst werd en volgens de tsaristische propaganda het meeste resultaat opleverde: de zachtaardigheid. Want als een machthebber als vader werd gezien, was hij per definitie goed, ook als hij iets deed wat slecht leek. Een vader kán immers niet slecht zijn. Een dergelijke kwalificatie spoort niet met zijn positie. Slecht zijn alleen zijn ondergeschikten.

Vandaar ook dat het niets minder dan een oproep tot revolutie betekende toen de Russisch-orthodoxe priester Georgi Gapon naar aanleiding van Bloedige Zondag, januari 1905, over de tsaar een vloek uitsprak en verkondigde dat hij de titel ‘vader’ niet langer waardig was. Tot dan toe was het de tsaar en zijn omgeving altijd gelukt wreed gedrag op de omgeving af te wentelen. Na Bloedige Zondag – toen tsaristische troepen inhakten op een vreedzame, religieuze menigte die de man een petitie wilde aanbieden – lukte dat niet meer. De vader had zich in de ogen van een niet onbelangrijk en sindsdien ook groeiend deel van de bevolking als tiran ontpopt. Daarmee verloor hij zijn gezag en werd de weg naar een daadwerkelijke revolutie vrijgemaakt.

Hoewel Lenin bij leven niet in staat is geweest zich als vader te presenteren (daarvoor was de tijd te kort en de strijd te hard), gebeurde dat wel na zijn dood. De cultus ging zelfs zover dat op de plek in Russische huizen, scholen en clubs waar tot dan toe iconen en kandelaars hadden gestaan, steeds vaker afbeeldingen van de ‘vader van de revolutie’ of ‘grootvader Lenin’ prijkten. Dat waren de zogenoemde Lenin-hoekjes. Het daarin meest voorkomende imago was echter niet dat van de wijze, liefhebbende toezichthouder (vader) – hoewel het wel bestaat. Lenin werd liever als activist (gebalde vuist) voorgesteld. Het gezinsplaatje werd gereserveerd voor zijn opvolger.

Legio is het aantal afbeeldingen waarop Stalin als vader en/of kindervriend te zien is. Plaatjes in die trant verschenen vanaf het eind van de jaren twintig, toen de revolutie gestabiliseerd was, Lenin tot grootvader was ‘gedegradeerd’ en de rivalen successievelijk werden opgeruimd. Het vermoedelijk beroemdste voorbeeld hiervan is de foto die begin 1936 in het Kremlin werd genomen: van een beminnelijke Stalin met in zijn armen de zes jaar oude Gelja Markizova – er bestaat zelfs bewegend beeld van de gebeurtenis.

Vanaf ongeveer datzelfde moment en, niet te vergeten, te midden van de grote zuiveringen werd dergelijk beeld standaard en in talloze varianten herhaald. Op de ene afbeelding zien we Stalin beminnelijk, hoewel flauwtjes glim­lachen naar vijf kinderen die hem stralend bloemen aanbieden. In de begeleidende tekst staat: ‘Dank u, geliefde Stalin, voor onze gelukkige jeugd.’ Op een andere afbeelding tilt hij met dezelfde glimlach op de lippen een kleuter omhoog. Het kind heeft in de ene hand de Russische vlag, in de andere een bos bloemen. Een derde afbeelding toont Stalin te midden van een grotere groep kinderen. Vaderlijk heeft hij rond een van hen de arm geslagen. Van een ander bekijkt hij een tekening terwijl een derde kind een speelgoedvliegtuig omhoog houdt. Bijzonder fraai is de Oekraïense prent van Stalin met drie kinderen van wie er een viool speelt. Een ander heeft eveneens een vliegtuig in handen en wordt teder omarmd. Het derde kind omarmt Stalin en lacht. Ook hierbij de tekst die ondertussen standaard was geworden: ‘Dank aan de Partij, dank lieve Stalin voor een gelukkige en blije jeugd.’

Voor goed begrip van dergelijke beelden is het overigens nuttig iets meer te weten van Gelja Markizova, het kind dat met deze poespas het bekendst is geworden. Zij was de dochter van een hoge functionaris uit Boerjatië, Oost-Siberië. Een jaar na zijn ontmoeting met Stalin werd hij op verdenking van spionage voor Japan gearresteerd en geëxecuteerd. Hiermee was de ondertussen beroemde en in miljoenenoplage gedrukte prent een probleem geworden, want hoe kon Stalin nu de dochter van een volks­vijand omarmen? De oplossing was snel gevonden: Gelja Markizova zou niet Gelja Markizova maar Mamlakat Nachangova zijn, een meisje uit Tadzjikistan dat kort tevoren met Stalin op de foto was geweest (of, andere mogelijkheid, de waarheid valt niet te achterhalen, op hetzelfde moment een prijs voor haar inzet bij de katoenoogst had ontvangen). Nadat Gelja spoedig na de executie van haar vader ‘bij een auto-ongeluk’ (vermoedelijk eveneens moord dus) ook nog haar moeder had verloren, ging ze bij familie wonen, veranderde haar achternaam, trouwde een diplomaat en werd in 2004 door een Wit-Russische documentairemaker opgespoord. Helaas overleed ze voordat de man een fatsoenlijk gesprek met haar kon opnemen.

Het beeld van de dominante vader roept onvermijdelijk dat van de rebellerende zoon op. Ook dat beeld is, zowel in persoonlijke als in staatsrechtelijke zin, zo oud als de geschiedenis (Oedipus, don Carlos). Toch duurde het tot de twintigste eeuw dat die zoon, althans in westerse landen, het overwicht eiste – en uiteindelijk ook kreeg. Het meest opmerkelijke voorbeeld hiervan is te vinden in Midden-Europa waar na de val van de Duitse en Oostenrijk-Hongaarse keizerrijken een lawine aan vadermoordteksten geschreven werd. Weliswaar waren de meeste hiervan literair van aard en gericht op de familieverhoudingen – getuige het beroemdste voorbeeld ervan: Kafka’s Brief an den Vater –, die verhoudingen weerspiegelden ontwikkelingen in staat en samenleving. De zonen claimden zeggenschap. Des te groter de schrik toen zij spoedig hierna volledig overvleugeld werden door een man die zich rücksichtslos als machiavellistisch heerser presenteerde. Want al werd ook Hitler steeds weer met kinderen afgebeeld, de familiesymboliek speelde in het nazistisch maatschappijbeeld een andere rol dan in het communisme. In zoverre was het moderner, want burgerlijk: het gezin had een zekere autonomie en kende daarom slechts één vader: de echte. Anderzijds zette het nazisme ook een stap terug, want bepleitte een samenleving die gekenmerkt werd door strijd. In zo’n samenleving heeft een heerser geen tijd voor vaderschap – en indien wel dan kent hij liefde noch geduld. Het is overigens aannemelijk dat dit beeld veranderd zou zijn als Hitler de strijd gewonnen had.

Ook het beeld van Stalin veranderde tijdens de Tweede Wereldoorlog. Niet liefde voor het eigene maar haat tegenover anderen werd de grondtoon van de propaganda. Hiermee kreeg het vaderbeeld een andere klemtoon – van liefhebbend naar streng, zo niet onverbiddelijk. Maar de strijd was nog niet gewonnen of het oude imago keerde terug, sterker zelfs dan ooit. Begrijpelijk: met de uitbreiding van de communistische familie, won ook de vader aan gezag. Gevolg hiervan was wel dat Stalin meer op afstand kwam te staan. Voortaan was hij niet langer de beminnelijke vader die je bloemen kon geven of aanraken, hij was een man in de verte van wie je op z’n best een telegram kreeg. Het hoogtepunt van deze nieuwe status viel rond ’s mans zeventigste verjaardag, in 1949. Op dat moment was Stalin, in plaats van een vader die zich onder zijn kinderen begaf, beeld geworden. Dat beeld mocht je bewonderen, borduren, ophangen, aanraken. Meer was niet mogelijk. Wel was er enige compensatie. Want in dezelfde jaren dat Stalin een abstractie werd, kreeg hij een heleboel ‘hulpvaders’ – leiders in andere communistische landen die de bestaande propaganda simpelweg naar de eigen situatie vertaalden. De meest opmerkelijke illustratie hiervan is te vinden in China. Maar hetzelfde gebeurde, zij het in de meeste gevallen toch pas na de dood van Stalin, in Joegoslavië, Roemenië, Albanië, Noord-Korea en Noord-Vietnam.

In de Sovjet-Unie zelf was ondertussen opnieuw een verandering opgetreden. Nadat, of misschien ook wel ómdat, de Stalin-cultus in de jaren na de oorlog absurde vormen had aangenomen, kon een reactie niet uitblijven. Het was Chroesjtsjov die op het beroemde twintigste partijcongres de kat de bel aanbond en verkondigde dat het afgelopen moest zijn met de pogingen Stalin naar de sterrenhemel te promoveren. Hij richtte zijn pijlen vooral op de in 1948 verschenen officiële Korte biografie. Chroesjtsjov gaf tijdens zijn toespraak nogal wat citaten uit het boek en maakte zich met name boos over de teksten die Stalin zelf toegevoegd had, zoals die over zijn militaire inzicht: ‘Door zijn militaire genialiteit was kameraad Stalin in staat de plannen van de vijand te doorzien en hem vervolgens ook te verslaan.’ In hier relevante termen vertaald: de vader was opgehouden vader te zijn en had geprobeerd god te worden. Het was een stap te ver.

Rond Mao vond in het laatste decennium van zijn leven tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976) een vergelijkbare ontwikkeling plaats. Aanvankelijk veelal voorgesteld als een vader te midden van zijn kinderen, kreeg en nam hij met de jaren steeds meer afstand en werd eveneens een abstractie: beeld, welhaast een god gelijk. Maar evenals bij Stalin en conform dezelfde paradox stond het hoogtepunt van deze persoonsverheerlijking gelijk aan het begin van het einde.

De voorstelling van nog levende machthebbers als vaders komt in alle politieke systemen voor, ook democratische (‘vadertje Drees’, Gandhi als ‘vader van de natie’). Maar uitgaande van het geval-Stalin zou je kunnen vermoeden dat een vaderpositie voor een dictator uiteindelijk toch te bescheiden is. Gevolg hiervan is dat hij afstand neemt. Het is echter de vraag of hiermee zijn macht toeneemt. Het zou namelijk best eens kunnen zijn dat het tegendeel het geval is. Door afstand te nemen verliest hij zijn basis en krijgt hij juist mínder macht. Het zou interessant zijn na te gaan hoe het wat dit betreft staat met een van de weinige landen waar het stalinistische model nog altijd leeft: Noord-Korea.