Matters of Exchange

Dankzij de markt

Harold J. Cook
Matters of Exchange: Commerce, Medicine, and Science in the Dutch Golden Age
Yale University Press, 562 blz., € 42,50

Op het eerste gezicht lijkt dit een nogal overbodig boek. Over de rol die de Republiek der Nederlanden heeft gespeeld bij de opkomst van de moderne wetenschap in de zeventiende eeuw is al zo veel geschreven. In zijn uit 1995 daterende The Dutch Republic: Its Rise, Greatness and Fall, 1477-1806 heeft Jonathan Israel indringend beschreven hoe in de Noordelijke Nederlanden een moderne, stedelijke en kapitalistische samenleving ontstond die een ideale voedingsbodem vormde voor culturele en intellectuele vernieuwing. In zijn Radical Enlightenment (2001) werkte hij dit nog verder uit en beschreef hij hoe de Republiek de bakermat van de Verlichting werd. In zijn vorig jaar verschenen Het Boeck der Natuere benadert Eric Jorink de wetenschappelijke opbloei tijdens de zeventiende eeuw weliswaar vanuit een geheel andere invalshoek, maar ook uit zijn verhaal wordt duidelijk dat Nederland in wetenschappelijk opzicht voorop liep. Ook in het eveneens vorig jaar verschenen boek van Matthew Cobb over het zeventiende-eeuwse onderzoek naar de voortplanting van mens en dier, De ei- en spermarace, spelen Nederlandse geleerden als Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam, Christiaan Huygens en Reinier de Graaf een belangrijke rol.

Om een nieuw boek over deze Nederlands succes story te rechtvaardigen, moet een auteur met geheel nieuw bronnenmateriaal komen of hij moet de bekende feiten in een nieuw kader plaatsen. Hoewel Cook archieven heeft geraadpleegd en tevens relatief onbekende gedrukte bronnen heeft gebruikt, moet hij het toch vooral hebben van een nieuwe aanpak.

De spectaculaire bloei van de natuurwetenschappen in de zeventiende eeuw, die vaak wordt aangeduid als de ‘wetenschappelijke revolutie’, wordt doorgaans verklaard uit het hanteren van andere concepten. Of die nieuwe concepten nu voortkwamen uit een steeds meer verfijnde tekstkritiek, zoals Jorink stelt, of uit de rigoureuze toepassing van het rationalisme van Descartes, zoals Israel schrijft, het lijkt te gaan om intellectuele categorieën die min of meer los staan van het alledaagse leven van de zeventiende-eeuwers. Alsof het denken nagenoeg autonoom is en nauwelijks een relatie heeft met de rest van het menselijke bestaan.

In Wordly Goods: A New History of the Renaissance (1996) heeft Lisa Jardine laten zien dat de Renaissance niet louter een kwestie was van nieuwe ideeën van geniale geesten, of het herontdekken van oude waarheden, maar dat de materiële cultuur uit die tijd van eminent belang was voor de artistieke en intellectuele ontwikkelingen. De praal- en hebzucht van vorsten en rijke kooplieden, de snel expanderende handel, de enorme vraag naar kunstwerken en gedrukte boeken, de meedogenloze concurrentie – dat alles zorgde voor een klimaat waarin artistieke en intellectuele vernieuwing voortdurend werd gestimuleerd.

Wat betreft de focus van zijn onderzoek is Cook zeker schatplichtig aan Jardine, al is zijn gebruik van bronnen en literatuur heel wat uitgebreider en degelijker. Ook Cook richt zich op de materiële wereld, die vanaf het einde van de vijftiende eeuw sterk veranderde als gevolg van de groeiende handel met Azië en de ontdekking van Amerika. Nieuwe en exotische producten werden aangevoerd en de vraag naar luxe en mooie spullen steeg exponentieel.

De schilderijen, beeldhouwwerken, boeken en manuscripten, Griekse en Romeinse oudheden, wandkleden, meubels en fraaie stoffen waren niet aan te slepen. Deze goederen hadden niet alleen een geldelijke waarde, maar ook een morele. Volgens de schilder, architect, dichter en filosoof Leon Battista Alberti was het bezitten ervan de bron van vriendschap, faam en gezag en was het voor de bloei van de staat daarom noodzakelijk dat er grote rijkdom was. Kostbare bezittingen werden steeds meer gezien als ‘een objectivering van het ik’.

Het begrip ‘smaak’ begon een belangrijke rol te spelen. Iemand die kon zien welke objecten ‘goed’ waren, kon orde aanbrengen in de chaos, beschikte over het onderscheidingsvermogen dat noodzakelijk was om een leidende rol te spelen. Cook citeert in dit verband Gadamer: ‘Het begrip smaak was oorspronkelijk meer een moreel dan een esthetisch idee.’

Smaak heeft te maken met onze zintuigen, het is niet het product van een rationeel denkproces. De kennis die verbonden is met het bezitten van smaak is dan ook niet rationeel van aard, maar komt voort uit vergelijken, experimenteren en imiteren. Cook wijst erop dat andere talen dan het Engels soms twee woorden hebben om deze verschillende vormen van knowledge aan te duiden. In het Nederlands verwijst ‘weten’ naar rationele kennis, terwijl ‘kennen’ staat voor ‘bekend of vertrouwd zijn met’. De Fransen maken het onderscheid tussen het rationele savoir en connaître, waarvan het woord connaisseur is afgeleid.

In de wetenschap wordt dit onderscheid tussen ‘weten’ en ‘kennen’ duidelijk uit het verschil tussen rationalisme en empirisme. Terwijl volgens Israel de omwenteling in het denken, en dus ook in de wetenschappen, veroorzaakt werd door de cartesiaanse revolutie, wijst Cook erop dat tijdens de zeventiende eeuw de meeste vooruitgang werd geboekt in empirische wetenschappen als de biologie en de geneeskunde en in de technologie, dus in de concrete toepassing van de natuurwetenschappen. Dat Nederland hierbij een tijdlang voorop liep, was volgens hem geen toeval.

De opkomst van Nederland als economische wereldmacht, die gigantische rijkdommen accumuleerde, is al vaak beschreven. Het meest recent en meest overtuigend door Jonathan Israel. Voor het tot volle wasdom komen van empirische wetenschappen en technologie was de moderne, stedelijke en kapitalistische samenleving die hier ontstond van doorslaggevende betekenis. Evenals in het Italië van de Renaissance was hier een enorme vraag naar exotische producten en luxe goederen, terwijl ondernemende investeerders de vraag naar technologische toepassingen stimuleerden. Het ontdekken van allerlei exotische planten en dieren in Azië en Amerika vroeg om nauwkeurige, gedetailleerde beschrijvingen. Voor deze empirische kennis ontstond een enorme markt, wat resulteerde in grote hoeveelheden boeken.

Bij Cook is het niet een handjevol briljante geleerden dat ineens het licht ziet en met oplossingen voor aloude problemen komt, maar is de wetenschappelijke opbloei het gezamenlijke resultaat van een onafzienbaar leger van artsen, chirurgijns, apothekers, scheepskapiteins, kooplieden, botanisten, dat tezamen belangrijke delen van de werkelijkheid in kaart brengt. Het is niet alleen geldelijk gewin dat hen drijft, maar ook pure nieuwsgierigheid. Volgens Cook moeten we deze ontwikkeling niet zo zeer zien als het resultaat van een verschuiving in begrippen, maar als een zaak van de passions, de menselijke hartstochten, of wat Spinoza de ‘aandoeningen’ noemde.

Cook ziet dan ook niets in de these van Jorink en anderen, die van mening zijn dat filologisch en theologisch onderzoek leidde tot een andere benadering van de natuur en zodoende tot de enorme bloei van de natuurwetenschappen. Eigenlijk gaat Cook verder waar Jonathan Israel halverwege de jaren negentig ophield. Na 25 jaar onderzoek naar de sociaal-economische ontwikkelingen en de interactie met de politiek, verlegde Israel toen zijn aandacht naar ontwikkelingen in de filosofie. Hij raakte buitengewoon gefascineerd door Spinoza en sindsdien probeert hij aan te tonen dat diens denken van fundamentele betekenis is geweest voor de ontwikkeling van de moderniteit. Door een revolutionaire interpretatie van de toch al baanbrekende ideeën van Descartes, en een rigoureuze bijbelkritiek, zou Spinoza verantwoordelijk zijn voor de onoverbrugbare kloof tussen het moderne en het traditionele denken. Hoewel Israel nog altijd aandacht heeft voor de maatschappelijke ontwikkelingen waarbinnen ideeën tot stand kwamen, is hij van mening dat de filosofie de motor van de intellectuele, culturele, politieke en maatschappelijke veranderingen vormde.

Cook heeft deze ‘wending naar Spinoza’ niet gevolgd. Wel wijdt hij een hoofdstuk aan Descartes, maar hierin probeert hij juist aan te tonen dat Descartes’ langdurige verblijf in Nederland er de oorzaak van was dat diens belangstelling begon te verschuiven van puur abstracte theorieën naar een meer empirische benadering. Hij stortte zich op biologisch en geneeskundig onderzoek en begon zich meer te concentreren op het verzamelen van feiten dan op het formuleren van speculatieve generalisaties. Deze verschuiving van prioriteiten is volgens Cook typerend voor wat er in Nederland, en in andere landen waar het handelskapitalisme wortel schoot, aan de hand was. De nieuwe wetenschappelijke benadering had alles te maken met de behoefte aan objectieve feiten en de overige waarden van een markteconomie.

In een recensie in Science (18 mei 2007) schreef Israel lovend over het boek van Cook, dat hij ziet als een zeer waardevolle aanvulling op zijn eigen werk. Zijn enige bezwaar was dat het boek ruimte laat voor de conclusie dat de ideeën van radicale filosofen er niet toe deden. Hierdoor kunnen neoconservatieve auteurs gemakkelijk roepen: zie je wel, al het goede komt voort uit de handel, de vrije markt, het kapitalisme; die hele Verlichting was van geen enkel belang.

Wie Cook daarentegen zorgvuldig leest, en daarnaast Israels boeken over de Verlichting én ook nog het werk van auteurs die meer op de lijn van Jorink zitten, krijgt echter een steeds breder, rijker en genuanceerder beeld van de wetenschappelijke en intellectuele ontwikkelingen in de zeventiende en achttiende eeuw. Het definitieve woord hierover is nog niet gesproken, en wie zich in de geschiedenis van het denken verdiept, realiseert zich natuurlijk dat dat ook nooit gesproken zal worden. Cooks boek is dus zeker niet overbodig, maar levert een waardevolle bijdrage aan dit eindeloze debat.