Film: ‘Cunningham’

Dans is wat het is

In de film over choreograaf Merce Cunningham ondergraaft regisseur Alla Kovgan de geijkte onderdelen van de kunstenaarsdocumentaire. Cunningham is ook een vernieuwende dansfilm. Het publiek gaat mee terug in de tijd.

Merce Cunningham in Changeling, 1957 © Richard Rutledge, courtesy of The Institute of Contemporary Art, Boston / Cherry Pickers Filmdistributie

De combinatie Merce Cunningham en 3D-film lijkt zo ongerijmd dat je er bij voorbaat vrolijk van wordt. Een bioscoopbezoek met een dieptebrilletje op associeer je met overweldigend filmisch spektakel, niet met een voorganger in moderne dans die de meest basale publieksverlangens ondergraaft. Aan verhalende dans deed Cunningham niet, en hoewel hij met technisch geschoolde dansers werkte, liet hij duizelingwekkende sprongen en zwierige pirouettes achterwege. Voor grootse en meeslepende emoties hoef je ook niet bij hem te zijn. Cunningham bevrijdde de dans juist van zijn taak om uitdrukking te geven aan innerlijke roerselen. Hij monteerde losse bewegingen achter elkaar, zonder een verbindende gevoelsstroom. Om afstand te nemen van zijn eigen smaak en voorkeuren gebruikte hij regelmatig het toeval (getrokken speelkaarten, opgegooide munten) om de volgorde van passen of sequenties te bepalen.

Dans is wat het is, was Cunninghams credo. Een lichaam dat in een ruimte beweegt. En dat zich bij voorkeur manifesteert in wijd uitgestrekte ledematen, elegante buigingen, koddig gehips of een staaltje achteruit wandelen. Waarbij de dansers, zelfs als ze elkaar optillen of ronddragen, ieder in hun eigen gedachten lijken te verkeren en hun verbintenis zich louter aftekent in groepspatronen en het samenvallen of echoën van bewegingen.

In zijn revolutionaire streven naar pure, autonome dans haalde de dwarse choreograaf zelfs een streep door de connectie van beweging en muziek. Er was wel muziek bij de voorstellingen van de Merce Cunningham Dance Company, maar die werd pas op de uitvoering bij de gerepeteerde passen gevoegd. Dat die met een stopwatch werden ingestudeerd, werd in de jaren vijftig in de danswereld als shockerend ervaren. Cunningham, die tot op hoge leeftijd – hij werd negentig – zelf op het podium stond, democratiseerde als een van de eersten de traditionele hiërarchie van een balletgezelschap; er waren bij hem geen sterren of solisten. En met de frontale organisatie van een choreografie maakte hij ook korte metten: er werd niet noemenswaardig richting de zaal gedanst. Voordat Merce Cunningham in de jaren zestig als dansvernieuwer werd omarmd, riepen zijn voorstellingen dan ook zo veel ongenoegen op dat het publiek hem en zijn dansers wel eens bekogelde met tomaten en eieren. ‘Ik hoopte dat er een appel bij zat’, horen we de aanstichter van de commotie in de film droogjes reageren, ‘I was hungry’.

Cunningham bestrijkt drie decennia uit de begintijd van de choreograaf en zijn rond 1950 geformeerde dansgroep. Indruk maakt hoe Cunningham en de kunstenaars met wie hij samenwerkte tegen de klippen op volhardden in dat waar zij in geloofden. Aanvankelijk zonder de erkenning van vakpers of toestromend publiek en zonder financiële middelen. ‘Wat wij deelden waren onze ideeën en onze armoede’, zegt beeldend kunstenaar Robert Rauschenberg, in die eerste decennia ontwerper van de kostuums en de decors, die weleens bestonden uit een greep uit een zak tweedehands kleding en een lukrake uitstalling van spullen die in het te bespelen theater werden aangetroffen.

Kovgans film is net zo dwars en radicaal als Cunninghams werk

Met historische zwart-witbeelden van repetities en uitvoeringen, geluidsopnamen van interviews, fragmenten uit brieven en aantekeningen uit de boeken die Cunningham uitbracht, roept regisseur Alla Kovgan de periode tussen 1942 en 1972 chronologisch tot leven. Ze eindigt haar film – waar ze zeven jaar aan werkte, vooral om de financiering rond te krijgen – op het moment dat de laatste danser van het eerste uur bij Cunningham is vertrokken en het verjongde gezelschap tot de gevestigde orde behoort. Geheel in stijl met haar hoofdpersoon ondergraaft de uit Rusland afkomstige Amerikaanse regisseur de geijkte onderdelen van de kunstenaarsdocumentaire. Verwacht geen bewonderende terugblikken van grote namen, zoals Bruce Springsteen en Eric Clapton in de recente documentaire over de legendarische popgroep The Band. Er zit geen enkele talking head in Kovgans film.

Er zijn dus ook geen danskenners die het werk van Cunningham in de tijd plaatsen. Verwacht ook geen smeuïge anekdotes over Merce Cunningham, die toch een behoorlijk vreemde snuiter was. Het meest romantische feit over Cunningham, zijn levenslange liefdesrelatie met componist en muziekvernieuwer John Cage, wordt door Kovgan niet expliciet genoemd. Dat hun nauwe verbond meer was dan een intensieve werkrelatie – Cage was van begin af aan betrokken bij Cunninghams groep en componeerde voor veel dansstukken de muziek – blijkt uit sfeervolle foto’s waar ze samen op staan, filmfragmenten waarop je ziet dat Cage mee was op de eerste tournees van de groep en uit een spaarzame brief waarin de mannen zich verlangend afvragen wanneer ze elkaar weer kunnen zien. Van Cage komen in de film de mooiste uitspraken voorbij over de vrijgevochten kunstopvatting die beide kunstenaars deelden. Kunst wordt meestal ingezet voor escapisme, stelt hij, als een middel om aan de dagelijkse chaos van het leven te ontsnappen. ‘Ik maak kunst die zo chaotisch en onlogisch is, dat de kijkers na afloop met plezier terugkeren naar het dagelijks leven.’ En over de afwijzing van kunst met een inhoudelijke boodschap: ‘I have nothing to say, and I am saying it.’

Verwacht geen bewonderende terugblikken in Cunningham © Cherry Pickers Filmdistributie

Over de jeugd van Cunningham vertelt Kovgans film helemaal niks. Zijn biografie begint bij zijn eerste solo. Daar zie je aan af wat een hypnotiserende danser hij was. Met een vreemd hoofdkapje op, zijn lichaam gehuld in een gestreepte bodysuit en op blote voeten gaat hij volkomen op in een buitenissige reeks losgekoppelde bewegingen. Hij heeft het majestueuze van een faun, een dansende bosgod, maar het vuur van de extase woedt bij hem volkomen vanbinnen. Zelfs Cunninghams voorgeschiedenis als danser blijft buiten beschouwing. Terwijl zijn afrekening met de emoties in de dans des te interessanter wordt in het besef dat hij daarvoor als sterdanser schitterde in het gezelschap van Martha Graham, de uitvindster van het dansexpressionisme die in uitgeleefd gevoel grossierde.

In dit opzicht is Kovgans film net zo dwars en radicaal als Cunninghams werk. De regisseur heeft ervoor gekozen om het werk van Cunningham voor zichzelf te laten spreken. Het is wat het is. Bijzonder is hoe ze, door op het historische materiaal te leunen, blijft bij de periode die zij belicht. Ze neemt het publiek mee terug in de tijd. Dat kan ook doordat er zoveel filmopnamen van Cunninghams werk bestaan, de choreograaf was al heel vroeg met film in de weer. En zijn dansstukken zijn bizar goed gedocumenteerd. Wat wonderlijk is voor iemand die het momentane van een individuele opvoering zo uitbuitte. En die de gewoonte had om stukjes van zijn choreografieën te remixen tot nieuwe gebeurtenissen. De website van de Merce Cunningham Trust is een professioneel uitgevoerd archief waar alle basischoreografieën in zijn opdracht zijn vastgelegd, met bewegend beeld uit een vroegere of latere periode en een verantwoording van de opgeslagen kostuums, foto’s of affiches. Blijkbaar hechtte Cuningham wel degelijk aan de precieze uitvoering van elke aparte creatie.

Mooi is hoe Kovgan ook het drama, dat wel degelijk in de film zit, in het historische materiaal voor zich laat spreken. In fragmenten uit het repetitielokaal zie je de dansers naar houvast zoeken die ze niet krijgen. Danseres Sandra Neels verzucht graag te willen weten wat een extreem vertraagde val die ze samen met Gus Solomon moet uitvoeren nou eigenlijk betekent. Maar als ze dat aan Cunningham zou vragen, zou hij weglopen of zeggen: dan doe je die val toch niet? Iemand buiten beeld, de maker van het filmpje misschien, zegt tegen Cunningham dat de dansers behoefte hebben aan meer communicatie. Met een ontwijkende lichaamshouding zegt de choreograaf dat hij de dansers ‘in een situatie brengt waarin ze zelf een beslissing moeten nemen’. Waarna hij zegt dat hij ‘naar boven moet’ en de dansers, die van de confrontatie getuige zijn, gefrustreerd achterlaat. Zonder er meer woorden aan te wijden, wordt hier helder dat de democratische gelijkwaardigheid waar Cunningham voorstander van was op gespannen voet stond met zijn exact uitgewerkte ideeën en zijn weigering om daar tekst en uitleg over te geven. Er wordt met bewondering gesproken over de ‘dierlijke autoriteit’ van de man die de meeste dansers als hun docent leerden kennen. Maar de afstandelijkheid in zijn choreografieën zijn ook een exponent van zijn gesloten karakter.

‘Er is veel liefde in dit gezelschap’, zegt een danseres, ‘maar Merce is niet in staat om daar uitdrukking aan te geven.’ En een ander: ‘Merce is een schilder. En wij zijn z’n schilderijen.’ Gaandeweg sluipt er een gevoel van eenzaamheid in de film, die benadrukt wordt in het dansstuk Second Hand uit 1970, waarin een grote groep dansers zich traag in paren formeert op een enkele, zich herhalende pianotoon van John Cage, terwijl één man op de achtergrond in z’n eentje blijft bewegen.

Dit zijn geen archiefbeelden. Het is een uitvoering in het heden, die door Kovgan opnieuw is verfilmd. En wel in 3D. In nauwe samenwerking met dansers die tot aan Cunninghams dood in 2009 deel uitmaakten van zijn gezelschap koos de regisseur fragmenten uit belangrijke werken, die door hen worden uitgevoerd. De zwart-witopnames van toen lopen over in die van de actuele hernemingen. Dit bevestigt de tijdloze kracht van het werk. Voor elk dansstuk koos Kovgan een gepaste locatie: zoals een dak van een New Yorks gebouw, een verlaten treintunnel, een zonovergoten park – de 3D-techniek vergroot de ruimtelijkheid van de choreografie, en de lichamelijke articulatie van de bewegende lichamen wordt tastbaar. De camera begeeft zich midden tussen de dansers en geeft zo uitdrukking aan Cunninghams opvatting van de dans als een autonoom ‘veld’ in plaats van een richting de zaal geordende show. Het is een zinnelijk genot om rond te dwalen in Summerspace, met dansers in pointillistische kostuums die exact hetzelfde zijn als de pointillistische achtergrond van Robert Rauschenberg. Of in de spiegelend zwarte ruimte van RainForest, die decorontwerper Andy Warhol bezaaide met zilverkleurige, kussenvormige heliumballonnen die de dansers in beweging brengen. Dit is spektakel dat een 3D-film rechtvaardigt, en het maakt Cunningham niet alleen een documentaire, maar ook een vernieuwende dansfilm.


Cunningham is nu te zien in de bioscoopen online via Picl, picl.nl