Holland Festival: Djino Alolo Sabin

Dans uit het land van kobalt

Djino Alolo Sabin danst met de vijf miljoen doden van de twee grote Congolese oorlogen in gedachten. ‘Ik heb geschreeuwd, van alles geschreven, ik heb alles gedaan voor die 45 minuten op het podium.’

Djino Alolo Sabin in Piki Piki © La Bellone Bruxelles

Toen Djino Alolo Sabin (1990) in maart 2018 vanuit Parijs naar de Congolese stad Kisangani reisde om een filmpje voor zijn nieuwe dansvoorstelling te maken, raakte hij verwikkeld in een woordenwisseling met zijn moeder. ‘Maar moeder’, vroeg Alolo, ‘is het omdat je zo professioneel in jouw vak was, dat je ook hebt geaccepteerd om ons te begraven?’ Want dat is wat zijn moeder haar hele leven deed: namens het Congolese Rode Kruis mensen begraven, slachtoffers van de tweede Afrikaanse oorlog die zich in Congo afspeelde. En dat is hoe opgroeien in het land, zonder een vader, voor Alolo voelde. Na de opnamen keerde Alolo terug naar Europa, om kort daarna te horen dat zijn moeder plotseling was overleden. In de voorstelling Piki Piki probeert hij haar een stem te geven.

Als het publiek de theaterzaal binnenloopt, staat Alolo stil. Zijn halve naakte lichaam (hij draagt alleen een strakke onderbroek) en zijn zwarte dreadlocks zijn volledig wit geverfd. Alleen zijn ogen zijn vrij van verf, waardoor het publiek snapt dat hier geen mummie of standbeeld voor hen staat, maar een mens van vlees en bloed, beklad met de afgebladderde verf van de muur van zijn ouderlijk huis, om te laten zien dat het verleden samenhangt met het heden.

Het is donker. Alolo’s gemummificeerde lichaam is alleen te zien dankzij de witte rook die zich door de zaal verspreidt. De stilte en het ongemak houden minstens vijf minuten aan. En dan klinkt opeens een monotoon geluid, een cadans van elektrische instrumenten waarin het basgeluid en de drum de leidende rol nemen. ‘De geschiedenis zal eens spreken, maar het zal niet de geschiedenis zijn die men in Brussel, Washington, Parijs of bij de Verenigde Naties zal onderwijzen, maar die men zal onderwijzen in de landen die bevrijd zijn van het kolonialisme en van zijn marionetten’, zegt een stem op de achtergrond.

Ik herken deze woorden, afkomstig uit de brief die Patrice Lumumba, de eerste onafhankelijk gekozen premier van de Democratische Republiek Congo, vanuit de gevangenis schreef. Zijn ambt, dat op 30 juni 1960 begon na de onafhankelijkheid van zijn land van België, zou niet langer dan tien weken duren. Mede vanwege de samenzwering van het Westen (België, de VS en Engeland) werd Lumumba uit zijn ambt gezet, in de gevangenis gestopt – waar hij slecht te eten kreeg en fysiek werd mishandeld – om later van het leven beroofd te worden. Georges Nzongola-Ntalaja, hoogleraar Afrikaanse studies, noemde de moord op Lumumba in The Guardian ‘de belangrijkste moord van de twintigste eeuw’. Vanuit de gevangenis, een paar dagen voordat hij vermoord zou worden, schreef Lumumba die beroemde brief aan zijn vrouw Pauline, waarin hij de hoop van Congo en Afrika koestert. ‘Afrika zal zijn eigen geschiedenis schrijven, en die zal in het noorden en het zuiden van de Sahara een geschiedenis van roem en waardigheid zijn’, zegt de stem op de achtergrond, terwijl de elektronische, monotone noten verder spelen. ‘Huil niet om me, mijn liefste. Ik weet dat mijn land, dat zo lijdt, zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheid zal kunnen verdedigen.’

Langzaam komt Alolo in beweging. De beat op de achtergrond doet zijn lichaam als een levenloze robot of skelet bewegen. Hij danst alsof hij in een strijd verkeert, een strijd waar zijn leven vanaf hangt. Hij danst om zijn lichaam los te rukken van de monsters van zijn verleden. Op een gegeven moment verdwijnt de lawaaiige muziek, en wordt het publiek geconfronteerd met het geluid van zijn dansende lichaam. Zijn tegen de grond botsende botten leveren pijnlijke muziek in de oren van het publiek. Zijn hijgende stem verstoort de heersende stilte in de zaal. Alolo vecht, want het verleden is groter dan hijzelf, hij moet leren om zich daartoe te verhouden. En dat levert een oneindig pijnlijke strijd. Als hij op een gegeven moment tegen de muur aan leunt, om tot rust te komen, klinkt opluchting in de zaal. Het publiek had duidelijk medelijden met hem.

Maar die pauze om op adem te komen blijkt van korte duur als Alolo een rood wurgtouw om zijn nek doet. Aan het touw hangen tientallen vellen papieren, met losse woorden in rode letters: Kabila Jr. Cobalt. Diamant. Or. Verwijzend naar de huidige president en drie van de vele natuurlijke grondstoffen waar Congo rijk aan is. iPhone, Samsung, verwijzend naar twee bekende merken die van kobalt afhankelijk zijn in de productieketen, terwijl het land volgens deskundigen juist aan een resource curse lijkt te lijden. fdlr, M23, rcd, verwijzend naar militaire groeperingen die betrokken waren bij de twee grote Congolese oorlogen (tussen 1996 en 2003), waarbij meer dan vijf miljoen mensen hun leven verloren en miljoenen anderen wees, weduwe of vluchteling werden.

Ook de naam van de wereldberoemde Congolese professor Ernest Wamba dia Wamba, die later een van die rebellengroeperingen ging leiden, passeert de revue op een van de witte papieren, hangend aan het touw rond Alolo’s nek. In 1997 kreeg Wamba, als historicus en politiek filosoof verbonden aan de Universiteit van Dar es Salaam, nog de prestigieuze Prins Claus Prijs uitgereikt in het paleis op de Dam, voor zijn ‘bijdrage in de ontwikkeling van de Afrikaanse filosofie, en voor het aanzwengelen van het filosofische debat over sociale en politieke vraagstukken in Afrika’. Een paar jaar later werd de gerespecteerde professor een rebellenleider. Zijn rebellengroep, gesteund door Rwanda en Oeganda, wordt tot op de dag van vandaag in Kisangani, Alolo’s geboortestad, vooral met oorlogstrauma’s geassocieerd. Inmiddels zetelt Wamba in de Congolese senaat en behoort hij tot de zogenaamde Congolese notabelen. Maar voor Alolo behoort de gerespecteerde professor in hetzelfde rijtje als Mobutu, Kabila Sr., Leopold II. Mannen die met hun grote ego’s en hebzucht Congo naar de rand van de afgrond hebben gebracht.

‘Congo alleen heeft mij niet vernietigd, het is mijn vader die het gedaan heeft’

‘Het zijn namen die ons hebben verwoest. Mensen met wie wij echt een appeltje te schillen hebben’, zegt Alolo een dag na de wereldpremière van zijn tweede solo-dansvoorstelling, Piki Piki, in een hotel in het centrum van Brussel. Ook het woord ‘Papa’ stond op een van de witte papieren, juist omdat Alolo niet alleen maar vecht met het abstracte verleden of de geopolitieke verhoudingen. ‘Tussen die problematische namen zit mijn vader. Congo alleen heeft mij niet vernietigd, het is mijn vader die het gedaan heeft. Maar op zijn beurt is mijn vader ook vernietigd, want Congo heeft zijn vader van hem ontnomen. Het heeft ook mij bijna ontnomen. Ik behoor tot een generatie die zegt: stop, tot hier en niet verder. In zijn brief schrijft Lumumba: “Je zult mijn kinderen vertellen dat ik vijftig jaar te vroeg ben gekomen.” Als je de berekening maakt, is die brief aan onze generatie gericht.’

In zijn dans draait Alolo tientallen keren met het wurgtouw om zijn nek rondom deze papieren. Hij laat zich door de geopolitieke realiteit en de pijnlijke geschiedenis als het ware kleden, om zich daarna weer uit te kleden. Dat herhaalt hij een paar keer. De zware elektronische muziek doet zijn werk. Alolo verkeert weer in een nieuwe strijd. Dansend denkt hij aan de bommen die op zijn stad werden gegooid toen hij tien jaar oud was. En aan kinderen die zonder vaders en opa’s eindigden.

‘Het verhaal van Piki Piki is een strijd die door meerdere generaties in mijn familie is gevoerd. Dat ik van mijn hele familie degene ben die zo ver is gekomen, en dit verhaal op een wereldpodium mag vertellen, maakt mij blij, en het levert veel sensatie op’, vertelt Alolo in Brussel. Hij was niet alleen moe van het dansen, maar ook van het wachten. ‘Zelfs voordat ik aan die moeizame dans begon, was ik al moe. Ik heb heel lang op dit moment gewacht, mijn hele leven. In mijn wijk in Kisangani heb ik lang naar een manier gezocht om dit verhaal te vertellen. Ik heb alle mogelijkheden uitgezocht, op alle deuren geklopt, ik heb geschreeuwd, van alles geschreven, ik heb alles gedaan voor die 45 minuten op het podium.’

Onverwachts ging een deur open, zijn geschreeuw was gehoord. In 2008 werd zijn dansgezelschap Bad Boyz, tweemaal uitgeroepen tot beste dansgroep van Kisangani, ontdekt door de gerenommeerde Congolese choreograaf, theatermaker en danser Faustin Linyekula. In Linyekula’s studio Kabako kreeg Alolo vijf jaar lang trainingen en workshops in hedendaagse dans, terwijl hij psychologie en rechten studeerde aan de Universiteit van Kisangani. Ondertussen danste hij op internationale podia, ook in Nederland, maakte hij zijn eerste dansvoorstelling in de studio Kabako en verhuisde hij naar Frankrijk. Piki Piki is zijn tweede dansvoorstelling en dankzij het vertrouwen van Linyekula, die dit jaar samen met de Zuid-Afrikaanse William Kentridge als associate artist aan het Holland Festival is verbonden, kan hij deze op het festival uitvoeren.

Het wurgtouw gaat af. De papieren met omstreden figuren zijn verscheurd. Alolo rijst op, als een overwinnaar. De dramatische muziek stopt, ervoor in de plaats komt een rustgevende Congolese melodie, gemaakt met een elektrische gitaar. ‘Artikel 244 van het Congolese familierecht stelt dat de man het hoofd van het gezin is en zijn vrouw moet beschermen. In ruil daarvoor moet zij hem gehoorzamen’, zegt Alolo, die nu ook een stem krijgt en feministische teksten gaat prediken. Hij beschouwt de onderdrukking van de Congolese vrouw als de ultieme vorm van achteruitgang. ‘Mijn moeder is gestorven zonder in haar hele leven over een smartphone te hebben beschikt, zij die uit het land van kobalt komt.’

Het witte licht wordt geel, waardoor Alolo voor het eerst een menselijk gezicht krijgt. Met een beamer wordt een filmpje van Alolo’s moeder geprojecteerd. Het is drie maanden voordat zij overleed opgenomen. Ze zit op een stoel en draagt een wit hesje met een rood kruis. ‘Croix Rouge de République Démocratique du Congo’. ‘Voor mij laat het filmpje aan de rest van de wereld zien wat de politiek voor bullshit heeft veroorzaakt in Lubumbashi’, legt Alolo later uit. ‘Tijdens die grote oorlogen verloren wij kinderen, mannen en vrouwen. Al deze mensen werden door mijn moeder begraven.’

Het filmpje is voor hem een moment van getuigenis van die geschiedenis én een stem voor zijn moeder. Met een bos bloemen loopt hij het podium op. Om eer aan zijn moeder en de Congolese vrouw te betonen. Om in het openbaar te rouwen, op een wereldpodium.


Piki Piki van Djino Alolo Sabin is op 3 en 4 juni te zien in Frascati; hollandfestival.nl