De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk naar de live-uitzending

Dansen in het duister

Ik dacht dat de ruimte ophield bij de zwarte muur, dat er verder niets meer was, maar toen raakte ik de muur aan en als in een droom viel mijn hand er dwars doorheen. Voorzichtig stapte ik het parallelle universum van donkerte binnen.

Het gebrek aan licht leek de zwaartekracht te verhevigen. Mijn ledematen werden zwaar, mijn lichaam voelde kwetsbaar en uit balans – binnen een paar seconden was ik veranderd in een blinde oude vrouw. Heel langzaam schuifelde ik voort. Bewegen is beter dan stilstaan, tot zo ver reikte mijn overlevingsinstinct ongeveer, al had ik tegelijk de aandrang op de grond te gaan liggen, opgerold tot een balletje, een egel op de snelweg. Toen ik drie was dacht ik op te houden met bestaan als ik mijn vuisten maar hard genoeg in mijn ogen drukte. Die gedachte ben ik nooit helemaal ontgroeid.

Toen begon het neuriën, heel subtiel, ergens ver weg. Al gauw kwam het neuriën van meerdere plekken, helder en etherisch, het soort soundtrack dat ze in Hollywood gebruiken bij beelden van scheepswrakken en verzonken beschavingen. Ik bleef staan om te luisteren. Plotseling was het geluid nog maar een centimeter van mijn oor verwijderd, iemand moest heel dicht bij me staan nu, ik voelde warmte en kleine trillingen in de lucht, maar waagde het niet mijn arm uit te steken. Het neuriën veranderde in beatboxen en toen in zingen, van alle kanten werd ik erdoor omringd, en even geloofde ik dat ik in een vis was veranderd, een heel klein visje tussen duizenden andere vissen die in een machtige delegatie door de pikdonkere oceaan zwommen. Baby, if you strip, you can get a tip, zongen de vissen om me heen, en het klonk als iets wat in het Hooglied had kunnen staan. Toen pakte iemand me zachtjes bij mijn heupen. We dansten in het duister, en –

(Dat het overweldigend was, wilde ik schrijven. Angstaanjagend. Ontroerend. Opwindend. Al die woorden die een gebrek aan woorden verbloemen. Groots. Aangrijpend. Uniek. Wat is schrijven soms een armoedige, tweederangs bezigheid.)

Wat is schrijven soms een armoedige, tweederangs bezigheid

Pas na een hele tijd begon ik dingen te ontwaren. Ik zag de contouren van de zangers, hoe ze door de ruimte dansten, de ruimte zelf, die alsnog kleiner, of althans minder oneindig, was dan ik vermoedde. Ik zag nieuwe bezoekers binnenstruikelen, blind zoals ik even daarvoor was geweest, in zalige onwetendheid van wat er zich zou ontvouwen. En ik wist: ik had iets meegemaakt (een ‘profound experience of art’ zoals Ben Lerners protagonist uit Leaving the Atocha Station dat zou noemen) wat ik nooit meer opnieuw op deze manier kon meemaken. Wie het licht heeft gezien, kan zich niet meer voorstellen dat het ooit donker was.

Het leven presenteert zich graag als een aaneenschakeling van herhaalde gebeurtenissen – ik vind het alleen al duizelingwekkend om te bedenken dat mijn oma, bijvoorbeeld, al 93 jaar onophoudelijk in en uit ademt – en meestal komen we er pas veel later achter dat bepaalde dingen onherhaalbaar waren, eenmalig, nooit meer over te doen. Willeke Alberti, wier liedjes me als kind aan het huilen maakten van ontroering, zong het al in de jaren zestig: ‘Ik heb alleen nog wat foto’s/ en die zeggen ’t me weer/ ’t Is voorbij, m’n eerste baljurk/ Die draag ik niet meer’.

Buiten, in de zon, na afloop van de performance – het was er een van de Duits/Engelse situatiekunstenaar Tino Sehgal – moest ik denken aan Jeffrey Eugenides’ roman The Marriage Plot. Dat boek speelt zich af aan het begin van de jaren tachtig, een tijd waarin de Franse deconstructietheorie overwaaide naar de letterenfaculteiten van Amerikaanse universiteiten. De jonge studente Madeleine krijgt al die theorie te verstouwen, en dat is van grote invloed op haar persoonlijke leven.

Eén boek in het bijzonder: Fragments d’un discours amoureux (‘Uit de taal van een verliefde’) van semioticus Roland Barthes, waarin hij verliefdheid tot op het bot deconstrueert. De verliefde, stelt Barthes, zit hopeloos verstrikt in de taal van de verliefdheid, in bedachte woorden, codes en clichés. Zijn verlangen is niet authentiek, maar geprefabriceerd. En dan schrijft hij iets wat grote indruk maakt op Madeleine: als de verliefde eenmaal één keer ‘ik hou van je’ heeft gezegd, is het opgebruikt. Alle keren daarna zijn betekenisloos: ze verwijzen niet naar de liefde, maar uitsluitend naar zichzelf, als herhaalde uitspraak.

Ik heb het boek van Barthes niet bij de hand, ik weet niet hoe het er precies staat, maar dat gegeven van het onherhaalbare ‘ik hou van je’ heb ik altijd onthouden. Of ik het er mee eens of oneens moet zijn, daar kom ik niet uit. Maar wat me erin aantrekt is die ene mogelijkheid van de allereerste keer, om het iets te laten betekenen. Eigenlijk heel on-poststructuralistisch van Barthes om te geloven in zoiets eenmaligs en unieks. Misschien koesterde hij zo zijn eigen donkere ruimte, waar hij, onaangedaan door de banaliteiten van de taal, op de tast zocht naar iemand om mee te dansen.