Beeldende kunst - Tino Sehgal

Dansen met bruce en dan

Tino Sehgal is een kunstenaar die hecht aan regels. In zijn performances staat sociale interactie centraal, maar dat betekent niet dat ze ook toegankelijk zijn. In het Stedelijk Museum is zijn werk een jaar lang live aanwezig.

Medium tinoseghal

Tergend langzaam bewegen haar armen en benen zich over de vloer. Ze strekken zich uit en trekken zich in, als het lijf van een rups, tot ze op haar zij rolt. De vrouw draagt een wijde zwarte broek, een groene trui en suède enkellaarzen, waarvan zich op neus en hak al kale plekken beginnen af te tekenen. In een volgende draai vegen haar bruine, krullende haren over de houten vloer en ook haar gezicht schuift vol overgave over de grond, waarbij ze ervoor zorgt dat haar lippen net onaangeraakt blijven.

De vertraagde bewegingen houden het lichaam gevangen in een hoek van de verder lege museumzaal. Een bordje aan de muur vermeldt de naam van kunstenaar Tino Sehgal en de titel Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things (2000), aangekocht door het museum in 2005. De vertoning doet denken aan het atelier van Katja Novitskova op de Rijksakademie, waar de vloer bezaaid lag met door batterijen aangedreven wipstoeltjes, mobielen en plastic beesten. Draaiend in cirkels, in steeds dezelfde loop, gedraagt deze vrouw zich als een levenloos object.

Performancekunst neemt vaste vormen aan in de gevestigde kunstwereld. Geen vernissage lijkt nog zonder te kunnen, op biënnales bestiert ‘immateriële’ kunst landenpaviljoens en zelfs naast de Zwitserse kunstbeurs Art Basel was een hal ingericht met performancekunst, genaamd ‘14 Rooms’. Veertien deuren boden hier toegang tot kleine kamers waarin een intieme performance plaatsvond. Georganiseerd door curatoren Hans Ulrich Obrist en Klaus Biesenbach begon de tentoonstelling in 2011 als ‘11 Rooms’ en in 2015 is een editie met vijftien kamers te verwachten. Obrist stelt dat het hier eigenlijk niet om ‘performances’ gaat: een optreden veronderstelt een begin en een eind terwijl deze kunstwerken voortdurend in de kamers aanwezig zijn. In ieder geval tijdens de openingsuren, en daarmee niet minder aanwezig dan de schilderijen aan de muren van het Louvre.

Achter de eerste deur trof ik twee mannen, galeriehouders zo bleek, verwikkeld in een gesprek over het werk van een kunstenaar die ze allebei in hun galerie representeren: Tino Sehgal. Om beurten spraken ze één woord en pingpongend door de kamer construeerden ze zo een complexe dialoog, waarbij de concurrenten elkaar opzadelden met onmogelijke zinswendingen.

Het werk van de Duits-Britse Sehgal (1976) is sowieso lastig te omschrijven. Na een carrière in dans en een studie politieke economie kwam Sehgal tot het idee voor een vorm van kunst die aan het fysieke object voorbijgaat. De materiële kern van ons bestaan is niet logisch, vindt hij, en bovendien onwenselijk. Er zijn te veel spullen in deze wereld – Sehgal mijdt vliegtuigen, een reis naar de Verenigde Staten gebeurt per boot – en in de beeldende kunst vond hij de mogelijkheid om productie te laten samenvallen met niet-productie, om het innemen van een ruimte gemakkelijk weer ongedaan te maken, zonder sporen. Die belichaming van immaterialiteit manifesteert zich in de vorm van performers die hij interpreters, vertolkers, noemt en die ‘situaties’ opwerpen die steeds weer kunnen plaatsvinden, omdat ze in de basis gescript zijn. De woordenstrijd tussen de galeriehouders (This Is Competition) was al tien jaar oud, maar werd in Basel weer geactiveerd in een ruimte die musea ontberen.

Het is onbetaalbaar voor musea om een theater draaiende te houden, maar het Stedelijk Museum gaat die uitdaging nu aan. Als eerste museum organiseert het een retrospectief rond het oeuvre van Sehgal, een overzicht waarin niet wordt teruggekeken maar dat zich voor je ogen voltrekt, met iedere maand een ander werk als permanente aanwezigheid in het gebouw. Gedurende het jaar zullen de situaties in intensiteit aanzwellen, met meer vertolkers en meer interactie, om in het najaar weer langzaam af te zwakken en op 1 januari 2016 te zijn verdwenen.

Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things is het eerste kunstwerk dat Sehgal maakte. De choreografie van het kronkelende lichaam op de vloer destilleerde hij uit bewegingen die kunstenaars Bruce Nauman en Dan Graham in de jaren zestig op video vastlegden. De videocamera als drager gold toen als experimenteel, nu draagt iedereen een camera bij zich en haalt Sehgal de bewegingen ‘terug’ uit de materiële sfeer, door ze weer los te laten in de realiteit.

De kunstenaar speelt zijn spel met de bezoekers maar weigert de regels te delen

Sehgal leerde wel van de conceptuele kunstenaars. Hij zag hoe hun happenings een gebeurtenis in tijd en plaats moesten markeren, maar voort bleven bestaan in de documentatie die ze nalieten. Videoregistraties, posters en catalogi belandden als relieken in vitrinekasten en als kunstwerken in collecties. Zijn eigen situaties mogen dus op geen enkele manier een vaste vorm aannemen. Niet als foto, niet in een catalogus en zelfs niet als zaaltekst. Openingen van zijn tentoonstellingen in galeries en musea gaan geruisloos voorbij. In het handboek van Documenta 13 verwijst de index naar Sehgal op pagina 438, maar springt de nummering van 436 naar 440. Zelfs aan de verkoop van zijn werk, voor vergelijkbare bedragen als tastbare kunst, komt geen pen en papier te pas. Kunstenaar, galeriehouder en koper komen samen, Sehgal omschrijft zijn te koop aangeboden situatie tot in details, een notaris herhaalt zijn woorden en de overige aanwezigen moeten goed onthouden. Afrekenen gebeurt overigens wel in harde valuta.

De zero-emissiepraktijk van Sehgal maakt zijn oeuvre prachtig kwetsbaar, en ongekend verheven. Kwetsbaar als een kettingbrief, volledig afhankelijk van de wil om door te geven. Verheven in een bestaan in de herinneringen van degenen die het hebben gezien, van degenen die het hebben gehoord. Wie niet in Kassel, Londen, Venetië, New York en Basel was, heeft iets gemist. Geen zaaltekst die je bij zal praten.

Het enige tastbare bewijs dat van het werk overblijft zijn beschrijvingen, persoonlijke ervaringen van vaak lyrische critici. Holland Cotter beschreef in The New York Times zijn deelname aan This Progress (2010), de wandeling door de rotunda van het Guggenheim waarbij bezoekers met vertolkers kletsten over het concept ‘progressie’. Met Tom had hij gesproken over het bestaan van dinosaurussen en met Bob over een aanhoudende nostalgie naar het communisme in Bulgarije. ‘And it really is addictive’, schreef Cotter, ‘I was primed to go back for more.’ Adrian Searle deelde in The Guardian zijn ervaring van These Associations (2012), het werk in Tate Modern waarbij zeventig vertolkers zich als een zwerm bijen door de Turbine Hall verplaatsten, liedjes zongen en met bezoekers persoonlijke anekdotes deelden. Searle sprak een vrouw over een verloren liefde en een man over een boek dat zijn leven had veranderd. ‘I could barely drag myself away to write this, and I cannot wait to get back.’ Het was een feest om niet te missen.

Zelf stond ik erbij en keek ernaar. In een aardedonker vertrek op Documenta 13 naar de bewegingen van vertolkers die flarden van opgevangen gesprekken nazongen en in canon Good Vibrations opvoerden. Op de Biënnale van Venetië naar jongens en meisjes die ritmisch hummend op de vloer zaten. De poëzie van die momenten ging keer op keer aan mij voorbij. Voor een oeuvre dat uit louter vertolkers bestaat, is het hopeloos in zichzelf gekeerd. De kunstenaar speelt zijn spel met de bezoekers maar weigert de regels te delen, om ruimte te laten voor een unieke ervaring, voor het toeval van interactie. Maar een toeval dat staat of valt bij een eigen inbreng kan niet altijd verrassen. Iedere ontmoeting met een Sehgal voelde als een gemiste kans, en nog nooit zo sterk als bij het eerste werk van het jaar in het Stedelijk.

Bij mijn volgende bezoek aan Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things droeg de vrouw een spijkerbroek, een grijze trui en gympen. Haar haar was blond maar net zo lang als de vorige keer en ook de loop bleef ongewijzigd statisch, al voerde ze de bewegingen iets gehaaster uit. Het maakt niet uit of je dicht bij of op afstand van het kunstwerk staat – het is zinloos om betekenis toe te kennen aan details die voortkomen uit willekeur, tenzij die willekeur in het oog springend is. En dat is die hier niet. Onafgebroken boog, strekte en rolde het lichaam over de vloer. Curator en vriend van de kunstenaar Jens Hoffmann formuleerde dat in een profiel in The New Yorker als iets positiefs: ‘Het interessante van Tino’s werk is dat het volledig hermetisch is. Het is onmogelijk om loopholes te vinden – het is compleet uitgedacht.’ Zonder ingang heerst allereerst een afstand. Wie na lang turen op het titelbordje dacht ten minste twee typfouten te hebben ontdekt, te weten ‘bruce’ en ‘dan’, was niet de enige.

Veel recente performancekunst manifesteert zich als platform voor een fysieke, sociale interactie, zo viel ook op in de veertien kamers in Basel. Achter de deur tegenover This Is Competition was een werk van Roman Ondák gaande. Een man achter een tafel liet een Swatch-horloge door zijn vingers gaan. Of wij het mooi vonden, en zo ja of we het misschien wilden hebben? Hij daagde iedereen uit in broekzakken en tassen te zoeken naar iets om mee te ruilen. Een vrouw wist te overtuigen met een gum in de vorm van een kikker, de kikker ging weg voor een zonnebril, er kwamen twintig Zwitserse franken op tafel, een tegoedbon van een stomerij en uiteindelijk een chique visitekaartje bedrukt met groene inkt, ingelegd door iemand die zojuist netwerkte met de directeur van het Guangdong Museum of Art. Ik bood twee entreekaarten voor de openingsavond van Art Basel, met een waarde van samen negentig euro. Een man gekleed in pak haalde er de riem voor uit zijn broek, de Chinese museumdirecteur bleek over een hotmailadres te beschikken. Swap (2011) kent zijn eigen dynamiek, over het toekennen van waarde aan spullen en aan ideeën en over de rol van eigen inbreng. Tegelijkertijd is het een helder voorbeeld van intieme uitwisseling, in een soms verstikkend kleine kunstwereld.

Een deur verderop werd overigens een werk van Bruce Nauman opgevoerd. In Wall/Floor Positions nam een performer 28 posities aan, afkomstig uit Naumans videomateriaal met dezelfde titel uit 1968. Een exacte kopie van het oorspronkelijke materiaal, dat was de opdracht van de kunstenaar, en daar hoefde niemand mysterieus over te doen.


A Year at the Stedelijk – Tino Sehgal, 2015, Stedelijk Museum Amsterdam, stedelijk.nl


Beeld: (1) Bruce Nauman, Wall/Floor Positions. Een performer neemt 28 posities aan, afkomstig uit Naumans videomateriaal met dezelfde titel uit 1968. Art Basel, 14 Rooms (Fondation Beyeler, Art Basel, Theater Basel, 2014 / MCH Messe Schw eiz (Basel) AG)