Hoe gevaarlijk is het nucleaire programma van Iran?

Dansen met de Iraanse wolf

Wat zijn de motieven voor het Iraanse nucleaire programma, hoe gevaarlijk is het en wat valt eraan te doen? Deze vragen zullen nog jaren op de internationale agenda prijken. Reden om er de antwoorden bij te zoeken, zodat we weten waar we aan toe zijn.

De man met wie het Iraanse nucleaire programma begon was Sjah Mohammed Pahlewi, een megalomaan met verreikende ambities die ogenschijnlijk werd gedreven door twee overwegingen. De eerste was zijn vrees dat zijn land Iran spoedig door de olie heen zou zijn, die zijn voornaamste en praktisch enige bron van inkomsten vormde. De tweede was angst voor zijn buurland, de Sovjet-Unie, die in de jaren zeventig op het toppunt van zijn macht stond en zijn oog leek te laten vallen op de Perzische Golf.

Het was het tijdperk van de energiecrisis, toen elke leunstoelstrateeg nijver plannen ontwierp voor het onderbreken (of veiligstellen, al naar gelang) van de aanvoer van voorraden door de Straat van Hormoez. Het was ook de tijd waarin Washington, zoals later bleek ten onrechte, Iran beschouwde als een trouwe vazal die een verdere stijging van de olieprijzen zou voorkomen. Het was van belang om Sjahanasjah, de Koning der Koningen zoals hij zichzelf noemde, vrolijk te stemmen. Vandaar dat de Verenigde Staten hun verontrusting over het Iraanse nucleaire programma, als ze die al hadden, beslist niet aan de grote klok hingen. Onder degenen die er hun ogen voor sloten waren Donald Rumsfeld en Richard Cheney, destijds respectievelijk minister van Defensie en stafchef van het Witte Huis onder president Gerald Ford.

De vorderingen van het Iraanse nucleaire programma waren echter traag. Dat kwam niet doordat er geen goede Iraanse atoomwetenschappers waren. Wat Iran niet had en nog steeds niet heeft, is een goede technische infrastructuur, een die in staat is laboratoriumexperimenten efficiënt om te zetten in een functionerende industriële organisatie. Daar komt bij dat het toenmalige programma werd onderbroken door de Islamitische Revolutie en de Iraans-Iraakse oorlog. De eerste resulteerde in de migratie van veel wetenschappers en algehele desoriëntatie. De tweede veroorzaakte een tekort aan fondsen, te meer omdat de olieprijzen na een piek in 1980-81 begonnen te dalen. Nadat de oorlog in 1989 was beëindigd, toonden Irans islamitische heersers enige belangstelling voor hervatting van het programma, maar opnieuw waren de vorderingen traag. Sinds 1991-92 waarschuwden westerse inlichtingendiensten jaar na jaar dat Iran, indien niet gehinderd, binnen drie tot vijf jaar over de bom zou beschikken. Keer op keer bleken die «verwachtingen» ongegrond te zijn. Sommige werden op de stunteligste manieren in elkaar gezet en waren niet meer dan opgewarmde krantenartikelen. Andere leken te zijn ingegeven door politieke overwegingen in Washington, Jeruzalem en andere belanghebbende hoofdsteden. Het is zeker denkbaar dat de reden voor de vertragingen was gelegen in de industriële onderontwikkeling van Iran. Een waarschijnlijker reden was het ontbreken van een echte bedreiging, gegeven het feit dat Irak was verslagen, met dank aan George H. Bush, en dat de Sovjet-Unie niet meer bestond.

In 2001-2003 veranderde de situatie opnieuw. Hoewel de betrekkingen tussen de Verenigde Staten en de mullahs altijd buitengewoon slecht waren geweest, waren de enige Amerikaanse legeronderdelen waarmee Iran rechtstreeks geconfronteerd werd die in Saoedi-Arabië en de Perzische Golf. Nu zorgden het bondgenootschap tussen Washington en verschillende Centraal-Aziatische republieken plus de bezetting van Afghanistan en Irak ervoor dat Iran aan alle kanten werd omsingeld. Hoewel de Amerikaanse strijdmachten in kwestie niet allemaal kernwapens bij zich droegen, weet eenieder met enige kennis van de wijze waarop deze onderdelen opereren dat zij zeer snel daarmee zouden kunnen worden uitgerust. Wat de val van Saddam verder ook betekend mag hebben, voor Teheran was hij in elk geval een aanschouwelijke les in hoe ver de VS bereid waren te gaan tegen veronderstelde vijanden. Zelfs tot het verzinnen van niet-bestaande dreigingen, het vervreemden van vrienden of het voeren van aanvalsoorlogen die de spot drijven met alle internationale normen.

Om die redenen lijkt het Iraanse besluit om door te gaan met het nucleaire programma – op zo’n manier dat het zou kunnen (maar niet beslist moeten) uitmonden in de productie van een bom – vanzelfsprekend. Maar hoe gevaarlijk is dat programma, vooropgesteld dat het vrucht draagt, voor de rest van de wereld? Het antwoord hangt af van hoe ver de stoel van de vraagsteller verwijderd is van de plaats van handeling. De landen die de grootste reden tot zorg hebben om een nucleair Iran zijn wellicht de landen rond de Perzische Golf. Zij kunnen het slachtoffer worden, zoniet van een daadwerkelijk nucleair bombardement, dan toch van nucleaire chantage. Hun enige verweer hiertegen zou een garantie van de VS zijn. In het verleden hebben zulke garanties West-Europa uit handen van de Sovjet-Unie en Taiwan uit Chinese handen gehouden; dus is er reden om te geloven dat ze in de Golf ook afdoende zullen zijn.

Vervolgens Israël. In de loop der jaren hebben de islamitische heersers van Iran herhaaldelijk Israëls bestaansrecht ontkend. In de praktijk zijn hun pogingen om dat ideaal te verwezenlijken beperkt gebleven tot steun aan Hezbollah. Hezbollah is een Libanese terroristische organisatie bestaande uit sjiïtische moslims en dus verwant aan Teheran. Zij heeft evenwel zelden sabotageacties uitgevoerd buiten het Midden-Oosten. Nadat de Israëlische troepen in 2000 Libanon verlieten, namen haar activiteiten af. Ook de steun die de beweging ontving, nam af. In Iran heeft het verketteren van de «zionistische entiteit» er altijd toe gediend de aandacht af te leiden van binnenlandse problemen als armoede en corruptie.

Daarbij komt dat Israël voor zichzelf kan zorgen. Volgens goede informatiebronnen be schikt dat land over enige honderden atoomkoppen van diverse types en afmetingen. Volgens diezelfde bronnen is Israël al in de jaren tachtig begonnen met het plaatsen van landdoelraketten die Teheran kunnen bereiken. Sindsdien zijn die raketten aangevuld met F15I’s – formidabele gevechtsvliegtuigen die naar Iran en terug kunnen vliegen zonder in de lucht bij te tanken – alsmede drie in Duitsland gebouwde onderzeeërs waarvan algemeen wordt aangenomen dat ze kruisraketten aan boord hebben. Daarentegen lijkt het enige bekende Iraanse luchtwapen dat Israël kan bereiken, de Shahab III-raket, telkens wanneer die in het openbaar wordt vertoond iets anders gebouwd te zijn. Het wapen is klaarblijkelijk nog niet helemaal operationeel. En mocht het in de komende jaren operationeel worden, dan nog zou het afschieten ervan op Tel Aviv gelijk staan aan zelfmoord.

Wat van toepassing is op Israël is a fortiori van toepassing op Europa en de Verenigde Staten. Westerse inlichtingendiensten spreken al enige tijd van Iraanse raketten – de Shahab IV en V – die de betrokken landen zouden kunnen bereiken. Maar tot nog toe blijken ze even denkbeeldig te zijn als Saddams massavernietigingswapens. Zelfs als ze op een dag blijken te bestaan, valt moeilijk in te zien hoe, gegeven het indrukwekkende Amerikaanse arsenaal (en dat van de Franse en Britse atoomonderzeeërs die elk afzonderlijk in staat zijn om Iran in een radioactieve woestenij te veranderen), ze kunnen worden gebruikt om iemand aan te vallen. In werkelijkheid is het historische verloop van de laatste zestig jaar een aanwijzing dat de uitkomst wel eens precies tegenovergesteld zou kunnen zijn. Denk aan de VS en de Sovjet-Unie, de Sovjet-Unie en China, China en India, India en Pakistan. De les is zonneklaar. Op straffe van vernietiging moest elk land dat de hand wist te leggen op atoomwapens ervan afzien oorlog te voeren tegen andere landen met soortgelijke bewapening.

Blijft over de kans dat Iraanse atoomwapens te eniger tijd ofwel opzettelijk ofwel per ongeluk in handen van terroristen zullen vallen. De vrees dat dit zal gebeuren is al meer dan twee decennia het voornaamste argument van Washington tegen nucleaire proliferatie, maar ook al meer dan twee decennia is het niet eenmaal gebeurd. Het argument is bovendien niet sluitend. Om te beginnen laten terroristen zich per definitie niet in de hand houden, zodat een staatshoofd dat hun nucleaire wapens in handen speelt wel krankzinnig zou moeten zijn. Voorts is het goed te bedenken dat de VS zelf meer atoomwapens hebben dan alle andere landen samen en dat hun arsenaal verspreid is over honderden bases rond de wereld. Hoe beter verspreid de wapens zijn en hoe groter hun aantal is, des te groter is de kans dat enkele ervan worden gestolen of vermist. Als het doel van nucleaire ontwapening het voorkomen van diefstal of ongeautoriseerd gebruik is, zou de aangewezen plaats om hiermee een begin te maken niet Teheran maar Washington D.C. zijn.

Ten slotte de vraag wat er moet gebeuren. De Iraanse maatschappij is nog altijd diep verdeeld langs etnische lijnen en tussen fundamentalisten en modernisten. Evengoed zijn de meeste Iraniërs trots op hun land. Ze zijn zich bewust van zijn expansieve voorgeschiedenis en ze zijn erop gebrand die te behouden. Harde onderhandelingen en bedreigingen zijn niet bij machte om zeventig miljoen mensen af te schrikken of hen te dwingen hun nucleaire programma op te geven, te meer daar het naar hun idee valt binnen de grenzen van het non-proliferatieverdrag dat Iran heeft ondertekend. Als ze al iets bereiken, is het een hechtere band tussen Iraniërs onderling en tussen hen en hun leiders.

Als het gaat om militair ingrijpen kent de geschiedenis maar één succesvolle operatie om een einde te maken aan het nucleaire programma van een land, namelijk de Israëlische aanval op een Iraakse kernreactor in 1981. Zoals veel Israëlische operaties was deze briljant. Allereerst bracht inlichtingenwerk de precieze locatie van de reactor aan het licht, de vordering van de bouw, en zelfs de dagen waarop de in de reactor werkzame (Franse) ingenieurs vrijaf zouden hebben en derhalve ongedeerd zouden blijven wanneer de bommen vielen. Planning en uitvoering waren geniaal. De jachtbommenwerpers bleven gedurende een vlucht van honderden kilometers onopgemerkt, sloegen met maximale precisie toe en keerden zonder verliezen terug. De operatie bracht Saddams nucleaire programma een fatale slag toe waarvan het ondanks alle pogingen om opnieuw te beginnen nooit is hersteld. Opmerkelijk genoeg veroordeelden de meeste hoofdsteden van de wereld de aanval als «roekeloos» en «een gevaar voor de wereldvrede». De regering-Reagan ging zo ver de aanvullende levering van gevechtsvliegtuigen aan Jeruzalem te staken, hoewel zijn woordvoerders achter de schermen een heel andere toon aansloegen.

Hoewel de Verenigde Staten beschikken over de vereiste militaire bases en mogelijkheden is hun slaagkans een stuk kleiner. Het doorslaggevende element in de Israëlische operatie was de verrassing. Als Washington iets soortgelijks zou proberen, zou het dat voordeel niet hebben. Bovendien is Iran niet Irak. Het Iraanse nucleaire programma is verspreid over meerdere, volgens sommigen tientallen, verschillende locaties. Sommige daarvan zijn bekend, andere waarschijnlijk niet. Alleen het in kaart brengen ervan, om maar te zwijgen van het vaststellen van hun onderlinge samenhang en de vraag welke van essentieel belang zijn, zal een formidabele opgave zijn. Veel bekende installaties staan dicht bij bevolkingscentra en andere zijn diep onder de grond gevestigd. Anders dan de Iraakse reactor zijn die niet uit te schakelen door een enkel eskader jachtbommenwerpers.

Zelfs als we ervan uitgaan dat de vereiste inlichtingen kunnen worden verkregen, beschikken de VS over maar één haalbare optie, te weten het gebruik van zogeheten mini-nukes. In 2002 besteedde de Nationale Veiligheidsdoctrine van de regering-Bush aandacht aan het gebruik van dergelijke wapens tegen landen die zelf geen atoomwapens hadden; sedertdien heeft het Congres ingestemd met de ontwikkeling van meer van zulke wapens. Nog verontrustender zijn berichten uit Washington als zou vice-president Cheney een werkgroep van het Pentagon opdracht hebben gegeven om voor een dergelijke operatie het zogenoemde Conplan 8022 op te stellen. Naar verluidt is het de bedoeling dit plan uit te voeren in het geval van een nieuwe aanval in de trant van 9/11, die dan als excuus voor ingrijpen zal worden gebruikt.

Een atoomaanval als antwoord op een niet-nucleaire aanval is een waanzinnige gedachte. Een nucleaire aanval met de bedoeling een mogelijke nucleaire aanval vóór te zijn is een nog krankzinniger gedachte. Als die ten uitvoer zou worden gebracht, zou hij de mensheid binnenvoeren in een compleet nieuwe wereld – een die Armageddon zo dicht nadert dat we ons er nauwelijks een voorstelling van durven maken. De enige weg vooruit is daarom de diplomatie. Laten we ons geen illusies maken. In het verleden hebben Israël, India, Pakistan en Noord-Korea zich niet door diplomatie laten afhouden van het bouwen van kernwapens. In de toekomst zal Iran er bijna zeker niet door middel van diplomatie van te weerhouden zijn als dat, niettegenstaande al zijn heftige ontkenningen, in zijn bedoeling ligt. Wat diplomatie wél vermag, en reeds heeft gedaan, is tijd winnen en iedereen in staat stellen aan het idee te wennen.

Sommige mensen beweren dat diplomatie, door de schijn te wekken dat de Iraanse wolf eigenlijk geen wolf is, het gevaar alleen maar vergroot. Dat argument is niet op beslissende wijze te weerleggen. Er is echter ook een meer optimistische kijk mogelijk. Uit alles wat er sinds Hiroshima is gebeurd, kunnen we twee dingen concluderen. Ten eerste is een nucleair machtsevenwicht niet de slechtste manier – welbeschouwd is het verreweg de beste manier – om wolven ertoe te brengen elkaar met rust te laten.

Ten tweede is het onmogelijk te voorkomen dat meer wolven nucleaire tanden zullen krijgen. Zoals het recente besluit van India en Pakis tan om een hotline op te zetten en elkaar tijdig in te lichten over raketproeven mooi laat zien, kan diplomatie het proces soepel doen verlopen, schokken voorkomen, mensen in staat stellen zich aan te passen aan nieuwe werkelijkheden en proliferatie minder gevaarlijk te maken. Als diplomatie dat kan bewerkstelligen, heeft zij haar doel bereikt.

Vertaling: Aart Brouwer