OPERA

Dansende beren

Kitesj en Fevronja

Het doet mij aan als een enorme provocatie van De Nederlandse Opera: in een tijd van kunstbezuinigingen een onbekende Russische opera brengen, met een ongekend groot koor, een exorbitante lengte en van alles heel erg veel. Maar wilde de huidige regering niet internationale excellentie als maatstaf invoeren? Dan zullen ze het hebben ook, denken ze bij DNO, want De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja van Nikolaj Andrejevitsj Rimski-Korsakov is een coproductie met de Opéra Bastille in Parijs, het Gran Teatre del Liceu in Barcelona en, ja heus, het Teatro alla Scala in Milaan. Veel hoger kan de lat niet worden gelegd.
Deze opera uit 1907 is de apotheose van het werk van Rimski-Korsakov (1844-1908), die vooral bekend is van zijn vele bewerkingen, en het is door hem ook zo bedoeld. De Russische versie van Wagners Parsifal wordt het werk te pas en te onpas genoemd en het libretto van Vladimir Belski staat bol van klokgelui, gebeden en hemelse redding. In Nederland is deze opera in meer dan een eeuw maar één keer eerder te zien geweest, van de Kirov Opera onder Gergiev in Rotterdam, maar ook in Rusland was hij in de tijd van het communisme taboe, tenzij het libretto enigszins atheïstisch werd aangepast. Belski heeft twee oeroude Russische legendes gecombineerd: het onschuldige meisje Fevronja, dat in het bos leeft met de dieren en verliefd wordt op een prins, en de stad Kitesj die onzichtbaar is voor zijn vijanden door een groot woud en daarom blijft voortbestaan als een heilige stad, nadat het wereldse Kitesj is verwoest. De Russische regisseur en decorontwerper Dmitri Tcherniakov heeft er alles aan gedaan het heilige en sprookjesachtige van de opera tot hedendaagse wereldse proporties terug te brengen. Fevronja (Svetlana Ignatovich) is in het naturalistische natuurlandschap met veel riet en bomen een heel gewoon meisje in een wit jurkje. Haar prins is een heel gewone jongen in een jekker (Maxim Aksenov). Een dansende beer en de dorpsgek Grisjka zijn ineengevoegd tot een gewone, kale klootzak (John Daszak).
De vijanden van Kitesj komen niet van buiten, maar zijn binnenlandse barbaren, een soort Russische maffia. De bevolking van het wereldse Kitesj zit te drinken en te lachen op het plein van een sjiek, modern winkelcentrum. Voor het heilige Kitesj bevinden we ons in een krankzinnigeninstituut waar mensen zijn gegijzeld in een theaterzaal. Onzichtbaar word je door je handen voor je ogen te doen. De vrome gezangen van een Jezus-achtige knaap worden hier gezongen door de moeder van het jongetje, de prachtige mezzosopraan Mayram Sokolova. De hemel is hier een eenvoudige datsja in het bos en het mystieke huwelijk in de hemel wordt aan een gezellige, aardse tafel gevierd. Twee paradijsvogels die het meisje ten hemel dragen zijn twee ontroerende oude vrouwen geworden die het lijk van Fevronja afleggen en intussen de sterren van de hemel zingen.
De moraal van deze voorstelling is misschien dat het hemelse in het gewone, het aardse, het kleine is te vinden. Maar dan klinkt de op de Russische folklore geënte muziek wel heel erg onwezenlijk opgeblazen en zijn al die gigantische koren nergens goed voor. In mijn oren klonk het Nederlands Philarmonisch Orkest ook minder geïnspireerd dan anders ondanks de energieke muzikale leiding van chef-dirigent Marc Albrecht. Een zo grootschalige voorstelling zal in de toekomst wel niet meer mogelijk zijn, dankzij krimpende subsidies en stijgende toegangsprijzen. Heel erg kan ik dat niet vinden. De bescheiden excellentie van wat De Nederlandse Opera meestal in z'n eentje doet is me liever.

De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja, t/m 1 maart in het Muziektheater Amsterdam; www.dno.nl