Kerry James Marshall met Vignette (links), De zondeval van Meester van Paulus en Barnabas, Centraal Museum Utrecht © Gert Jan van Rooij / Centraal Museum Utrecht

Briefpapier van Marjolein Bastin of Beatrix Potter, jurken en behang van Laura Ashley: een lichtvoetiger bladvulling dan een bloemmotief is moeilijk denkbaar. ‘Nothing really’, schreef Lily van der Stokker dan ook onder haar tekening met wollig getekende bloemen in pastelkleuren. Vanaf het begin dat de kunstenaar bloemen tekende, kreeg ze er opmerkingen over, kritiek en slechte recensies. ‘Het was duidelijk dat de bloem een verboden visueel element was, althans op de manier waarop ik haar gebruikte’, vertelde ze toen haar bloementekening dit voorjaar metersgroot op een billboard in Gent was te zien.

De onbeduidendheid van bloemen bleek het ideale tijdverdrijf tijdens de eerste lockdown. Massaal gingen Nederlanders tuinieren, tuincentra draaiden recordomzetten. Toen later de zogeheten niet-essentiële winkels moesten sluiten, mochten de bloemisten hun zaak openhouden. Het gecontroleerde bloemen- en plantenbeheer voorziet blijkbaar in een diepgewortelde behoefte. Ook kunstenaars hebben de tuin als inspiratiebron en als aanleiding voor het nadenken over de natuur, zo stelde curator Laurie Cluitmans een paar jaar geleden vast.

Over wat kunstenaars daarbij denken, en welke positieve en negatieve krachten ze de tuinen toedichten, gaat de tentoonstelling De botanische revolutie in het Centraal Museum in Utrecht. Het is de uitkomst van een paar jaar onderzoek, en dat is te merken. De werken zijn zorgvuldig gekozen, de bijbehorende publicatie heeft een haast encyclopedische omvang en opbouw. In de tentoonstelling is kunst te zien van hedendaagse kunstenaars, soms speciaal gemaakt voor de tentoonstelling, in combinatie met werk van oude meesters uit eigen collectie en aangevuld met bruiklenen.

De tentoonstelling is thematisch opgezet en begint, hoe kan het ook anders, in de Hof van Eden, of eigenlijk de verdrijving daaruit. Een groot zestiende-eeuws paneel van de Meester van Paulus en Barnabas uit het Bonnefantenmuseum toont op de voorgrond Eva die Adam de appel overhandigt. Beiden zijn schaamteloos en pontificaal naakt, nog wel, al houden de dieren rondom hen hun adem in.

Schuin hierachter is op een schilderij van Kerry James Marshall de bom gebarsten en lijken ze op de vlucht: twee zwarte figuren rennen naakt door de natuur. Marshall maakte het in 2003 in zijn serie Vignette, gebaseerd op Jean-Honoré Fragonards achttiende-eeuwse serie Les Progrès de l’amour dans le coeur d’une jeune fille, maar de visuele overeenkomst met Adam en Eva is meteen helder. En de overschakeling van de witte naar de zwarte naakten, zo vlak naast elkaar, werkt prachtig: ook de meest argeloze bezoeker ziet de getoonde witte naakten in de prenten van Dürer, Goltzius en Bloemaert niet meer kleurloos.

De mens is een bedreiging voor de natuur, of probeert vergeefs de natuur te beknotten en in te perken. De bijbelse verwijzing is terecht, zo benadrukte Gerrit Komrij al in zijn Huizingalezing in 1990. De titel van die lezing, Over de noodzaak van tuinieren, is ook de ondertitel van deze tentoonstelling. Juist voor de moderne kunstenaar zou na de dood van God het gemis van een schepper dramatisch uitpakken, zo stelde de schrijver, want ‘de kunst leeft van wetten en ompalingen’.

In godsdiensten speelt de tuin een belangrijke rol. ‘Er was geen religie of het paradijs kwam er in voor.’ Er wordt bemind en begraven, en het was tegelijk een ‘autonome schepping van menselijke hand – daar was opnieuw die metafoor van de kunst’, aldus Komrij.

Kunstenaar, schepping en kunstwerk komen ook in deze tentoonstelling op meerdere niveaus naast en tegenover elkaar te staan. De kunstwerken zijn bordjes- en nummerloos, navigatie verloopt met een uitgebreid maar soms topografisch wat lastig te volgen toelichtingenboekje. De audiotour richt zich op een publiek met minder basiskennis. Zo begint een van de teksten met de uitspraak: ‘Ik moest even googelen hoe het verhaal van Adam en Eva ook alweer precies ging.’

In Utrecht is de religieuze toon lang te zien en te voelen. Bijvoorbeeld in een Perzisch tapijt met paradijsmotief, met een plattegrond van een tuin van bovenaf gezien, de bomen, bloemen en dieren zie je er van opzij. Het kleed komt uit Parijs maar ligt er in Utrecht wat nonchalant bij. De vormgevers van de Italiaanse studio Formafantasma, eerder al prominent aanwezig in de Caravaggio/Bernini-tentoonstelling in het Rijksmuseum, maakten voor deze tentoonstelling een modulair systeem waaraan en waarop de kunstwerken hangen en staan. Zo zijn er tussenmuren van witte rechthoekige blokken, volgens de samenstellers geïnspireerd op Japanse zentuinen, zwarte rails als ophangsysteem voor schilderijen, en voor het tapijt is er een grote lage tafel van wit geverfde spaanplaat. Het mocht vooral niet te mooi zijn.

In Utrecht is de religieuze toon lang te voelen. Zoals in een Perzisch tapijt met paradijsmotief

Toegegeven, het werkt verfrissend om Vincent van Goghs grote schilderij Moestuinen op Montmartre aan zo’n tijdelijk wandje te zien. Prettig ook om te zien hoe zo’n bekend werk dankzij een andere omgeving nieuwe lading krijgt. Het in streepjes opgezette uitzicht op de dan nog landelijke kant van Montmartre vormt de aanloop naar het tweede deel van de tentoonstelling, rond het thema ‘voortuin/achtertuin/volkstuin’. Arbeiders zouden van het tuinieren gelukkiger worden, en misschien ook wat rustiger, zo was de hoop rond de vorige eeuwwisseling.

Hoe dat in de praktijk uitwerkt is prachtig zichtbaar in het project Speak to the Earth and It Will Tell You van de Britse kunstenaar Jeremy Deller. Voor de Skulptur Projekte in Münster vroeg hij in 2007 alle 54 volkstuinverenigingen van Münster om tien jaar lang een natuurdagboek bij te houden. Iedere vereniging kreeg een groot boek waar foto’s, teksten en krantenknipsels in geplakt konden worden. Tien jaar later was de oogst indrukwekkend en veelzijdig, de ingeleverde boeken tonen elk een eigen microkosmos. De ene vereniging had wekenlang het weerbericht uitgeprint en ingeplakt, een andere maakte foto’s van onkruid en geoogste aardappels, een derde hechtte vooral belang aan de gezelligheid die het tuinieren met zich mee kan brengen.

De meeste boeketten zijn te zien in het deel van de tentoonstelling dat ‘de botanische revolutie’ is gedoopt: een bijna huiveringwekkende verkenning van de geschiedenis achter het botanisch determineren. Een boek van Maria Sibylla Merian over de metamorfose van Surinaamse insecten uit 1705 ligt opengeslagen op de pagina waarop ze een bloem beschrijft waarvan vrouwen in barensnood de zaden gebruiken. ‘De Indianen, die niet wel gehandeld worden, als ze bij de Hollanders in dienst zijn, drijven daar mede haare kinders af, niet willende dat haare kinders Slaven zijn, gelijk als zij’, aldus Merian.

Nog pijnlijker wordt het in het nieuwe werk van Patricia Kaersenhout, Of Palimpsests and Erasure, waarbij de ‘erasure’ slaat op het uitwissen van de rol die vrouwen, met name de oorspronkelijke bewoners van Suriname, zwarte vrouwen en Javaanse vrouwen, hebben gespeeld in het tot stand komen van de inventarisaties van Merian. Deze vrouwen verzamelden de bloemen en insecten die Merian tekende en ze zo, zonder die geschiedenis te vermelden, naar Europa bracht. Kaersenhout nam (replica’s van) Merians boek als uitgangspunt voor een serie werken waarin ze de prenten bijna monochroom inkleurt en op de overliggende pagina portretten en silhouetten tekent van de anoniem gemaakte medewerkers. Bijna potsierlijk staan de bloemstillevens van zeventiende-eeuwse Hollandse meesters zoals Roelant Saverij en Johannes Bosschaert er tegenover op een horizontale balk – hier worden de schilderijen zélf geclassificeerd.

Dit mag wat zwaar en belerend overkomen, toch blijft de hoofdtoon optimistisch. ‘Il faut cultiver notre jardin’, schreef Voltaire al in zijn Candide; onze eigen aarde moeten we verbeteren omdat het niet vanzelf gaat. ‘Tuinieren in het antropoceen’ belicht dan ook de zogenaamde ‘nieuwe ecologie’, waar mens, natuur en technologie er samen voor zorgen dat er voor iedereen nog wel een toekomst is. Henk Wildschut fotografeerde voor zijn serie Rooted de plukjes en plantjes die ondanks alles in vluchtelingenkampen in Calais, Jordanië of Tunesië gekoesterd worden. En Persijn Broersen en Margit Lukács maakten een oogstrelende film van vijf digitaal geanimeerde, dansende bloemen. Ideaalbeelden naar voorbeeld van de weergaven in de boeken van Linnaeus, die als ballerina’s reageren op pianomuziek.

Henk Wildschut, werk uit de serie Rooted, Centraal Museum Utrecht © Henk Wildschut

De tentoonstelling richt zich nadrukkelijk ook naar buiten. Bijvoorbeeld met de tuin van Maria Thereza Alves op het plein voor het museum die is gemaakt van zaden die ze rondom grote havens vond. En zo is er op de lokale televisie de komende weken een serie programma’s te zien over bijzondere zaailingen, bomen die zich bij toeval in de stad wisten te nestelen en volgroeien, en nu een bijzondere plek hebben in het leven van de Utrechtenaren. Op de entresol in het museum zijn de afleveringen ook te zien, en kunnen speciale labels worden meegenomen om ook in de eigen buurt de gewenste zaailingen een plek op een virtuele kaart te geven.

Nog verder naar buiten, in kunstruimte Nest in Den Haag, gaat de botanische revolutie verder in een tentoonstelling met meer hedendaagse kunst. De titel van de tentoonstelling, Is it possible to be a revolutionary and like flowers?, is gebaseerd op het gelijknamige werk van de Franse kunstenaar Camille Henrot, die net als beruchte Japanse generaals de bloemschikkunst, oftewel ikebana, gebruikte om verlichting te bieden tijdens een moeilijke periode.

Niet alles in Nest is even toegankelijk, de onmisbare toelichting is zo onduidelijk vormgegeven dat het de meeste bezoekers een raadsel zal blijven, de kunstenaars en kunstwerken zijn misschien iets te veelzijdig. Een van de meest directe bijdragen is van de in Leningrad geboren Gluklya, die met haar project Propaganda Flowers verhalen en mythes optekent over bloemen met politieke betekenissen. Bijvoorbeeld over de Eternal Protea, die in Zuid-Afrika voor de regering een symbool werd van de schoonheid van het land, zowel voor als na de apartheid. Gluklya tekent de bloem bij ieder verhaal verweven met een menselijk gezicht ernaast, in dit geval komt er een figuur met witte haren uit de bloem op.

Op de achterwand van de Haagse tentoonstellingsruimte hangt het bloemenwerk van Lily van der Stokker. ‘Nothing really’ heeft na het zien van alle zwaarbeladen bloemen- en tuinkunst definitief een andere betekenis gekregen.

De botanische revolutie, t/m 9 januari in het Centraal Museum in Utrecht,centraalmuseum.nl. Is it possible to be a revolutionary and like flowers?, t/m19 december bij Nest in Den Haag,nestruimte.nl