Danser in de klem

Nijinski: Dagboeken. Uit het Russisch vertaald door Yolanda Bloemen en Marja Wiebes. Met een inleiding van Rudi van Dantzig. Uitgeverij Ambo, 212 blz., 349,50.
Na 1917 heeft niemand hem meer zien dansen, maar zijn sprongen zijn nog steeds wereldberoemd. In korte tijd werd Vaslav Nijinski een ster nadat Diaghilev, de Russische impresario en oprichter van de Ballets Russes, hem in 1909 aan het Parijse publiek had gepresenteerd. Maar al in 1917 kwam er een eind aan zijn openbare leven en de 28-jarige danser trok zich met zijn gezin terug in een Zwitserse villa, waar hij begin 1919 als een gek aan het schrijven sloeg.

Dagboeken is een misleidend woord voor de vier schriften die hij in een paar weken tijd volschreef. Hij had verschrikkelijke haast, het publiek moest nog tijden zijn leven over zijn leven kunnen lezen. Het was een schrijven op leven en dood - het eerste boek zou Leven heten, het tweede Dood.
In 1936 publiceerde zijn vrouw drie van de vier schriften in een gekuiste en ingekorte versie. De nieuwe uitgave is gebaseerd op de originele schriften - waar het vierde schrift is gebleven is onduidelijk.
Waarom is dit geschrift, de als in één lange slapeloze nacht opgetekende alleenspraak, na tachtig jaar nog interessant? Niet als boodschap aan de mensheid, zoals Nijinski voor ogen stond. Ook niet als getuigenis van Nijinski als danser, want over zijn kunst schrijft hij niet. Hij schrijft wel over de mensen door wie hij zich misleid, mishandeld of niet begrepen voelde, en dat was praktisch iedereen: Diaghilev, Stravinsky (‘een dorre man’), zijn vrouw, haar zuster, haar moeder. Overigens was zijn wantrouwen ten opzichte van laatstgenoemde niet zomaar paranoia, want al gauw was hem gebleken dat schoonmoeder bezig was hem naar een inrichting te laten afvoeren.
Het dagboek van die paar dagen in februari 1919 is ook geen literair werk dat gewaardeerd zou kunnen worden zonder iets van de schrijver te weten - het is vooral interessant als inkijkje in een verwarde geest. Als het indruk maakt, dan niet door ongekende beelden of inzichten, maar paradoxaal genoeg juist door zijn beperkingen. De haast is aan de korte, monotone zinnetjes af te lezen. Drie van de vier zinnen beginnen met 'ik’, en daarvan is zeker de helft weer bedoeld om uit te leggen van wie of wat Nijinski houdt of niet houdt. Als hij van iets of iemand houdt, vereenzelvigt hij zich ermee: 'Ik houd van zaad. Ik wil zaad. Ik ben zaad.’ Zo gaat het ook met Tolstoj, een tijdschrift, roofdieren, idealen en gevoel. 'Op de pen staat ideal en mijn vulpen is niet ideaal. Ik houd van idealen, maar van idealen waarover men niet spreekt. Ik ben een ideaal.’
Voortdurend is hij in de weer met zijn schrijfgerei, als een vulpen hem niet bevalt, wil hij een nieuwe, ideale vulpen uitvinden. 'Ik kan niet met deze pen schrijven, want mijn pen sterft.’ Zijn grootste inspiratie is God: hij houdt van God, dus is hij God - verder hangt zijn leven af van gevoel. En omdat gevoel alles is voor hem - 'denken is de dood’, 'intelligente mensen ruiken naar dood’ - noemt hij zijn boek Gevoel: 'Ik wil de dood van het verstand. Verstand is dwaasheid, maar de rede is God. De dokter denkt dat ik alles bouw op gevoel en daarom denkt hij dat ik geen verstand heb. Iemand die alles op gevoel bouwt, is niet vreselijk. Zijn gevoelens zijn vreselijk.’
Waarom is dit tegelijk aandoenlijk en beklemmend? Omdat juist de herhalingen en cirkelredeneringen voelbaar maken hoe Nijinski steeds minder speelruimte heeft. Hij blijft erin gevangen door zijn ernst, doordat hij zoveel geloof hecht aan zijn eigen woorden. Maar hoe benauwend ook, zijn litanieën krijgen soms een onbedoelde poëtische en zelfs komische toon: 'Ik ben een kalkoen met Goddelijke veren. Als kalkoen kakel ik een heleboel. Ik begrijp een boel. Ik ben een boel-boel dog, want ik heb grote ogen. Ik boel-boel, omdat ik van de Engelsen houd.’ Enzovoort.