Kunst: Prix de Rome

Dansstudio in Dresden

U kent misschien de embleemboeken van Jacob Cats of Pieter Corneliszoon Hooft: op elke pagina een combinatie van een plaatje, een motto en een tekstje. Hedendaagse kunst verschijnt vaak op dezelfde manier. U wandelt een tentoonstellingszaal in, u ziet eerst een titel, dan kijkt u naar het tekstje, dan bekijkt u het kunstwerk, en in die drie-eenheid wordt het werk ‘begrepen’. Dat is voor kunstenaars wel eens jammer, denk ik. De fysieke verschijning van het werk in de zaal is soms bijzaak, een tijdelijke manifestatie van een doorlopend proces of, zoals dat tegenwoordig heet: ‘onderzoek’.

Small kunst
Saskia Noor van Imhoff, #+31.001.1. Fairly soft, very heavy, semi-hard (3-3.5), ductile, malleable, hackly fracture (can be scratched with a fingernail). Opaque with metallic lustre. Very thin sheets are translucent, letting through weak, greenish light. Dissolves easily, leaving the solution pale-blue. Installation view. Prix de Rome 2017 © Daniel Nicolas

Drie van de vier werken van kunstenaars die voor de Prix de Rome zijn genomineerd staan in die zin niet op zichzelf, en kunnen niet zomaar als enkel werk begrepen worden, laat staan genoten. Het zijn zeer sterke werken, dat zeker, doordacht, doorwerkt, intelligent, op hoog niveau uitgevoerd. De installatie van Katarina Zdjelar Not a Pillar not a Pile (Dance for Dore Hoyer) bestaat uit een donkere kamer waarin vier beeldschermen, een beetje lukraak door de ruimte verspreid, beelden tonen van wat mij dansers en danseressen lijken. U ziet hoe handen en armen elkaar raken en grijpen, een zwarte vrouw speelt met de hand van een witte. De houdingen verglijden langzaam. Het woord ‘choreografie’ kwam bij me op, maar dat bleek onvoldoende. Uit de tekst blijkt namelijk dat ik deze ‘natuurlijke en geënsceneerde handelingen en personages’ maar heel beperkt had begrepen. Zdjelar schrijft dat zij is geïnspireerd door archiefmateriaal van een naoorlogse dansstudio in Dresden, waar de expressionistische choreografe Dore Hoyer zich liet inspireren door het grafische werk van Käthe Kollwitz. Had ik dat kunnen opmaken uit het werk? Zo nee, is het dan van belang? En is dit werk dan de beste manier om die diepere betekenis aan het licht te brengen?

De ‘kakofonie’ van Rana Hamadeh, te horen in een donkere ruimte, waar een grote vleugelpiano staat, is kennelijk alleen een voorproefje van haar operaproject The Ten Murders of Josephine, dat een monument wil zijn voor de ‘afwezige en uitgewiste stemmen’ in de geschiedenis van koloniaal en patriarchaal geweld. Melanie Bonajo creëerde een speelse omgeving, met een groot pluchen zit-beest in het midden, waar je een film ziet waarin kinderen praten over dierenfilmpjes zoals die via het internet tot ons komen. ‘IJsberen hebben ook recht op privacy’, zeggen zij bijvoorbeeld. De filmpjes zijn leuk, de kinderen ook, en alles is in een vlotte Jeugdjournaal-achtige manier gemonteerd. De boodschap is makkelijk: onze beeldcultuur verandert onze kijk op het wezen van dieren.

De vreemde eend in de bijt is Saskia Noor van Imhoff. Haar installatie #+31.00 is, zeer grof gezegd, een deconstructie van het museum- en tentoonstellingsbedrijf. Ze toont de elektriciteit die alles doet bewegen en alles verlicht, ze scheurt de muur open om de opslagruimte te laten zien, ze strooit met ogenschijnlijk betekenisloze voorwerpjes en strepen op de muur. Er staan Donald Judd-achtige perspex stoelen; een grafische geluidsband verwijst naar hoe Bob Rauschenberg een tekening van De Kooning uitgumde. Dit is een demonstratie van (wat Rudi Fuchs noemde) ‘het openmaken en ontdekken van wat verborgen is’ en dus een werk waarin het onbegrip van de kijker, en diens zin tot ontdekken, actief wordt aangesproken. Hier is de werking dus direct, en het is eigenlijk jammer dat daar ook nog een tekst bij wordt aangereikt.


Prix de Rome. Kunsthal Rotterdam, t/m 25 februari 2018; kunsthal.nl, prixderome.nl. De winnaar van de Prix de Rome 2017 wordt op 15 december bekendgemaakt