A Tale of Two Cities Dickens’ engste

Dapper onder de guillotine

Charles Dickens pleitte in zijn boeken voor lievere mensen en betere omgangsvormen - niet voor revolutie. Voor George Orwell een onoverkomelijk bezwaar.

Het simpelste argument waarom schrijvers ook zouden moeten recenseren, is dat niets je dwingt zo scherp over literatuur en literatuuropvattingen na te denken als wanneer je wordt geconfronteerd met die van een ander.Misschien is dit een open deur, misschien zijn er betere redenen te bedenken. Het is een discours waard, al zal dat al lang eens gevoerd zijn. En natuurlijk zullen niet alle schrijver-op-schrijver-paringen frictie of openbaringen opleveren, maar lees de brieven die Philip Roth en Saul Bellow elkaar schreven en je snapt meteen waar de romans van de twee elkaar aanvullen, overlappen of een radicaal andere kant kiezen. Lees Zadie Smith over David Foster Wallace en je begrijpt precies wat Smiths verwachtingen en ambities van literatuur zijn. Lees J.M. Coetzee over Nadine Gordimer en je krijgt een duidelijker beeld van de twee paden die Zuid-Afrikaanse literatuur kan inslaan. In geen geval geldt dit beter dan voor het beroemde essay dat George Orwell schreef over Charles Dickens, opgenomen in de bundel Inside the Whale and Other Essays uit 1940. Ze kunnen in één adem genoemd worden als de baanbrekende Britse schrijvers van de ‘social novel’ in hun tijd, Dickens van de negentiende eeuw, Orwell van de twintigste. Toch komt nergens zo zichtbaar het verschil in stijl en motivatie in beeld als hier.
Het is moeilijk om Orwells essay los te zien van de tijdgeest waarin het werd geschreven. Londen, 1939-40. Onzekere jaren, Blitz-jaren. Een jaar na Inside the Whale zou het pamflet The Lion and the Unicorn: Socialism and the English Genius verschijnen, waarin Orwell schreef dat de enige manier waarop Groot-Brittannië de nazi’s kon verslaan was door haar oorlog te veranderen in een revolutionaire oorlog. Engels kapitalisme was niet in staat gebleken een industrie te creëren die een wapenwedloop met Duitsland kon winnen, terwijl de generaals op Sandhurst en de Lords in het Hogerhuis hadden zitten slapen toen de diplomatieke kanalen faalden en de Britse handelaars nog tot september 1939 tin en rubber aan Duitsland hadden geprobeerd te verkopen. Deze instituten moesten buitenspel worden gezet: alleen door om te schakelen naar een 'klasseloze, bezitloze’ maatschappij, schreef Orwell, zou Engeland kunnen overwinnen. Deze revolutie zou niets met doctrine te maken hebben, 'en zelfs niets met logica’. Het Empire moest als een vloerkleed worden opgerold, de Anglicaanse kerk opgedoekt, de oude kostscholen en universiteiten radicaal veranderd en hoewel de Lords uit het Hogerhuis naar hun tochtige landhuizen teruggestuurd zou moeten worden, zou de monarchie kunnen blijven bestaan - dat was immers te Brits.
Zoals meer letterkundigen hebben opgemerkt: Orwells sociale betrokkenheid ontsproot eerder uit zijn afkeer van het establishment dan uit zijn liefde voor het gepeupel (wat een verschil met Dickens). In zijn boeken over dagarbeiders, mijnwerkers en daklozen schrijft hij alles behalve hartelijk over minderbedeelden. Ze zijn dom, ze stinken - maar de rijken zijn nog erger. The Lion and the Unicorn zit vol snijdende oneliners naar de heersende klasse: 'England is the most class-ridden country under the sun. It is a land of snobbery and privilege, ruled largely by the old and silly… A family with the wrong members in control.’
In deze geestesgesteldheid schreef Orwell over Dickens. 'Bad architecture, great gargoyles’, oftewel: slecht gebouwde boeken, maar met geweldige gargouilles als personages. Hij trekt alle tijd uit om het genie van Dickens te benadrukken ('Geen Britse schrijver heeft beter over jeugd geschreven dan Dickens’), maar komt uiteindelijk bij een fundamenteel, onoverkomelijk bezwaar: 'Dickens is always pointing to a change of spirit rather than a change of structure.’ Hij pleit voor lievere mensen, betere omgangsvormen, een kloof tussen arm en rijk die met de mantel der liefde bedekt kon worden, terwijl Dickens zou moeten zien dat die kloof gedempt moet worden door sociale herstructurering: het 'centrale probleem - hoe ervoor te zorgen dat macht niet misbruikt wordt - blijft onopgelost’.
Je vraagt je af of Dickens een eerlijk proces heeft gekregen. Orwells commentaar valt zozeer te lezen als een dianegatief van zijn eigen fictie (met name Animal Farm en 1984, boeken die je niet anders kunt lezen dan als gruwelijke parabelen op de verwording van democratie en de terreur van totalitarisme) en zijn eigen politieke idealen, dat hij zich wel van Dickens moet distantiëren. Zijn zucht naar revolutie tijdens die eerste oorlogsjaren wordt op een extra manier gepijnigd in Dickens’ A Tale of Two Cities, Dickens’ grote roman over de Franse Revolutie.
Het verhaal ligt besloten tussen Dickens’ bekendste beginzin - 'It was the best of times, it was the worst of times’ - en zijn bekendste slotzin, de laatste gedachten van de arme Sydney Carton, voordat hij met zijn hoofd onder de guillotine belandt: 'It is a far, far better thing that I do, than I have ever done; it is a far, far better rest that I go to, than I have ever known.’ (Time Magazine riep deze zin nog uit tot tweet van het jaar 2011, getweet door activist Jonnie Marbles, vlak voordat hij Rupert Murdoch 'taartte’). Voor Dickens’ doen is het verhaal redelijk simpel, dat wil zeggen, in plaats van zijn gebruikelijke telefoonboek aan personages, heeft A Tale of Two Cities (1859) maar drie mannelijke hoofdpersonen, die zich centreren rond het engelachtige meisje Lucie.
Allereerst is daar haar vader, dr. Manette, die jarenlang onschuldig in de Bastille wegkwijnt, nadat de aristocratische Evrémonde-familie hem uit de weg wilde hebben. Bij zijn vrijlating is hij een schim van een man, hij maakt monomaan schoenen en als Lucie hem meeneemt naar Londen richt hij zich met dezelfde monomanie op haar, als een hondje op zijn baasje. Eenmaal terug in Londen, enkele jaren later, valt Lucie voor de knappe, idealistische, goedaardige emigré Charles Darnay, een jonge aristocraat die in Engeland terechtstaat voor hoogverraad. Hij wordt vrijgesproken, trouwt Lucie en biecht op de dag van het huwelijk op dat de familie die hij de rug toe heeft gekeerd de familie Evrémonde is - hij is de erfgenaam van de markies. Als een plaat die uit zijn groef schiet, loopt dr. Manette prompt weer vast in zijn dwangmatige schoenmaken.
Het derde personage, met stip het interessantst, is Sydney Carton, advocaat. Hij is melancholisch, drinkt, heeft weinig verwachtingen van het leven en weet Darnay vrijgesproken te krijgen doordat hij zelf zo veel op hem lijkt, en een getuige hen niet uit elkaar kan houden. Tijdens het proces raakt hij wanhopig verliefd op Lucie, iets wat hij nauwelijks aan zichzelf durft toe te geven, en terwijl hij zijn decadente leven voortzet, aanbidt hij haar van afstand. Carton is ook veruit het slimst en hoort de voetstappen van de revolutie aankomen, lang voordat de anderen dat doen. Diep van binnen kijkt hij ernaar uit, alsof hij aanvoelt dat zijn leven een bestemming zal krijgen.
A Tale of Two Cities is wellicht niet het meest handige boek, er staan rare omissies in en het beeld dat Dickens van de revolutie schetst is een uitvergroting-extraordinaire. Alsof de Terreur een vol decennium duurde en miljoenen slachtoffers maakte (in werkelijkheid duurde het van half 1793 tot half 1794 en stierven er rond de veertigduizend mensen op de guillotine). Er zit nauwelijks humor in. Toch is het boek, zoals zo veel van Dickens, verrassend speels geschreven en zijn de drie protagonisten waarschijnlijk de meest interessante personages uit zijn oeuvre. Je leert ze nooit helemaal kennen, ze zijn bijna geheimzinnig in hun verklaringen en in tegenstelling tot veel van zijn andere boeken verklapt Dickens als alwetende verteller hun drijfveren niet. Als iemand aan dr. Manette bij zijn vrijlating vraagt of het voelt alsof hij weer tot leven is gewekt, antwoordt hij 'Dat weet ik niet’. Je weet nooit helemaal of hij nu iets verzwijgt of niet.
Wel is duidelijk dat wat ze zeggen niet is wat ze zijn. De sociaal bevlogen Darnay erft de markiestitel van zijn oom, maar in plaats van hervormingen door te voeren laat hij het bestuur laks aan een ondergeschikte over. Dr. Manette zwijgt zo veel hij kan, maar als Darnay in revolutionair Parijs berecht wordt (hij is immers de nieuwe markies) spreekt hij zich uit in zijn verdediging. De cynische Carton loopt de conciergerie binnen en geeft zich uit voor Darnay, 'a far, far better thing that I do, than I have ever done’, zodat Darnay en Lucie ontsnappen, gelukkig kunnen zijn en hij in zijn plaats onder het 'nationale scheermes’ terechtkomt. Als een visioen ziet Carton voor het eerst in zijn leven een optimistische toekomst: de radicalen zullen zelf ook onder de guillotine vallen en hij zal verder leven, in het naar hem vernoemde kind aan Lucie’s boezem. Juist tegen de executiescènes verzette Orwell zich. Dickens zette de revolutionairen, met voorop Madame Defarge, misschien wel Dickens’ grootste schurk, neer als bloeddorstige monsters, gecreëerd door het kwaadaardige ancien régime, met hun markies Evrémonde die in zijn koets een jongen overrijdt en diens vader achteloos een muntstuk ter compensatie toewerpt. Met zulke monsters aan de top, suggereert Dickens, moet het volk wel tot geweld vervallen. Maar betekent dit, vroeg Orwell, dat als de Franse adel een Scrooge-achtige bekering had doorgemaakt, de hele revolutie overbodig was geweest? Ondermijnt Dickens niet de historische noodzaak tot de revolutie?
Dickens heeft zich natuurlijk nooit kunnen verweren tegen Orwell en het is een cliché het zo te zeggen, maar het slothoofdstuk van A Tale of Two Cities spreekt voor zichzelf. Het is het engste, meest maagomdraaiende dat Dickens heeft geschreven. De hooiwagens met ter dood veroordeelden rijden langs de toeschouwers naar het Place de la Révolution, het hoofdstuk is lang en ritmisch, afwisselend traag en snel, met de dappere Carton in het midden, en met de beul die zijn slachtoffers telt. 22! 23! Het is een monument voor hen die door geboorte, vrije mening of dom toeval terechtkomen in de politieke machinaties van een ander - een boodschap die, zou je zeggen, terwijl nazi-Duitsland Europa veroverde, toch van meer betekenis voor Orwell had moeten zijn.