Dappere woelwater

RUDOLF CORDES
JAN ZOET, AMSTERDAMMER 1609-1674
Verloren, 791 blz., € 75,-

In het onlangs verschenen deel van de grote Geschiedenis van de Nederlandse literatuur dat de jaren 1560-1700 bestrijkt (Een nieuw vaderland voor de muzen van Karel Porteman en Mieke B. Smits-Veldt) duikt Jan Zoet af en toe op. Hoewel hij in zijn eigen tijd vrij populair was en sommige van zijn werken ook gedurende de achttiende eeuw nog een lezerspubliek vonden, werd hij door literatuurhistorici vaak slechts plichtmatig en meestal misprijzend genoemd.
De laatste jaren wordt echter steeds duidelijker dat het letterkundige leven van de Gouden Eeuw meer te bieden heeft dan Vondel, Hooft en Huygens, en dat er onder de zogenaamde minor poets genoeg interessante figuren waren. Dat bleek bijvoorbeeld uit het vorig jaar verschenen boek van Riet Schenkeveld-Van der Dussen en Willemien de Vries over Jan Six van Chandelier, en blijkt nu ook weer uit de volumineuze studie van Rudolf Cordes over de Amsterdamse dichter, acteur, toneelschrijver, vertaler, herbergier, boekdrukker en boekbinder Jan Zoet.
Porteman en Smits-Veldt noemen Zoet een ‘woelwater’, en wie het boek van Cordes leest zal deze karakteristiek moeten onderschrijven. Over zijn leven is relatief weinig bekend, maar hij heeft een fors en gevarieerd oeuvre nagelaten, dat de hedendaagse lezer weliswaar niet meer zal aanspreken, maar dat wel een fascinerend venster opent naar het literaire en politieke leven van de zeventiende eeuw.
Hoewel hij ook moralistische werkjes schreef, zoals de sterk door Cats beïnvloede Maagden-baak, was hij vooral vermaard én berucht om zijn hekeldichten. Hierbij deinsde hij er niet voor terug gevestigde reputaties of machtige personen aan te vallen. Zo leverde hij forse kritiek op Huygens’ sonnettenserie op de christelijke feestdagen, Heilighe daghen, waarna de deftige literator en diplomaat antwoordde dat Zoet zijn naam met een ‘e’ te veel schreef. Ook schroomde de prinsgezinde Zoet niet de machtige regentenfamilie Bicker aan te vallen in het schotschrift ’t Hollants rommelzootje, waarin hij de Bickers terecht beschuldigde van corruptie, nepotisme en machtsmisbruik. Nadat de pogingen van stadhouder Willem II om Amsterdam te onderwerpen mislukt waren, hing Zoet snel zijn huik naar de wind en schreef hij een lofzang op de Bickers, dit ‘puik der Amstelgoden’. Veel hielp het niet, want kort erna werd hij voor zes jaar uit de stad verbannen.
Hoewel Cordes zich wat al te zeer laat leiden door Zoets geschriften, die hij stuk voor stuk bespreekt, en hij bang lijkt ook maar iets onbesproken te laten, is dit een boeiend boek, dat een schat aan informatie biedt over een periode waarin niemand hoefde te zeuren om meer ‘straatrumoer’ of engagement in de letteren.