Dapperstraat schone handjes, schone tandjes

De Boekenweek gaat over de poezie. Maar wie leidt de kinderen naar het geluk van de Dapperstraat? Domweg gelukkig in de Dapperstraat van de poezie, dat moeten we zijn aan het einde van deze Boekenweek. Daartoe zet het boekenvak een poezie-offensief in met bloemlezing, voorlezing, aanprijzing, geleerde uitleg, wedstrijd en zelfs een cd waarop veertien verzen leiden tot veel somber gezang.

Maar zoals bekend worden lezers en zeker poezielezers niet geboren maar gemaakt, en dat vraagt meer uren dan er in een Boekenweek gaan.
Geluk in de Dapperstraat is alleen weggelegd voor wie er zich thuis voelt en de basis voor dat gevoel wordt gelegd op het moment dat het woord Bloem nog niet verwijst naar een dichter, maar gewoon naar een madeliefje of een roos. ‘Ben je boos, pluk een roos. Zet hem op je hoed, dan ben je morgen weer goed.’ Dat is de kiemcel. 'Tante Nans zat op een gans Wip! zei de gans en weg vloog tante Nans.’ Geen volk van poezielezers zonder een bundel bakerrijmen in elke boekenkast en de mooiste is nog altijd Rijmpjes en versjes uit de oude doos (met tekeningen van Bert Bouman).
In veel poezie voor jonge kinderen klinkt de echo van het bakervers, dat vooral bestaat bij de gratie van klank, ritme en beweging en waarvan de betekenis er vaak minder toe doet. 'Op de eerste dag van maart bakt oma Piep een appeltaart appeltaart met krenten, vogeltjes in de lente vogeltjes in de lindeboom en opa rookt een pijp.’ (Uit: Han G. Hoekstra, Rijmpjes en versjes uit de nieuwe doos.) Miep Diekmann kiest voor de realiteit en weet het leven op peuterhoogte beknopt maar precies weer te geven: 'Schone handjes schone tandjes schoon gezicht de dag gaat dicht uit is het licht’. (Uit: Wiele wiele stap.) En hoe goed kent Willem Wilmink de betekenis van een groot geheim voor een klein mens: 'Ik heb een stukje touw gevonden, heb het in een doek gewonden en begraven bij een steen Niemand weet het. Ik alleen.’ (Uit: Ik snap het.)
En dan is er Annie Schmidt, die generatie na generatie een kontje geeft om over de schutting te gluren waarachter De Poezie zich schuilhoudt. Zij heeft de dichtkunst ontdaan van de geur van eerbiedwaardigheid en laten zien dat het niet altijd gaat om 'verdriet en mooie luchten’, zoals mijn dochter lang geleden veronderstelde. Opgewonden zijn we over de onverwachte hofcarriere van de 'spree met foeten’ en vol leedvermaak over het lot van Pieter Hendrik Hagelslag, die zijn onwezenlijke zoetheid beloond ziet met ene juffrouw Balkenbrij en zes onopvoedbare kinders. De rijmende verhaaltjes zijn mal (maar waar), de woorden grappig en de lezer (glim)lacht.
Misschien is er dan voldoende belangstelling gewekt om ook eens achter de woorden te willen kijken, zoals noodzakelijk is bij Wiel Kusters: 'Jonge veters moeten leren zich tegen schoenen te verweren Schoenen willen veters strak. Door de gaatjes. Dan een strik Veters hebben daaraan lak.’ (Uit: Het veterdiploma.) En in de puberteit past de ontvankelijkheid voor Ted van Lieshouts niet aflatende zoektocht naar wie hij is. 'Het woord liefde komt niet los van papier, noch wordt het tastbaar uitgesproken Het is de angst om te verliezen, om te worden verloren, verkeerd weggelegd, zoekgeraakt Daarom houd ik je zo stevig vast, als het moet in gedachten, om je niet te verliezen.’ (Uit: Multiple noise.) Tref dan nog een leraar Nederlands die een gedicht niet in de eerste plaats ziet als een te ontleden object, en daar gloort, nog voor de eerste maten van het Boekenbal, het geluk van de Dapperstraat.