Lothar-Gunther Buchheim 6 februari 1918

Das Buch

Een excentrieke levensweg is niet enkel aan Britten voorbehouden. Lothar-Günther Buchheim – bijgenaamd het Monster van Feldafing en der Vulkan vom Starnberger See – mocht er ook zijn. De schrijver en kunstenaar werd geboren in Weimar als zoon van een ongehuwde, vrijgevochten kunstenares. Op zijn vijftiende schreef hij al voor de grote kranten in Chemnitz en had hij zijn eerste solotentoonstelling. Ook peddelde hij als scholier in een kano de Donau af naar de Zwarte Zee en schreef daarover een prachtig boek: Tage und Nächte steigen aus dem Strom: Eine Donaufahrt (1939). Na de oorlog legde hij een uitmuntende collectie werk van Duitse expressionisten aan die nu het Buchheim-museum in Beieren vult.

Het is echter niet dat Donau-boek, die collectie of die bijnamen waardoor hij voortleeft. Toen de oorlog uitbrak nam Buchheim dienst bij de Kriegsmarine en belandde bij de propaganda-afdeling. In de herfst van 1941 ging hij aan boord van de onderzeeboot U96 om verslag te doen van een strooptocht in het noorden van de Atlantische Oceaan. Hij had zijn onderwerp niet beter kunnen kiezen. In Duitsland stonden de U-Boote in hoog aanzien. Ze waren een uiterst effectief wapen met een kleine bemanning, zelfstandig opererend, relatief goedkoop en zeer efficiënt. Tussen 1941 en 1943 bracht de Duitse onderzeebootblokkade Groot-Brittannië bijna op de knieën. Daar stond tegenover dat bemanning in een direct gevecht met de vijand weinig kans had. De mortaliteit was 63 procent, hoger dan in enig ander onderdeel van het Duitse militaire apparaat.

Buchheims officiële verslag was vanzelfsprekend optimistisch en heroïsch. In 1973 herschreef hij echter het verhaal en publiceerde het als Das Boot. Dat boek en de foto’s die Buchheim in de U96 had gemaakt vertelden een allesbehalve glorieus verhaal. Het leven aan boord was claustrofobisch, monotoon en uiterst gevaarlijk. Weken van wachten in totale stilte en isolatie werden afgewisseld door extreem riskante acties. Enthousiaste, frisgewassen kerels veranderden voor zijn ogen in zenuwzieke Gespenster. In het donkere binnenste van de boot was geen plaats voor ideologie. De commandant en de officieren waren openlijk sarcastisch over de kwaliteiten van hun superieuren en die van de Führer. Het enige wat telde was de prooi en de overwinning, aangezien een overwinning hun enige kans op overleven was.

In Das Boot is Buchheim te herkennen als de schuchtere 23-jarige luitenant Werner. De hoofdrol is weggelegd voor de commandant, Kapitänleutnant Heinrich Lehman-Willenbrock (1911-1986), een vastberaden en introverte leider, zeeman pur sang, beslist geen nazi maar wel een echte oorlogsheld. In 1941 was hij al drager van het Ritterkreuz des Eisernen Kreuzes mit Eichenlaub. Onder Lehmans leiding zou de U96 dertig schepen tot zinken brengen. Lehman-Willenbrock overleefde de oorlog en nam later dienst bij de koopvaardij.

Das Boot is misschien wel het beste Duitse boek over de oorlog en de verfilming door Wolfgang Petersen uit 1981 is zo mogelijk nog beter. ‘Het enige wat eraan ontbrak’, schreef een criticus, ‘was de stank van ongewassen mannen, gekookt voedsel, dieselolie, schimmel en angst.’ Het boek maakte van Buchheim een rijk man. Aan de verfilming werkte hij niet mee. Omdat hij niet werd ingehuurd voor het scenario keerde hij zich openlijk tegen het project, dat een miljoenenpubliek trok en zes Oscarnominaties kreeg. Want Buchheim kon een narrig, ruziebelust heerschap zijn. Na de oorlog sappelde hij lange tijd als kunstenaar, schrijver, galeriehouder en veilingmeester. Hij groeide uit tot expert inzake het Duitse expressionisme, schreef monografieën over Picasso, Matisse, Dufy, Beckmann en Bonnard en standaardwerken over Die Brücke en Der Blaue Reiter. Voor het laatste boek procedeerde hij dertien jaar hardnekkig tegen Nina Kandinsky (Buchheim won) en dezelfde koppigheid verhinderde lange tijd dat zijn collectie een passend onderkomen kreeg.

Er waren gretige kandidaat-steden, maar Buchheim had oneindig veel noten op zijn zang. Hij had behalve schilderijen ook curiosa verzameld – Thaise schaduwpoppen, notenkrakers, draaimolendieren – die óók allemaal in zo’n ‘Museum der Phantasie’ moesten. Zijn drammerigheid dreef menig stads- en deelstaatbestuur tot wanhoop en bezorgde hem zijn bijnamen. Hij trok de verzameling terug uit Duisburg toen de bouw van zijn museum al half voltooid was. Hij bedankte voor het ereburgerschap van Chemnitz toen men daar weigerde zijn propagandatekeningen uit de oorlog te tonen. Ook München, Weimar en Feldafing, Buchheims woonplaats, vingen bot. De deelstaatregering van Beieren ten slotte zwichtte. Buchheim kreeg in 2001 een prachtig museum aan het Starnberger meer. Maar zijn echte monument is dat boek. B 22 februari 2007