Dat arme paard

PETER CLAESSENS
ALLE LUST WIL EEUWIGHEID: HET MAGISTRALE LEVENSSCENARIO VAN FRIEDRICH NIETZSCHE
De Arbeiderspers, 148 blz., € 15,-

In het voorwoord van Alle lust wil eeuwigheid noemt Peter Claessens zijn boek een inleiding op Nietz-sche’s werk. Een inleiding is het zeker, maar vooral op het leven van de beroemde denker. Op Nietz-sche’s filosofische werk wordt slechts summier ingegaan, wat ook niet anders kan in de krappe honderd pagina’s die Claessens verhaal telt. Toch is het een fraai boekje. Het leest vlot en geeft globaal een idee van wie Nietzsche was.
Claessens schetst in het kort de verschillende perioden van Nietzsche’s leven. Hierin besteedt hij opval-lend veel aandacht aan zijn muzikale ambities, een onderwerp waar Claessens al eerder over schreef. Muziek belichaamde voor Nietzsche een hogere vorm van denken in vergelijking tot het talige denken. Hij componeerde verscheidene stukken en was zeker niet zonder talent. Toch werd Nietzsche tot zijn teleurstelling nooit geheel serieus genomen als musicus. Vooral niet door zijn vriend, en vijand, Richard Wagner.
Claessens benadrukt herhaaldelijk de vele kanten van Nietzsche. Hij dicht de denker een ‘kameleonti-sche kwaliteit en levensstijl’ toe en typeert hem als een ‘door de wol geverfde gedaantewisselaar’. Hoe-wel je je kunt afvragen of je wel ‘door de wol geverfd’ kunt zijn als je steeds iets nieuws begint, is duide-lijk wat Claessens bedoelt: Nietzsche heeft vele gezichten. Maar als je Nietzsche’s denken volgt is dit op zichzelf niets bijzonders; alle wezens en dingen hebben volgens hem vele gezichten.
Alles kan op verschillende manieren uitgelegd worden en iedere vorm van kennis is tijdelijk. Dit is mis-schien de enige consistente rode draad die in Nietzsche’s werk is terug te vinden. Hij bespot elke vorm van eenduidigheid, zeker als die gepaard gaat met idolatrie of heiligverklaring. In Ecce Homo schrijft hij: ‘iets leugenachtigers dan heiligen heeft er nooit bestaan’. Hierdoor is het extra wrang dat zijn zus Elisa-beth Förster-Nietzsche er tegen het einde van zijn leven op uit is om, zoals Claessens schrijft, ‘precies dat te realiseren wat Nietzsche’s grootste angst geweest is: dat men hem op zekere dag heilig verklaart’.
Het is een pijnlijke geschiedenis: Nietzsche die zich zo hevig tegen iedere vorm van systematisch den-ken heeft verzet en meermalen uiting gaf aan zijn walging van antisemitisme, wordt als hij zijn verstand heeft verloren aan de zorg van zijn gehate zus overgeleverd, die de interpretatie van zijn werk zodanig weet te manipuleren dat nog een halve eeuw na Nietzsche’s overlijden zijn werk met nazi-ideologie wordt geassocieerd. Claessens beschrijft hoe Elisabeth een cultus rond haar broer bouwt. Nietzsche zelf is dan niet veel meer dan een plant, die zij als een museumstuk aan bezoekers tentoonstelt. Ze richt het Nietzsche-archief op, dat een winstgevende onderneming moet worden. Ze leest zijn werk amper en begrijpt in het geheel niet waar het over gaat. Dit belet haar echter niet om in zijn manuscripten te snij-den en door haar verminkte geautoriseerde versies te laten verschijnen.
Elisabeth buit haar broers bekendheid zo lomp en meedogenloos uit dat je het bijna niet wilt geloven. Toch schijnt het echt zo te zijn gegaan. Zo citeert Claessens een telegram dat Elisabeth in juli 1933 (Nietzsche stierf al in 1900) aan de jarige Mussolini schreef: ‘Aan de geweldigste leerling van Zarat-hoestra die Nietzsche zich kon dromen, en de geniale verkondiger van de heropleving van aristocrati-sche waarden in de geest van Nietzsche, stuurt het Nietzsche-archief met het diepste respect en be-wondering de warmste gelukswensen.’ Ook ontvangt Elisabeth bezoek van Hitler, die opdracht geeft tot het bouwen van een Nietzsche-gedenkhal.
Als je Nietzsche’s werk kent, dat zo vol zit van ironie, van de hak op de tak springt en waarin steeds de twijfel boven zekerheden wordt gesteld, is het moeilijk voor te stellen dat nazi’s zich daarin zouden her-kennen. Claessens schrijft dan ook dat de gedenkhal altijd leeg bleef en dat het langzamerhand ook tot de nazi’s begon door te dringen dat Nietzsche’s werk maar zeer beperkt te gebruiken was voor nazipro-pagandadoeleinden.
Uit Claessens boek blijkt overigens de dubbele houding die Nietzsche bij leven voelde tegenover zijn rol als publiek figuur. Aan de ene kant klaagde hij over het gebrek aan erkenning, te weinig mensen gingen echt op zijn werk in, terwijl hij aan de andere kant steeds zijn weerzin uitte tegen iedere vorm van ‘aan-hang’. In Ecce Homo schrijft hij: ‘Ik wil geen “gelovigen”, ik denk dat ik er te boosaardig voor ben om aan mijzelf te geloven, ik spreek nooit tot de massa’s…’ Toch voelt hij zich buitengewoon vereerd als hij uit-eindelijk zo bekend is dat de deuren met een ‘extreme distinctie’ voor hem openzwaaien.
Even dubbel is zijn afkeer van en tegelijk geflirt met wat hij god noemt. Nietzsche, die erom bekendstaat God dood te hebben verklaard, waant zich aan het einde van zijn leven zelf de opvolger van God, al noemt hij deze god een ‘grappenmaker van de nieuwe eeuwigheden’. Het lijkt een vorm van extreme ironie en zelfspot, maar langzaam dringt tot zijn omgeving door dat Nietzsche zijn verstand aan het ver-liezen is. Als zijn vriend Franz Overbeck komt, treft hij hem naakt door de kamer dansend aan, ‘afwisse-lend als een razende op de piano beukend en op gedempte toon bezweringen fluisterend’.
In 1889, vlak voor de periode waarin de waanzin werkelijk bezit van hem neemt, schijnt Nietzsche op straat een paard te hebben omhelsd. Dit paard werd door zijn bezitter mishandeld en Nietzsche zag in hem een broederdier. Dit is wel de meest ontroerende anekdote die Claessens in zijn boek heeft opge-nomen. Vooral als je bedenkt dat Nietzsche herhaaldelijk heeft geschreven dat de mens een dier is dat slechts door een vergissing mens is geworden. De vergissing bestaat eruit dat de mens naar kennis streeft, terwijl iedere vorm van ‘kennis’ volgens Nietzsche een illusie is: er bestaan slechts meningen die afhankelijk zijn van de tijdgeest en wisselende stemmingen. Nietzsche bleef zichzelf daarom liever als een dier zien, en wel als ‘een dier dat voortdurend verwond wordt’, zo schreef hij in 1888 in een brief. Net als zijn broeder, dat arme mishandelde paard.