Essay Verdeeld land De boze Nederlander

Dat eeuwige wachten op de tram

Het maatschappelijk onbehagen dat blijkt uit de verkiezingsuitslag wordt niet alleen ingegeven door ‘Den Haag’. Het is ook de ergernis dat men wordt ‘gepiepeld’ door de school, de huisarts, de kabelmaatschappij, de woningcorporatie.

WE WILLEN DE CAKE ETEN EN BEWAREN. Nederlanders verlangen duidelijk naar meer samenhang, dat laat al het opinieonderzoek telkens zien. Tegelijkertijd gunnen ze de winst van de verkiezingen aan partijen die uitdrukkelijk liberaal zijn (VVD, D66, GroenLinks) of die uitdrukkelijk voor minder samenhang willen zorgen (PVV). Kortom, sociaal verband graag, maar dan alleen met vrijzinnige (GroenLinks, D66) of liever nog witte (PVV) of het liefst alleen rijke (VVD) mensen - samen voor ons eigen.
Wijlen Bart Tromp haalde graag de voormalige Amerikaanse president Lyndon Johnson aan: ‘It’s better to have them inside the tent pissing out than outside the tent pissing in.’ Volgens dat adagium zal Mark Rutte flink energie steken in het bouwen van een coalitie met de PVV. Een kind ziet dat deze combinatie van bezuinigen op de overheid, zelfredzaamheid van de burgers en autoritaire onverdraagzaamheid het maatschappelijk onbehagen eerder versterkt dan verzwakt.
De diagnose die het Sociaal en Cultureel Planbureau telkens stelt - Nederlanders zeggen: met mij gaat het goed, met de samenleving slecht - vindt men ook over een half jaar nog. Harder aanpakken van moslims verbetert het leven van de Limburger niet. Dus landt zijn onbehagen over de politiek elders. Laten we niet overdrijven hoe 'erg’ dat is. Politici zijn ruis in het leven van burgers, soms een aangenaam kabbelend beekje, soms een onweersbui, maar zelden langer dan drie minuten achtereen in hun belangstelling. Of, zoals Hugo Claus zei in antwoord op de vraag wat hij dacht van de roddelpers: heeft de leeuw last van de vlooien in zijn pels? Vertrouwen wordt vooral bepaald door de economische stand van zaken, als het goed gaat met de economie hebben mensen ook vertrouwen in hun bestuur.
Een politicus maakt een hoogontwikkeld en in internationaal perspectief behoorlijk tevreden land als Nederland niet zomaar minder argwanend. Als je succesvol de armoede en de slechte scholen bestrijdt, krijg je niet minder maar juist meer kritische mensen. Ongerichte argwaan tegen 'de elite’ wordt dan gefundeerde scepsis over bestuurders. Als je succesvol de overheid laat inkrimpen, creëer je nieuwe groepen ontevreden mensen, met als gevolg minder ergernis over belastingen, maar meer over inkomensongelijkheid. Kortom, het onbehagen is duurzaam. Beter dan verontruste kreten over de waanzin van de burger te slaken zouden we daarom de democratie serieuzer nemen.
De verkiezingsuitslag is andermaal bewijs hoe lastig het is om met het moeizaam verworven individualisme om te gaan. Niet een definitieve ruk naar rechts of het einde van de tolerantie. Dat is te illustreren aan de hand van twee stellingen. De eerste is dat Nederlanders veel socialer zijn dan de politiek ons wil doen geloven. De tweede dat democratie in Nederland veel minder gekoesterd wordt dan de politiek ons wil doen geloven. Een van de gevolgen is dat het uitoefenen van onze rechten - 'individualisme’ - soms een zooitje wordt, denk aan het vele gekanker op bestuurders en het kiezen voor ondemocratische partijen. Maar een boze stem is best een redelijke uitweg voor wie vindt dat hij knel zit. Wie het toch beu is dat een staatshoofdbelediger 24 zetels krijgt, moet méér doen dan het hoofd schudden over zoveel domheid.

EERST HOE SOCIAAL DIE NEDERLANDERS PRECIES ZIJN. Afhankelijk van de focus - het aantal initiatieven in de buurt, het aantal subsidiepotjes dat daarvoor beschikbaar is, het aantal verenigingen of het aantal leden van verenigingen - is Nederland, zowel in vergelijking tot het verleden als in vergelijking tot andere westerse landen, een behoorlijk tot zeer geëngageerd landje. Burgers doen graag dingen voor elkaar. Het kan zijn dat het verenigingsleven wat terugloopt. Voor iedereen met de pest aan clubhuizen waar oudere witte mannen pils rechtstreeks uit de fles drinken is dat goed nieuws. Idem voor het georganiseerde religieuze leven. Dat punt inkoppen met de recente affaires van misbruik in de katholieke kerk is flauw. Maar dat we die dociele tijd achter ons laten verdient geen ongerichte treurnis over gebrek aan spiritualiteit.
Verreweg de meeste Nederlanders hebben een druk sociaal leven en, hoe ergerlijk ook voor cultuurpessimisten, ze rapporteren dat ze daarover tevreden zijn. De raddraaiers die in hun publieke bestaan het slechte voorbeeld geven - Rijkman Groenink en andere kids die met stilzwijgende toestemming van hun ouders de samenleving onleefbaar trachten te maken - zijn uitermate zichtbaar door de vele media-aandacht. Opvallend is dat ze niet méér navolging krijgen.
Politiek zit het wat ingewikkelder. Het meeste van wat de burgers voor hun medeburgers ondernemen is tamelijk apolitiek. Solidair met de buurt of met de Derde Wereld is men graag en duurzaam, in verzet komen tegen de politiek of op een andere manier het debat aangaan over meningsverschillen doet men tijdelijk en vermijdt men als het even kan. Die moeizame omgang met de democratie geldt a forteriori voor politici zelf. Dat blijkt uit de verkapt autoritaire houding ten opzichte van burgers en uit de manier waarop 'meer politiek’ het antwoord is wanneer de politiek niet functioneert.
Over de autoritaire drift van de PVV is al genoeg gezegd. Kijk voor de aardigheid in het verkiezingsprogramma van de PVDA. Daar staat: 'Burgerschap is meer dan je plichten nakomen.’ Hoe stelt men zich dat voor, meer doen dan je plicht? Het is vast bedoeld om politieagenten en ambulancemedewerkers in hun dagelijkse strijd tegen burgers met een ontremd rechtvaardigheidsgevoel een hart onder de riem te steken. Maar als je dat bedoelt, moet je dat opschrijven.
In het debat over integratie binnen de PVDA was zo'n zelfde oprisping te zien: plotseling moesten mensen kiezen voor Nederland. En in een recent rapport van de Raad voor het Openbaar Bestuur schrijft een commissie onder voorzitterschap van PVDA'er Jacques Wallage (citeren in extenso is hier de moeite waard): 'De Nederlander is beter opgeleid dan ooit tevoren. Maar hij heeft vooral geleerd voor zichzelf op te komen en niet voetstoots aan te nemen wat anderen hem of haar voorhouden. Zijn autonomie is (mede dankzij internet en mobiele telefonie) versterkt. Maar over zijn plaats en rol in de democratische gemeenschap weet hij blijkbaar veel minder. In het onderwijs wordt aan burgerschap, staatsinrichting en maatschappijleer relatief [sic!] weinig aandacht gegeven.’
De burger weet zijn plaats niet! Het is allemaal vast vol goede bedoelingen, maar de rancune is tastbaar. En dat is dan nog 'links’. Diep van binnen wantrouwt 'Den Haag’ de burger, men ergert zich eraan dat ze niet stemmen of op de verkeerde partij, dat ze zich alleen maar als toeschouwers gedragen, of alleen hun eigenbelang nastreven. De achterliggende gedachte is dat de emancipatie te ver is doorgeschoten.
En omdat burgers niet te vertrouwen zijn, blijven de oplossingen voor problemen van de democratie beperkt tot 'Den Haag’; meer politiek (pleidooien voor meer debat of meer leiderschap), meer inspraak (referenda) of minder organen (Provinciale Staten weg, Eerste Kamer weg). Gevraagd of hij wellicht lid wilde worden van de redactie van het literaire tijdschrift De Gids zou Willem Elsschot geantwoord hebben: 'Zat ik daar niet al in?’ Zo reageren de burgers ook op de afschaffing van de Provinciale Staten: 'Zijn ze er nog dan?’

MENSEN MET GEZOND VERSTAND WILLEN GEEN INSPRAAK in overheid en politiek. Ze willen sturing in hun eigen bestaan. Het doel van democratie is burgers (meer) macht over hun eigen leven geven, niet om mensen meer in contact te brengen met politici. Het vertrekpunt voor de democratische staat was, zo eind achttiende eeuw, dat éérst mensen (mannen) regeerden zonder dat daar politieke afwegingen aan ten grondslag lagen. Leiders waren meestal de zonen van oude leiders. Die zelfbenoemde leiders wendden hun macht aan voor persoonlijk gewin, in plaats van het algemeen belang. Dat beviel de gewone mensen niet. Het bestuur moest ánders, niet per se 'van het volk’, maar transparant, regelmatig wisselend en vooral niet onderdrukkend maar gericht op het algemeen belang.
Tegen die achtergrond moeten we over Nederland en zijn boze burgers nadenken. Ons bestuur is niet het middel om de consument of de kiezer of de verantwoordelijke burger in onszelf te ontdekken, of het middel om gelukkiger te worden. Het dient om de willekeur en de irrelevantie van leiders te bestrijden. Inzet van opstanden is zelden 'de democratie als ideaal’, maar een grote variatie aan ergernissen over de leiding, die er meestal op neerkomen dat het publiek zich slecht vertegenwoordigd voelt.
De filosoof John Dewey (1859-1952), aan wiens leiband ik hier loop, schetst het verband met het 'individualisme’ dat rond dezelfde tijd als de democratie opkwam. Dat draaide om de onschendbaarheid van het individu volgens sommigen, om het individu als bron van alle recht volgens anderen, om het individu als snelste weg naar nutsmaximalisatie volgens weer anderen. Hoe dan ook ging het streven de laatste twee eeuwen een strategisch pact aan met het streven naar vrijheid van onderdrukking: de democratie en het individualisme smolten min of meer samen.
Het idee leeft nu sterk dat we van de versmelting van die twee de wrange vruchten plukken. Omdat over rechts men alleen nog 'via de kassa’ lijkt te willen democratiseren en over links men zich tevreden stelt met een stevige dosis 'zelfontplooiing’, is het resultaat de 'individualisering’ die de maatschappij uit haar voegen doet barsten. Dus hoor je: we zijn verdwaald in eigen hebzucht, in eigen opvattingen, we malen slechts nog om onszelf, er is geen sociale cohesie meer. Maar als 'vijftien miljoen mensen op dat heel kleine stukje aarde’ een liedje zo leuk vinden dat het eindeloos op 1 in de top-40 staat, dan is er geen sprake van een 'land van duizend meningen’ - zeker niet als het eigenlijk ook nog eens een reclameliedje was. Men vond het massaal zo leuk dat men een product moest kopen, dat men het massaal ook buiten de Ster om wilde horen.
Laten we verder niet schamperen over de overwegend keurige en veelal eensgezinde Nederlanders. Geen politieke kwestie is in de afgelopen eeuwen met meer dubbelzinnigheid omringd dan de bevrijding van het individu. We propageren dat de burger 'levenslang moet leren’, om zelfstandig te worden. Maar ondertussen is de afgelopen anderhalve eeuw nauwelijks een prominent politicus te verzinnen die, meestal in de buurt van de vijftig, niet serieus geconstateerd heeft dat de sociale cohesie door de modernisering in gevaar was. Deze neemt daarvoor een historisch verankerde norm - zoals het gezin met twee kinderen, het bezoek aan de zondagse mis of het allemaal hebben van een wit vel - als cruciaal voor samenhang in de gemeenschap en trekt uit het verscheiden van een of twee van die willekeurige historische normen de moeder aller conclusies: vroeger was het beter. Dat de gemeenschap gevaar loopt, is de wet van behoud van nostalgie. Het zou daarmee zomaar de sociaal wetenschappelijke variant op E=mc2 kunnen zijn, behalve dat nostalgie nou net niet de energie is waarmee je het Nederland van nu te lijf kunt.
Want in het leven van een individuele burger gaat het werken aan je ik 'via de kassa’ en 'via de cursus’ best goed samen. Daarom valt de schade van het individualisme in maatschappelijk opzicht telkens weer mee. Door de week ontplooi je jezelf, en in het weekend ontplooi je je portemonnee. En zolang we dat allemaal een beetje doen gaan de neuzen eerder meer dan minder dezelfde kant op. Niet alleen in Nederland zoals Jan Willem Duyvendak liet zien, maar ook in Amerika, waar de erfenis van 'Wall Street’ en de erfenis van 'Woodstock’ goed samen op gaan, zoals Mark Lilla beschreef in het meinummer van de New York Review of Books.
De jaren zestig hebben geen tegenstanders meer. De autonomie van het individu is een heilig huisje van links en rechts. En de erfenis van het economisch liberalisme, met veel eigen verantwoordelijkheid en zelf kiezen als cruciaal mechanisme, heeft ook geen principiële tegenstanders meer. In een politieke context, dus waar meningsverschillen, pijn en ergernis altijd blijven bestaan, kun je daarover niet anders zeggen dan: hoera.

DE KUNST IS DAT COLLECTIEVE INDIVIDUALISME met zijn onvermijdelijke wantrouwen niet te bestrijden, maar het in te bedden, om van het 'ik’ af en toe 'wij’ te maken. Expliciet grootschalige ondernemingen (meer nationale democratie of identiteit, drastisch minder overheid) zijn daartoe bij uitstek niet geschikt. Het recht om 'ik’ te zeggen is geen spaak in het wiel van de democratie, maar wel een pin die van collectieve ondernemingen handgranaten maakt - het is altijd weer interessant waar ze precies ontploffen.
We moeten ons daarom weer realiseren dat het de kleine dingen zijn waar mensen écht boos van worden. Ze worden het niet van voetballers die het Wilhelmus niet kennen, van een begrotingstekort dat niet onder de drie procent bnp blijft of van een burgemeester die ze niet kunnen kiezen. Ze worden het wel wanneer ze zich gepiepeld voelen, wanneer ze zich in de maling genomen voelen. Door hun huisarts die wil dat ze gewicht verliezen, door hun kabelmaatschappij die televisiepakketten biedt die ze niet willen, door hun verzekeringsmaatschappij die hun zestig keuzes voorlegt, door de directeur van de school van hun kinderen die achteloos laat weten dat het morgen inderdaad weer een 'bijscholingsdag voor het personeel’ is, door hun fysiek nogal fors uitgevallen buurman die geen zin heeft om de muziek zachter te zetten, door de stapel administratie die ze bij moeten houden voor het beetje subsidie voor hun burgerinitiatief, door hun media die hun wekenlang volstrekt infantiele 'verkiezingsdebatten’ voorschotelen. Dan willen ze hun rechten uitoefenen, maar het ontaardt steevast in schreeuwen en schelden - niet omdat men zijn plaats niet kent, zoals Jacques Wallage denkt, maar omdat die plaats er niet is.
Afhankelijk van wie van de kiezers van de winnende partijen je spreekt vreest men 'elites’ (de aanhang van Wilders en Roemer), verlangt men naar 'zelfontplooiing’ (de aanhang van Halsema en Pechtold), of wil men 'met rust gelaten worden’ (de aanhang van Rutte), maar wat daar achter zit is telkens de ergernis over het piepelen, de situaties waarin over het algemeen redelijk zelfstandige, verstandige mensen zich misleid, machteloos, overdonderd of overbluft voelen, en waarin hun reactie vervolgens niet per se de meest logische is, maar wel een voorspelbare: val dan maar dood. Val maar dood met je maatschappij die van de conflicten uit elkaar barst, val maar dood met je tien formulieren die ik alleen op dinsdagochtend om tien uur kan inleveren, val maar dood met je beloften over de AOW die je niet bent nagekomen, val maar dood met je zevenhonderd calorieën per dag die ik mag eten, val maar dood met je belastingaanslag.
De boze Nederlander staat niet in dubio in het stemhokje, maar met hartslag 180 op de tramhalte. Meer leiderschap, meer ideologisch debat, drastische bezuinigingen, ze kunnen net zo goed tot nieuwe tegenstellingen in het publiek leiden als tot meer vertrouwen of meer eenheid. Wie die kant op wil, moet zijn zegeningen tellen met de huidige opkomstcijfers en vertrouwenscijfers en de huidige achterban van het populisme, en het daar verder bij laten.

TOCH KAN HET WEL WAT MINDER met het wantrouwen. Het vergt om te beginnen twee dingen. Geen van beide punten zijn hoogdravend, want wat koop je daar nu uiteindelijk voor? Eén: Walk the walk and talk the talk. Geen enkele politieke partij in Nederland doet aan interne democratie. Men benoemt leiders achter gesloten deuren, legt potentiële volksvertegenwoordigers onder het motto stikken of slikken voor aan de leden en afwijken van fractiediscipline is over de hele linie anathema. Dan moet je niet verbaasd zijn dat je landje een democratische cultuur van likmevestje heeft, dat je burgers weinig frustratietolerantie aan de dag leggen wanneer de politiek fouten maakt.
Laat zien dat je democratie serieus neemt wanneer je wilt dat mensen houden van onze maatschappij, die in de kern en vóór alles democratisch is. Stel geen volksvertegenwoordigers zonder eigen opvattingen aan. Er is maar één maatstaf voor het hebben van opvattingen, en dat is het hebben van tegenstanders. Wie geen tegenstanders heeft, is misschien een goede bestuurder of leraar of ouder, maar een waardeloze politicus. Neem ook geen unanieme besluiten, noch als partij noch als coalitie. Kwesties waar iedereen in een groep vóór is, zijn eenvoudig niet goed doordacht en verdienen dus geen aandacht. Voorleven aan burgers dat meningsverschillen geen ruzie betekenen, is het minste wat je van een politicus kunt vragen.
Het tweede punt is het inbedden in plaats van afkatten van het collectieve individualisme. Burgers onderhandelen constant met hun omgeving. Dat vergt 'meesterschap’, om een term van Anthony Giddens te lenen. Het streven houdt de gemeenschap aardig in stand, maar het loopt ook tegen grenzen op. Dat zijn niet echt die van 'Den Haag’, maar eerder de grenzen in werk, school, ziekenhuis, woningbouwcorporatie, de ergernis dat men op cruciale momenten niet kan terugpraten tegen instituties en besturen en instellingen en bedrijven die het dagelijks leven sterk inkleuren - door geen hypotheek of lening te verstrekken, door schooltijden te veranderen, door gezondheidseisen te stellen, bustijden te veranderen, achterlijke verkiezingsdebatten te presenteren. Er zijn meer mensen dan politici die het leven van de Nederlanders bij vlagen ondraaglijk maken. Burgers moeten zich daar beter toe kunnen verhouden, of beter toe leren verhouden.
We hebben meer democratisch gereedschap in het dagelijks leven nodig, niet meer dialoog tussen burgers en politiek, maar tussen burgers en gezag. Er is natuurlijk al een overvloed aan ombudsmannen, ondernemingsraden en wat niet al. Daarom zal de verbetering uiteindelijk vooral een culturele moeten zijn: praten en terugpraten als enige manier om de maatschappelijke spanning wat draaglijk te houden - in alle delen van de samenleving. Dat zou niet alleen in het onderwijs moeten zitten, maar ook in opvattingen over maatschappelijk verantwoord ondernemen, in plannen waarmee 'Den Haag’ de eigen Wichtigmacherei te lijf wil. (Misschien naast rookpalen op NS-stations ook schreeuwpalen?) We hebben burgers door de eeuwen heen leren klagen. Nu zeggen dat het genoeg geweest is, is raar. Beter klagen, dat is de opgave.

Dit is een ingekorte en bewerkte versie van een artikel dat in juli zal worden gepubliceerd in Socialisme & Democratie