‘dat geteut over god’

Sjoerd Kuyper, Robin en God. Uitgeverij Leopold, 104 blz., f24,90. Ook nog verkrijgbaar: Robin en Suze en Robin op school
ONDER kinderboekenschrijvers is God niet populair, behalve binnen de traditionele christelijke jeugdliteratuur, waar de Here nog regelmatig optreedt in kwesties van zonde en berouw. De Griekse en Scandinavische godenwereld kunnen zich verheugen in een groeiende aandacht en er bestaan kinderbijbels van velerlei signatuur, maar voor een persoonlijke religieuze verbeeldingswereld is nauwelijks ruimte. Alleen wanneer de dood zich aandient, wordt er soms even aan geraakt, zoals aan het slot van Kleine Sofie en lange Wapper, waarin Els Pelgrom het vertrek uit het leven voorstelt als een eindeloze reis in een glanzende auto, de radio aan en een doos bonbons op schoot.

Tegen deze achtergrond is zowel de titel als de inhoud van Sjoerd Kuypers nieuwste boek verrassend. Het heet Robin en God en het is bedoeld om voor te lezen aan kleuters. Het gaat over een kleine jongen, die zijn opa bestookt met vragen over een aan zijn magisch brein ontsproten almachtig wezen, dat misschien wel ergens in den hoge huist.
Over Robin schreef Kuyper al een aantal boeken volgens beproefd recept: in afgeronde verhaaltjes aaneengeregen gebeurtenissen uit het kleuterbestaan. Naar goed gebruik is de hoofdrol daar voor een duo, zoals Jip en Janneke (Annie Schmidt), Hannes en Kaatje (Miep Diekmann) of Tommie en Lotje (Jacques Vriens). Robin echter opereert vooral in zijn eentje, dat wil zeggen in gezelschap van zijn onafscheidelijke vriend Knor het lappenvarken. Terwijl genoemde auteurs hun kleine protagonisten bijna altijd - op hoe bescheiden schaal ook - op avontuur laten gaan, doet Kuyper eigenlijk niet meer dan zorgvuldig op kleuterhoogte kijken, om vervolgens duidelijk te maken hoeveel daar te beleven valt. Zo is het erg spannend om je samen met papa te scheren, onthutsend hoe een baldadige vriend des huizes mama’s prachtige puddingkonijn met een lepel aan stukken mept en onbeschrijflijk lekker om vlak onder het laken te staan dat vader en moeder samen opvouwen.
SJOERD KUYPER (1952) situeert zijn sinds 1990 met regelmaat verschijnende Robin-verhalen bijna allemaal binnen de gezinssfeer. Waarschijnlijk zijn ze ontstaan uit een samengaan van jeugdherinneringen en ervaringen met zijn eigen kinderen. Beide moeten positief zijn, want Robins wereld is een veilige, waarin volwassenen aandacht, tijd en geduld hebben en kinderen alle ruimte krijgen om het leven uit te proberen. De achtergrond is die van een dorp, van een bestaan zonder televisie en computer, zonder ballet- of paardrijles. Een kind scharrelt er langs de slootkant, mag op de tractor van buurman, met opa naar de kermis en ’s winters op de slee naar school. En thuis is er een vader met engelengeduld. Die is niet te beroerd om dagelijks ongeveer driehonderdvierenveertig vragen te beantwoorden - hij is dan ook onderwijzer - en beschikt over een onmannelijk talent om zijn emoties te tonen.
Vooral in Robin en Suze (1993), waarin een zusje wordt geboren, is de vader een vertederende grote jongen, die van geluk niet slapen kan en zijn zoon in dat gevoel laat delen. Makkelijk is het niet om gelukstranen uit te leggen, zeker niet aan een jongetje dat daar van schrikt, maar Kuyper doet het zoals hij elk vraagstuk tackelt: door het met steeds iets andere woorden bladzijden lang over hetzelfde te hebben. Van ontroering zou papa wel aan de lamp willen gaan hangen, van het dak willen springen of de hele school onder de mayonaise willen smeren. ‘Ik wil altijd heel erg rare dingen doen als ik gelukkig ben. Heel erg rare dingen. Maar die doe ik niet. Want ik ben niet raar. Maar ik wil ze wel doen. Ik heb dan een hoofd vol rare dingen die ik niet doe… En ja, dan ga ik soms zo maar huilen. Gek he? Ik denk dat al die rare dingen die in mijn hoofd zitten mijn tranen naar buiten duwen.’
Als voorbereiding op dit gesprek hebben 'de mannen’ - zoals vader en zoon regelmatig worden aangeduid - eerst samen een plas gedaan, wat eruit zag als zwaardvechten met twee stralen. En na afloop is Robin aandoenlijk in zijn allerbelangrijkste vraag: 'Heb je ook gehuild om mij?’ waarop papa onvermoeibaar verder vertelt over zijn tranen en malle bokkesprongen in de nacht dat zijn zoon werd geboren. De kwetsbare opstelling en zoekende benadering, in combinatie met de zorgvuldige manier van formuleren, resulteren in een zo grote mate van intimiteit dat je als lezer af en toe het gevoel krijgt bevoorrecht te zijn dat je daarin mag delen. Alle belangrijke items in het leven van een klein mens komen aan de orde: de verhouding tot de ouders, een broertje of zusje krijgen, een vriend maken, voor het eerst naar school, knuffelen en vrijen.
Het is precies die intimiteit, waarin Robins vragen over God passen, ook al is het niet de ge weldige vader die ze deze keer beantwoordt: het eerste barstje in de symbiotische verhouding begint zich af te tekenen. En dat lucht op, want de idylle van het onwankelbaar harmonieuze gezinsleven met de grenzeloos onzelfzuchtige ouders begon na vier boeken wat eentonig te worden en daarmee niet altijd even geloofwaardig. In Robin en God is het de grootvader die tijdelijk de rol van rots in de branding overneemt. Het is kerstvakantie en opa en oma komen twee weken logeren. God is dan ook 'ingepakt’ in een sfeer van sneeuwballen gooien, kaarslicht en lekker eten.
KUYPERS introductie van zijn onderwerp is handig. Opa leest voor van het hebberige vrouwtje Piggelmee, dat als ultieme wens te kennen geeft Onze Lieve Heer te willen zijn. En daarmee springt de deksel van Robins vragendoos.
Papa heeft het niet zo op 'dat geteut over God’. Geloof is voor hem iets van heel vroeger, toen de mensen nog niets snapten van allerlei natuurverschijnselen: 'Dan denk je al gauw, er zal wel iemand zijn die dat allemaal doet.’ Met zijn eigen vader maakte hij er vaak ruzie over en hij ontsteekt opnieuw in woede wanneer hij zijn vader en zijn zoon samen op de knieen vindt om te proberen hoe bidden in zijn werk gaat. Opa heeft Robin net uitgelegd dat je dan 'je vingers een beetje moet husselen’ en dat God je niet kan zien, maar wel horen. Hij heeft namelijk heel veel oren. Voor ieder mens een oor. 'Maar in het oor voor papa heeft God een watje gestopt.’
Het zijn gave miniconversaties die het tweetal voert. De antwoorden zijn voorzichtig en regelmatig voorzien van vraagtekens. Opa weet het ook allemaal niet zo zeker en wanneer hij zich op de duim hamert en vloekt, bekent hij dat hij nu even helemaal niet zo in God gelooft. Maar de jeugdige vragensteller neemt hij wel volstrekt serieus.
Mooi onnadrukkelijk wordt het conflict tussen vader en zoon geheeld doordat opa vertelt hoe papa als kleine jongen, precies zoals Robin, dacht dat God op een heel verre ster woonde. Schitterend is het bezoek van grootvader en kleinzoon aan de kerstnachtdienst, waar opa maar zo'n beetje zingt van 'pom pom pom’ en 'falderie’ en de preek van dominee onverstaanbaar is. 'De dominee klimt een trapje op en gaat op een piepklein balkonnetje staan. Het is net alsof hij voor op een schip staat en uitkijkt over zee.’
DAAR IS DE auteur op zijn best, genietend van een zin of een woord. Ooit was Sjoerd Kuyper dichter (voor volwassenen) en dat blijft zichtbaar, ook al schrijft hij proza voor heel jonge kinderen. Babyhanden komen zo op papier: 'Haar velletje is nog een beetje te groot voor de vingertjes die erin zitten.’ En als kleine Suze breeduit lacht, is het 'alsof je een luciferdoosje openschuift’. Het besneeuwde landschap dat Robin door het busraampje ziet langsglijden, wordt als volgt uitgetekend: 'De wereld is witter dan zout, witter dan suiker, witter dan suiker en zout bij elkaar op een mooi gestreken wit tafellaken. Zo wit is de wereld. Maar donker is de lucht.’
In Robin op school (1994) wordt bovendien iets zichtbaar van het ingewikkelde begrip 'ontluikende geletterdheid’, tegenwoordig beschouwd als belangrijke voorwaarde om te leren lezen. Robin is druk in de weer om zijn lappenvriend Knor 'voor te lezen’ uit Poes Pinkie en hij is verrukt wanneer zijn eigen, door vader opgeschreven verhaaltje op papier woordelijk hetzelfde blijkt te zijn gebleven. Er wordt onbekommerd gedicht in de trant van 'Hiep, hiep hieperen, mama schilt weer pieperen’ en in de keuken duikt Paul van Ostaijen zelfs op met zijn 'reuzeke rozeke zoetekoeksdozeke’, naar aanleiding van Robins onbedoeld mooie zinnetje 'Hap zei de hond. Het is stil in mijn mond.’
Het is uitzonderlijk en terecht dat Kuyper zijn lezers niet te klein vindt voor de poezie van de taal. Het is jammer dat hij ze blijkbaar nog niet groot genoeg vindt om iets vaker te laten zien dat het in het leven zelf niet alles poezie is wat de klok slaat. Te meer omdat dat nogal eens de reden is om vragen te gaan stellen over het waarom en het hoe van God.