Interview: Jolande Withuis

«Dat het verzet links was, is een mythe»

In het boek Na het kamp, dat deze week verscheen, beschrijft Jolande Withuis hoe de lotsverbondenheid van ex-kampgevangenen onder invloed van de Koude Oorlog sneuvelt. De oorlog als gebruiksvoorwerp van politieke agenda’s. Een interview met de onderzoekster.

«In het ‹Hollandsche block› kon je over Nazidom en Moffen openlijk zeggen wat je wilt: geen angst dat iemand niet ‹safe› zal zijn, maar waag het niet den naam van onze Koningin anders dan fluisterend te noemen, of liever: wees verstandig: laat niet merken, dat je Oranjegezind bent, zwijg daarover helemaal. Ja, zwijgen, dat hebben de niet-communisten van Buchenwald geleerd.»

Dit schrijft overlevende Ton Elias op 9 juni 1945, terugkijkend op de situatie onder de Nederlandse gevangenen in Buchenwald. Zijn observatie is opgenomen in het deze week verschenen boek Na het kamp: Vriendschap en politieke strijd van socioloog en Niod-medewerker Jolande Withuis. Het citaat illustreert de onderlinge verhoudingen in een aantal concentratiekampen. Niet alleen hadden gevangenen de willekeurige moordzucht van de SS’ers te vrezen, ook woedde er een strijd op leven en dood tussen de communisten en niet-communisten. Door hun rol binnen de kampleiding konden communisten beslissen over het lot van hun lotgenoten. Zij lieten zich daarin misbruiken door de Duitsers, die binnen de kampen be wust een verdeel-en-heers-tactiek voerden. Van deze, relatieve, machtspositie maakten zij misbruik, zo laat dit boek zien. Zij bevoorrechtten hun eigen partijgenoten en straften andersdenkenden bewust af.

Buchenwald sloeg wat betreft «rode terreur» alles. Daar hadden de communisten de «groenen» (zware misdadigers) opgevolgd in de leiding over de dagelijkse gang van zaken in het kamp. Ze hadden banen, slechte en minder slechte, te verdelen. Dat ging ook over de dis tri butie van de meeste basale levensvoorwaar den, zoals brood en waterige soep of een plek in de ziekenboeg, wat in de wedloop tegen de dood soms het verschil was tussen sterven of even bijkomen om daarna weer door te ploeteren.

Op de Arbeitsstatistik werden fundamentele beslissingen genomen over het opstellen van lijsten voor transport naar nog ergere plekken. Vanuit hun sleutelpositie hebben de communisten bij de selectie katholieken, sociaal-democraten en Oranjegezinden via de Himmelfahrt-commando’s weggewerkt. Met de dreiging van zo’n transport oefenden zij bovendien een enorme geestelijke terreur uit. Daarnaast mishandelden ze medegevangenen om bij de SS in het gevlij te komen.

Het boek van Withuis wemelt van voorbeelden van misdadige praktijken. In het doorwrochte onderzoek staan onthullingen die de «Campert-affaire» doen verbleken en in een ander daglicht plaatsen.

Slechts één voorbeeld. Toen de sociaal-democratische senator «Stuuf» Wiardi Beckman in kamp Vught zat, zouden communistische ge vangenen hebben geprobeerd hem uit te schakelen. In hun ogen vormde hij als bestrijder van het dogma van de klassenstrijd een directe bedreiging. Bovendien gold dé man van de doorbraakgedachte als beoogd politiek leider van het nieuwe, naoorlogse Nederland. Ook later in Dachau zou hij door communisten zijn geschaad. Wiardi Beckman blijkt overigens, net als Jan Campert, een aantal indrukwekkende gedichten over die periode te hebben nagelaten. Zij zijn via kampvriend Pim Boellaard na de oorlog terechtgekomen bij zijn familie. Enkele ervan staan in dit boek.

Het beeld dat Withuis, na jaren onderzoek en bijna twee jaar schrijven, schetst van de lotgevallen van ex-gevangenen van de concentratiekampen in het naoorlogse Nederland is ontluisterend. De rol van de communisten is schokkend, hun hardheid op menselijk vlak onthutsend. Oud-Nacht-und-Nebel-gevan gene Ad de Jonge – overtuigd sociaal-demo craat en anticommunist – vertelde Withuis: «Je had in het kamp drie vrezen. Ten eerste de SS – absolute vrees; ten tweede, afhankelijk van de kamp verhoudingen, de communisten; ten derde de groenen. Het was de arrogantie van de macht: je was voor alles afhankelijk van de communisten, die elkaar beschermden. Dat zet kwaad bloed. Ik heb een communistische dokter meegemaakt die rechtstreeks, met een injectie, drie gaullistische officieren heeft vermoord.»

Al in de boezem van de bevrijding trok de animositeit onder invloed van de Koude Oorlog dwars door de gelederen van de diverse zelf organisaties heen. Door de nieuwe oorlog sneuvelden vriendschappen, werden herinneringen met terugwerkende kracht vertekend, reünies en onthullingen van monumenten verpest – ruzie over of Het Wilhelmus of De Internationale wordt gezongen – of onmogelijk gemaakt. Persoonlijke levens vielen na de oorlog alsnog in scherven door intimidatie en gekonkel.

In haar inleiding schrijft Withuis: «Niet alle vriendschappen overleefden de vrede. Niet al leen de samenleving sprong hardvochtig om met de teruggekeerden, ook onderling ging het er hard aan toe. Politieke, sociale, religieuze en levensbeschouwelijke verschillen, die tijdens de gevangenschap soms aan betekenis hadden verloren, herleefden na terugkeer in Nederland. Ex-gevangenen stonden lijnrecht tegen over mensen aan wie ze hun leven te danken hadden. De ruzies, splitsingen en uitsluitingen hebben overlevenden hard geraakt.»

Hoe de Tweede Wereldoorlog ook in het buitenland diende als instrument van ideologie maakt de wijze waarop Dachau en Buchenwald zijn herdacht pijnlijk duidelijk. Beide kampen ontwikkelden zich vanuit een tegengesteld politiek perspectief tot tegenpolen. Buchenwald groeide in de DDR uit tot een antifascistische tempel. De rol van de Amerikanen tijdens de bevrijding van het kamp was weggeretoucheerd. Dachau, dat ten tijde van de oorlog als een soort kaderopleiding voor SS’ers gold, was het westerse symbool van totalitarisme. Het lag in West-Duitsland. De ont hulling in 1968 van een monument in het kamp werd overstemd door een anti-Navo-demonstratie van marxistische studenten. Ze riepen over de hoofden van de aanwezige overlevenden dat het een militaristische aangelegenheid was. Withuis zegt, aan de vooravond van de presentatie van haar boek in het Niod: «Heel schrijnend; net als in de DDR ontbrak het deze ideologisch verblinden aan empathie met de slachtoffers.»

Op het toppunt van de Koude Oorlog kende de samenleving volgens Withuis nog maar twee partijen: de communisten en de anderen. De anderen leden onder de houding van morele superioriteit van de communisten, die zichzelf als de enige echte antifascisten zagen. Maar op hun beurt veranderden de communisten tussen 1945 en 1948 van helden in vijanden en van een gerespecteerd deel van de natie in een «vijfde colonne». Op die teleurstelling reageerden zij door zich te pantseren.

Omdat het herdenken in het klimaat van de Koude Oorlog volledig gegijzeld werd door politieke agenda’s werd de strijd om de erfenis van het verzet en de kampherinneringen hard gevoerd. Ad de Jonge daarover: «Het was ergerlijk dat de communisten altijd zo voorop stonden. Ze gebruikten de emoties van de oorlog. Zo konden ze mensen bereiken die ze anders niet zouden bereiken. Uit de kampen keerden allerlei mensen terug. Er was maar één groep die met die oorlogsslachtoffers een politiek doel had, namelijk: strijd tegen het fascisme, strijd voor de vrede.»

Over de wijze waarop de verschillende zelf organisaties tot stand kwamen, vertelde Gisela Söhn lein, overlevende van vrouwenkamp Ravens brück: «Het ging gepaard met een soort staats greep: de communisten zorgden ervoor dat ze op alle leidende plaatsen kwamen. Ze ma nipuleerden zichzelf in de voorste linies en hadden politieke doeleinden die wij niet hadden.»

Hoe de communisten tegen de anderen aankeken blijkt uit een citaat van communiste Gus ta Eleveld: «Wij hadden al in het kamp een grotere geestelijke rijpheid.»

Over de psyche van de communisten zegt Withuis, zelf afkomstig uit een CPN-nest: «In de jaren vijftig sprak men van ‹machine-zielen›. Dat komt in de eerste plaats door de gestaalde partijdiscipline waaraan zij zich onderwierpen. Maar het gaat psychologisch verder: als je denkt dat je weinig macht hebt, is het troostrijk daarvoor een verklaring te hebben buiten jezelf. Als je dan gaat leven volgens de strenge voorschriften van de partij geeft dat houvast, een gevoel van controle en macht. Het partijcommunisme werd ervaren als een overwinning op het primitieve arbeiderisme: beheerst en rationeel zijn, behoren tot de kern van gedrags- en gevoelsnormen. En dat ook nog met een wereldomvattend doel. Iedereen die daar niet in geloofde, diende te worden gewantrouwd.»

Het wantrouwen kwam van twee kanten. In de strijd tegen het rode gevaar groeide er, aangejaagd door de overheid, een sfeer van «mccarthyisme». Wie was er nog te vertrouwen, wie niet? Om daar achter te komen ronselde de Binnenlandse Veiligheidsdienst actief onder oud-verzetsmensen om andere verzetsmensen te bespioneren. Journalist Boebi Brugsma bijvoorbeeld, die Natzweiler en Dachau overleefde, werkte voor de inlichtingendienst. In 1952 werd Ad de Jonge op voorspraak van zijn collega Joop den Uyl door de BVD bij de Wiardi Beckmanstichting weggeplukt. De Jonge vertelde: «De dienst was in de jaren vijftig op zoek naar andere milieus dan de politie, omdat men die te rechts vond. Het inlichtingenwerk onder de comités van ex-gevangenen was meer inlichtingen inwinnen en kranten uitpluizen dan bestrijden, met uitzondering misschien van het Auschwitzcomité en Verenigd Verzet. We wisten precies in welke comités de communisten grote invloed hadden (Auschwitz, Buchenwald, Ravensbrück, Sachsenhausen) en waar minder (Dachau, Natzweiler).»

Het was voor Jolande Withuis vrij nieuw dat de BVD zo vol zat met oud-verzetslieden. Door haar onderzoek realiseert ze zich dat zij dat zelf zagen «als een logische voortzetting van hun verzetswerk». Alleen, dit keer in de strijd tegen een andere dictatuur, zonder direct gevaar voor eigen leven, en ironisch genoeg gericht tegen landgenoten waarmee ze kort tevoren een wrang lot deelden: «Lange tijd werd de BVD geassocieerd met zeer rechts en het verzet met links. Die claim dat het verzet links was is een van de mythes van de jaren zeventig.»

Na het kamp gaat niet alleen maar over «die eeuwige oorlog», zoals vaak wordt verzucht. Withuis toont hoe de twee oorlogen tegen de twee grote dictaturen van de vorige eeuw in elkaar overliepen, en daarmee de verhoudingen binnen de Nederlandse samenleving verregaand hebben beïnvloed. Het is misschien eerder een boek over de Koude Oorlog.

Dat het geschreven is voor insiders, zoals historicus Chris van der Heijden, de auteur van Grijs verleden, vorige week in Vrij Nederland stelde, is onjuist. De ruim vierhonderd pagina’s Na het kamp bevatten veel spannende passages, zowel voor de generatie die de oorlog bewust heeft meegemaakt als voor mensen die meer algemeen in de naoorlogse Nederlandse politiek zijn geïnteresseerd. Withuis verbindt het persoonlijke relaas met politieke geschiedenis. Iedere grote gebeurtenis op het politieke wereldtoneel – de dood van Stalin (1953), de Hongaarse Opstand (1956) – had direct invloed op de microwereld van de oud-gevangenen.

Daarnaast is het een boek over mensen die zich onder extreme omstandigheden psychisch en praktisch weten te handhaven. Sommigen deden dat direct ten koste van andermans leven, anderen bleven juist moreel fier overeind en redden met het risico van executie het leven van anderen. De anekdotes hierover zijn aangrijpend: iemand die zijn jas geeft aan een ander die bezwijkt onder de kou met de woorden: «Hier, ik ben alleen, jij bent nodig voor je vrouw en jongens»; een groep vrouwen die de baby van een medegevangene in een broodkist tot aan de bevrijding verzorgt; een man die bewusteloos op een stapel lijken voor de ovens ligt en wordt weggesleept door een vriend die in het crematorium werkt.

Withuis houdt aan haar onderzoek «helemaal geen eenzijdig, negatief beeld over van het menselijk handelen onder hoge druk». Van het begrip «grijs verleden» moet ze niet veel hebben: «Ik beschrijf zowel hevige conflicten als grote onderlinge steun. Mensen die in de kampen zaten, hadden hun nek al tegenover de Duitsers uitgestoken. In de beestachtige situatie toonden velen moed en behielden hun morele waardigheid.» Met zachte stem: «Er zijn er zovelen waar ik respect voor heb gekregen. Ze zijn me dierbaar geworden. Het zijn voor mij voorbeelden van hoe ik moet leven.»

Van een aantal mensen kan het de lezer niet ontgaan dat Withuis sympathie voor ze koes tert. Zoals Thea Boissevain, Pim Boellaard, Atie Siegenbeek van Heukelom: mensen uit gegoede milieus die in de ogen van communisten verderfelijk «bourgeois» waren: het waren de parels in de zwijnenstal. Withuis: «Zij waren de mensen van het fatsoen, zij hielden zich bezig met het lot van anderen, ook na de oorlog. Het zijn fantastische krachtige persoonlijkheden. Er ontstonden daar óók ware vriendschappen voor het leven. Ik citeer niet voor niets een van hen die zegt: de oorlog wordt getypeerd door de puurste vorm van naastenliefde direct naast de meest brute vorm van geweld.»

In haar inleiding citeert Withuis Frans de Bordes, die zich zestig jaar na de oorlog in een brief afvraagt hoe het komt dat hij zo veel vriendschappen heeft overgehouden: «Mijn ant woord: door de verantwoordelijkheid die je voor elkaar hebt leren dragen. Iemand voor wiens leven, voor wiens behoud je hebt moeten opkomen, al is het maar door een stuk brood te geven, af en toe, of door hem te ondersteunen op de weg naar zijn appèlplaats, wordt min of meer deel van jezelf; die kun je niet meer laten schieten zonder aan jezelf verraad te plegen.»

Withuis vindt het opvallend dat ook groepen als geheel een uitzondering op de regel waren, zoals de Nederlandse groep in concentratiekamp Natzweiler, bij een oud skioord in de Elzas, waar men moest werken in een steengroeve: «Wie Natzweiler zegt, zegt verhalen over hulp, dwars door politieke en levensbeschouwelijke overtuiging heen en door rangen en standen. Dit is het enige kamp dat al die zestig jaar sinds de bevrijding elk jaar door ex-gevangenen onder elkaar is herdacht en waarvan de overlevenden nooit verdeeld zijn ge weest in elkaar bestrijdende partijen. Of men nu rechts, links, chic of proletarisch was. Bij het publiek is dit kamp in de vergetelheid geraakt, misschien wel omdat ze zich van publieke uitingen onthielden.»

Withuis stelt dat de periode waarin de Tweede Wereldoorlog versmolt met de Koude Oorlog (zoals de communisten het zelf be schouw den: de Koude Oorlog is een voortzetting van de Tweede Wereldoorlog met andere middelen) grofweg duurde tot 1970-1972. Toen begon een andere kijk op de oorlog te ontstaan, minder politiek en meer vanuit de psychologie (het kampsyndroom). De discussie rond de vrijlating van de Drie van Breda bracht de ge moe de ren onder de kampoverlevenden breed in be roering en er kwam een einde aan het ambtenarenverbod voor communisten, die daar door weer binnen de «normaliteit» kwamen te staan.

Withuis heeft de verhalen van oud-gevangenen zelf soms ook als een schok ervaren: «Na mijn eigen afscheid van het communisme bleef toch over dat de communisten in ieder geval goed waren in de oorlog. En zelfs dat is dus niet waar. Direct na de oorlog was het kampgedrag van de communisten onderwerp van publiek debat, maar tijdens en na de jaren zeventig is het thema ‹rode terreur› weggespoeld. Links domineerde het politieke klimaat.»

In Nederland is het herdenken in een grimmige hokjesgeest volgens Withuis waarschijnlijk sterker geweest dan elders: «Nederland beschikte in 1945 niet over een serieuze militaire traditie met vaste herdenkingsrituelen en veteranenverenigingen. Maar al hadden we die wel gehad: de concentratiekampen met hun systematische massamoord wa ren een geheel nieuwe ervaring in de menselijke geschiedenis. Zelforganisaties moesten vanaf nul worden opgebouwd. Al die kwesties: hoe herdenk je deze moedwillige vernietiging en wie mag spreken namens de doden, speelden uitgerekend tegen de achtergrond van de politiek polariserende Koude Oorlog. Bovendien gold in de jaren van weder opbouw het adagium: geen poespas, doe maar normaal. Oud-verzetsmensen riepen dan wel: ‹We hebben het niet gedaan om de lintjes›, maar daaronder lag een poel aan ellende van gekwetste zielen. De overheid moest ook haar positie bepalen; dat verliep niet altijd even tactisch.»

Het idee voor haar boek kreeg Withuis nadat ze eind jaren tachtig haar proefschrift over de vrouwen van Ravensbrück had afgerond. Daarin laat ze zien hoe binnen de groep overlevenden meteen na de bevrijding een strijd losbarstte tussen de communisten en niet-communisten over de vraag wie er «namens» mocht spreken. Haar dissertatie leidde indertijd tot veel woede in communistische kringen.

Dat verbaasde haar niet, maar het zette haar wel aan tot de gedachte dat dit ongetwijfeld veel breder moet hebben gespeeld. Dat bleek zo te zijn. Op basis van tientallen gesprekken met overlevenden en een rijk scala aan bronnen materiaal kwam ze tot een ander beeld. Haar neutrale onderzoeksvraag was: hoe verging het de overlevenden van de concentratiekampen na de bevrijding? Voelden zij zich met elkaar verbonden? Hoe deelden ze met elkaar de ervaringen? Haar conclusie werd: lotsverbondenheid is niet vanzelfsprekend.

Withuis heeft «geen idee» hoe dit boek zal worden ontvangen: «Ik hoop dat lezers parallellen zien met de actuele werkelijkheid. Bijvoorbeeld hoe mensen zich gedragen onder om standigheden van ontmenselijking. Of: kun je de opstelling van de Nederlandse overheid in de jaren vijftig te genover de communisten vergelijken met de houding te genover radicale isla mieten nu? Minister-president Drees zei bijvoorbeeld tegen de communisten: jullie mogen jullie doden wel eren, maar bij de bevrijdingsfeesten zijn jullie niet welkom. Hij was keihard maar ook glashelder. Dat ben ik gaan waarderen. Maar je kunt ook constateren dat de communisten door hun isolement – er werd zelfs een ambtenarenverbod in gesteld – nog sektarischer en fanatieker werden.»

Maakt Withuis de communisten niet te zwart? «Nee», zegt ze: «Ik ben opgegroeid met De Waarheid. Toen ik me daaraan had ontworsteld, werd mijn drijfveer: waarheid door feiten. Ik zoek geen sensatie. Wel scherpte. En schrijven met empathie vind ik belangrijk. Inleven hoe iemand tot iets komt.»

Na het kamp is chronologisch opgebouwd, van de kampperiode tot de verzoenende jaren negentig na de val van de Berlijnse Muur. Daarnaast wordt een aantal kampen uitgelicht. Binnen deze context vallen drie subthema’s op. Naast het intimiderende machtsspel van de communisten in de kampen en in de periode daarna zijn dat: de lakse rol van de Nederlandse regering en het Rode Kruis ten aanzien van de gevangenen tijdens de oorlog, bij de repatriëring na de bevrijding van de gevangenen en de weinig loyale en royale houding in de naoorlogse jaren, die wordt gekenmerkt door krenterigheid, botheid en bureaucratie.

Het andere thema is de veerkracht waarmee mensen met zulke extreme ervaringen, berooid en vol smart om verloren familieleden, hun leven vol goede moed hervatten. Het wordt, niet expliciet, afgezet tegen de emotiecultuur van tegenwoordig, waarin het woord «trauma» onderhevig is geraakt aan ernstige inflatie.

Withuis: «Nederland leefde na de oorlog in een mentaal klimaat van tucht en ascese. Men was eerder bevreesd de slachtoffers door te veel aan dacht te verwennen dan dat men, zoals nu, be ducht was voor miskenning door een tekort aan aandacht. Na de oorlog ging iedereen ge woon weer aan de slag. Door te werken namen de mensen hun bestaan in eigen hand. Ze hadden dat daarvoor lang niet kunnen doen. Ik vind dat geweldig. Trauma’s worden nu makkelijk benoemd, zonder enige notie van wat het werkelijk kan inhouden. Dat vind ik banalisering.»

Bij de boekpresentatie zullen enkele geïnterviewde overlevenden aanwezig zijn. Ook Ca rel Steensma, ex-gevangene van Natz weiler en Dachau, met zijn ene been. Het andere, verbrijzeld door een kogel, moest door een medegevangene zonder narcose worden ge am puteerd. Maar de meesten zijn al overleden. Zij zullen deze vorm van gerechtigheid niet meemaken.

Jolande Withuis

Na het kamp: Vriendschap en politieke strijd

De Bezige Bij, 543 blz., & euro; 22,50