Denken over een postbancair tijdperk

‘Dat is dan 14 ether 95’

Geld is voorlopig nog een onmisbaar instrument. Maar dat wil niet zeggen dat het huidige financiële systeem onmisbaar is. Tien jaar na de kredietcrisis en met een nog grotere schuldenberg is het tijd voor verandering.

Medium 129508
De Rijkspostspaarbank, Haarlem, 1951 © Pim Stuifbergen / Spaaarnestad / HH

Het creëren van een nieuwe werkelijkheid begint doorgaans met een utopische visie. Bijna alle grote uitvindingen en sociale veranderingen zijn het gevolg van ideeën die, op het moment dat ze aan het eerste brein ontsproten, onmogelijk leken, of niet verenigbaar met de op dat moment geldende praktijk. Dat geldt ook voor de toekomst van ons bancaire systeem.

Het is dit jaar tien jaar geleden: de val van Lehman Brothers en de grootschalige reddingsoperaties in de bancaire sector die op verschillende continenten met publiek geld werden uitgevoerd om ons financiële systeem overeind te houden. Een systeem dat dreef (en nog altijd drijft) op een historisch ongeëvenaard grote hoeveelheid krediet. Vijf jaar terug, tijdens het eerste lustrum van de kredietcrisis, werd daar nog uitgebreid bij stilgestaan. Dit jaar echter vieren wij dat de crisis ‘voorbij is’, dat de huizenprijzen weer door het dak gaan, dat krediet goedkoper dan ooit te verkrijgen is en dat de aandelen van banken weer floreren.

Het collectief geheugen vergeet snel, ondanks verwoede pogingen van het Internationaal Monetair Fonds (imf) en de Bank of International Settlements (bis) om het op te frissen. Beide instellingen hebben de afgelopen tijd meerdere waarschuwingen doen uitgaan, ook aan Nederland. De enorme hoeveelheid schuld die nog altijd boven onze samenleving hangt en die inmiddels veel groter is dan in 2008, zal vroeg of laat over ons neerdalen, en dan zal de samenleving opnieuw de rekening moeten betalen. Helaas blijken deze waarschuwingen aan dovemansoren gericht.

Dat onze schulden zo hoog zijn, is zeker niet de schuld van bankiers alleen. De burger en wetgever hebben net zo goed hun aandeel in de crisis als banken en bankiers. Samen hebben wij in de afgelopen decennia de huidige kredietcultuur geschapen en gecultiveerd, in onze alom aangewakkerde honger naar groei, naar meer. Bankiers zijn hooguit diegenen die ons steeds ‘efficiëntere’ financiële instrumenten leverden om onszelf in de schulden te werken (een proces dat we eufemistisch ‘financiële innovatie’ noemden), en daaraan het meest verdienden.

Sinds die historische maandagochtend aan het einde van de zomer van 2008, toen de wereld kon aanschouwen hoe voormalige Lehman-bankiers ontredderd met een kartonnen doos en hun ziel onder hun arm over Wall Street liepen, is er veel kritiek geleverd op de rol van banken en op de mate waarin zij hun maatschappelijke functie en verantwoordelijkheid hebben verwaarloosd. Moest bankieren niet saai zijn, in plaats van spectaculair winstgevend? Hadden banken en de mensen door wie ze gerund werden niet een impliciete publieke verantwoordelijkheid om te waken over de stabiliteit van het financiële en kredietstelsel, waar de samenleving als geheel afhankelijk van is?

Een deel van de publieke kritiek vond haar weerslag in de tsunami van nieuwe wetgeving die banken en andere financiële instellingen over zich heen kregen, in het leven geroepen met de intentie een crisis als deze in de toekomst te voorkomen. Banken moesten financieel robuuster worden, meer in het belang van de klant gaan handelen, strenger zijn in het verlenen van nieuw krediet en meer van dat al. Maatregelen – niet zelden symboolpolitiek – die erop gericht waren de fundamenten en de structuur van het huidige financiële stelsel overeind te houden. ‘Want zonder banken kunnen we niet’, zo luidt een vaak gehoord argument wanneer men niet zozeer het handelen van financiële instellingen in de afgelopen decennia als wel het bestaansrecht ervan ter discussie stelt. Retoriek waarvan het ondersteunend vocabulaire in het post-Lehman-tijdperk zou worden verrijkt met woorden en uitdrukkingen als ‘systeeminstelling’ en ‘too big to fail’.

Intussen beschouwen veel bankiers hun maatschappelijke meerwaarde – en daarmee hun bestaansrecht – als een gegeven. Where Would We Be without Banks? kopt het artikel van Eric Johnson op de website van de Zwitserse zakenbank Credit Suisse. ‘Nergens’, zo luidt de impliciete conclusie. Het stuk leest als een lofzang op de historische verdiensten van het bankwezen in de afgelopen eeuwen; het verhaalt over hoe banken ons leven door de tijd heen steeds comfortabeler hebben gemaakt. Het waren commerciële banken die (de voorloper van) papiergeld ontwikkelden, wat het handelsverkeer aanzienlijk gemakkelijker heeft gemaakt. Ook creëerden zij het geld- en kredietsysteem dat we nu kennen en dat in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van onze economie en onze welvaart.

‘We vergeten de werkelijke waarde der dingen, en focussen te veel op de financiële waarde’

Allemaal waar. Waar het artikel echter met geen woord over rept is de keerzijde van het verhaal: de lange reeks van crises die onze geschiedenis inmiddels rijk is. Lees er de klassieker This Time Is Different van de economen Reinhart en Rogoff maar op na, die geeft een interessant overzicht van acht eeuwen financiële crises – waarin het bancaire stelsel vaak een centrale rol speelde.

Bancaire crises stonden op hun beurt aan de basis van een heel ander soort innovatie: de oprichting van centrale banken – doorgaans op initiatief van private bankiers zelf. Aanvankelijk dienden deze als een centraal punt voor gelduitgifte en als lender of last resort, later kregen zij van overheidswege ook steeds meer toezichtstaken toebedeeld om de stabiliteit van het fragiele systeem te waarborgen, met wisselend succes. Opvallend is dat naarmate het bancaire systeem ‘geavanceerder’ (lees: complexer) werd, de crashes elkaar steeds sneller opvolgden. Ook namen zij substantieel in omvang toe, met de afgelopen kredietcrisis als voorlopig hoogtepunt. In contrast met de publieke perceptie is de kredietcrisis van tien jaar geleden bepaald geen historische anomalie, ze past keurig in een lange historische ontwikkeling.

\*\*\*

Natuurlijk, het bancaire systeem heeft in niet onbelangrijke mate bijgedragen aan de ontwikkeling van onze economie en de welvaart waar we momenteel in leven, maar het creëerde ook een systemisch raamwerk en een instrumentarium waarmee wij als samenleving een schuldenberg konden ontwikkelen van een omvang die inmiddels niemand meer werkelijk kan overzien. Na de meest recente kredietcrisis is er, net als bij alle crises daarvoor, door tal van experts diep nagedacht over hoe het systeem beter kan functioneren. Tien jaar van nieuwe regelgeving en ‘hervormingen’ verder is het resultaat mager: een strenger gereguleerde doch nog veel hogere schuldenberg dan tien jaar geleden – en dan ooit tevoren.

Tot nu toe lijkt het tij niet te keren. Als in de bestuurskamers van financiële instellingen wordt gevreesd voor het eigen voortbestaan, dan is die vrees vooral gericht op de toenemende competitieve dreiging van techreuzen en nieuwe fintechbedrijven, die als paddenstoelen uit de grond schieten. ‘Rond 2025 zullen traditionele banken niet meer bestaan’, zo luidde de conclusie van het rapport The Future Shape of Banking dat accountant PwC in 2014 publiceerde. Steeds meer nieuwe spelers – variërend van Apple en Google tot kleine gespecialiseerde aanbieders van betaaldiensten – bieden inmiddels veel snellere en goedkopere betaalsystemen aan dan banken. En doordat zij vaak veel meer informatie over het leven van hun klanten tot hun beschikking hebben, via hun sociale-mediadiensten, zijn zij ook in staat om geavanceerdere kredietrisico-analyses te maken.

Dit baart zorgen, en wel om twee redenen. Ten eerste levert deze trend substantiële (privacy)risico’s op voor de burger, risico’s die een veel kritischer debat verdienen dan tot op heden wordt gevoerd. Maar belangrijker is wellicht dat het financieel systeem er in wezen niet door verandert. Het blijft een systeem dat wordt gedomineerd door commerciële instellingen die erop gericht zijn om zo veel mogelijk krediet te verlenen en daarmee schulden te creëren, vanwege de winst die ermee gemaakt kan worden.

\*\*\*

In economische termen wordt een crisis als niet veel meer beschouwd dan een cijfermatige correctie. In de praktijk ontvouwt een grote financiële crisis zich dikwijls als een collectief trauma, met alle sociale en politieke gevolgen van dien. De kredietcrisis is niet alleen uniek geweest in haar omvang, maar ook in het relatieve gebrek aan gevolgen ervan – althans voor landen als Nederland. Veel mensen verloren wel degelijk hun baan of werden gekort op hun pensioen, maar deze gevolgen verbleken bij de zeer ingrijpende maatschappelijke gevolgen van financieel-bancaire crises uit het verleden, waarbij massa’s mensen letterlijk huis en haard verloren. Door grootschalig overheidsingrijpen in het bankwezen konden een implosie van de financiële infrastructuur en zaken als massawerkloosheid worden voorkomen.

Dat dit soort effecten niet voorgoed tot het verleden behoren, bewijst de huidige situatie in Griekenland of Spanje, waar de schuldencrisis wel degelijk zulke effecten had. In hun honger naar financiële rijkdom verleidden anonieme, buitenlandse bankiers Grieken en Spanjaarden tot een leven op krediet. Dit kon een tijdje goed gaan, tot Icarus te dicht bij de zon vloog. De schuldenberg werd te groot en het vertrouwen viel weg. Het gevolg: massa’s burgers die hun huis, hun zekerheid en eigenwaarde werd ontnomen in een poging om het financiële systeem overeind te houden.

Waarom maken we het niet tot taak van de overheid om publieke bancaire diensten aan te bieden?

Als de handel in het instrument geld een eigen leven gaat leiden en er zoiets als een ‘financiële sector’ ontstaat, gaat de financiële waarde van dingen vroeg of laat prevaleren boven de werkelijke, maatschappelijke waarde. Wanneer een financiële sector een samenleving te veel gaat domineren, dan verandert haar karakter onherroepelijk van dienstbaar in destructief. Men hoeft maar naar Griekenland te kijken om te zien wat zo’n ontwikkeling voor maatschappelijk ontwrichtende gevolgen kan hebben. Tijdens de laatste financiële crisis mag Nederland in vergelijking met Zuid-Europa de dans grotendeels zijn ontsprongen, dit wil niet zeggen dat wij bij de volgende financieel-bancaire crisis niet ook veel heftiger effecten gaan zien van de schuldenberg die ook bij ons nog moet worden vereffend.

Schuld is een complex fenomeen, zeker in een samenleving waarin bijna iedereen zowel schuldenaar als schuldeiser is. De economische, maar ook de psychologische, sociale en politieke effecten ervan worden door velen onderschat. Te meer omdat onze generaties in feite nooit een werkelijke crisis hebben ervaren zoals in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw.

Een samenleving die langetermijnstabiliteit wil nastreven doet er goed aan om geen systemen te handhaven die schulden stimuleren en die bijna grenzenloos krediet kunnen creëren, zoals ons huidige bancaire systeem doet. De vraag die we tot nu toe voor ons uit hebben geschoven, maar die bij de volgende kredietcrisis hopelijk veel meer aandacht zal krijgen is: wat voor geld- en kredietsysteem dient het welzijn en de stabiliteit van onze samenleving op de lange termijn het best? Een systeem waarin commerciële banken de hoofdrol spelen en waarin de drijvende motieven gericht zijn op het almaar vergroten van de hoeveelheid schuld in de samenleving en op ogenschijnlijke financiële welvaart? Of wordt het tijd voor een heel ander systeem voor kredietcreatie en de roulatie van kapitaal? Een systeem dat is gericht op welzijn in plaats van financiële welvaart; een systeem dat wellicht geen hypercommercieel, maar meer een publiek of coöperatief karakter kent.

\*\*\*

Ons geldsysteem is continu in ontwikkeling. Het verandert voortdurend van vorm en van structuur, en daarmee veranderen ook de sociale en maatschappelijke effecten die het heeft op de samenleving. Rond het jaar 3000 voor Christus kwamen al rudimentaire geldvormen in roulatie. Banken, instellingen waarin geld wordt geaccumuleerd en vervolgens tegen vergoeding wordt uitgeleend, ontstonden echter pas aan het eind van de Middeleeuwen, met de opkomst van het vroegkapitalisme. In deze periode nam de invloed van de handel in geld (kredietverstrekking) op de samenleving een hoge vlucht. In The Ascent of Money: A Financial History of the World deelt de Britse historicus Niall Ferguson de financiële geschiedenis gemakshalve (en enigszins arbitrair) in tweeën: hij spreekt van pre-money societies – samenlevingen waarin zelfproductie en ruilhandel de toon zetten – en money societies, gemeenschappen met wat wij tegenwoordig ‘meer ontwikkelde’ handelsvormen noemen, waarbij een vorm van geld fungeert als algemeen ruil- en rekenmiddel.

Medium 112802
De Rijksverzekeringsbank aan de Pieter de Hoochstraat te Amsterdam, 1909. De grote werkzaal op de eerste verdieping, met daarin plaats voor 130 ambtenaren © Spaarnestad / HH

Als je door een utopische bril naar de toekomst kijkt, is het verleidelijk om de vraag te stellen: is er ook een ‘post-money society’ mogelijk? Een samenleving waarin geld nog wel aanwezig is, maar waarin dit instrument (evenals de handel erin) een veel minder dominante rol speelt dan vandaag. Vandaag lijkt zowel geld als krediet een onmisbaar instrument voor ons handelsverkeer. Ons economisch systeem, dat kapitalisme, marktwerking en competitie als voornaamste uitgangspunten kent, kan niet of nauwelijks functioneren zonder geld en zonder een infrastructuur waarlangs dit kan bewegen.

Sociaal theoreticus David Harvey ziet echter wel degelijk mogelijkheden voor een samenleving waarin geld in veel aspecten van ons dagelijks leven geen noemenswaardige rol meer speelt. Wijzend naar belangrijke veranderingen in ons collectief bewustzijn over welvaartsverdeling, over de relatie tussen (financiële) markten en de samenleving en over de verhouding tussen wat hij de use value en de exchange value noemt van alles wat we produceren en gebruiken, meent hij dat geld en het bancaire systeem zeer sterk van karakter zullen veranderen. ‘Het wordt steeds duidelijker dat geld als instrument voor waardebepaling veel te beperkt is voor de mens, en in veel gevallen een negatieve invloed heeft op ons waarde-denken. We vergeten de werkelijke waarde der dingen, en focussen te veel op de financiële waarde’, aldus Harvey. Het groeiend bewustzijn hieromtrent maakt dat steeds meer lokale gemeenschappen alternatieve ruil- en handelsstructuren opzetten, waarin conventioneel geld geen of nauwelijks een rol speelt.

Burgers zijn steeds beter in staat om hun eigen, van banken en overheden onafhankelijke geldsystemen op te zetten

David Harvey krijgt bijval van andere futuristen, zoals Thayne Ulschmid. Ons economisch systeem en de wijze waarop wij productie en handel organiseren zal volgens hem onder invloed van nieuwe productietechnologieën en communicatiemiddelen de komende decennia wezenlijk van karakter veranderen. Op veel terreinen – variërend van energieopwekking tot voedselproductie – transformeren consumers al geleidelijk tot prosumers, al dan niet georganiseerd in lokale netwerken en communities. Hierin neemt eigen productie, net als in vroeger tijden, weer een veel prominentere rol in en worden diensten en producten door het collectief voor het collectief geproduceerd, geruild en gedeeld.

Een bijkomend gevolg van deze nieuwe vormen van collectivisering is dat er inmiddels ook diverse vormen van een lokaal georganiseerd basisinkomen, al dan niet in natura – of in de vorm van toegang tot productiefaciliteiten – worden gecreëerd. Naast collectieve productienetwerken neemt wereldwijd ook het aantal ruil- en sharing-communities sterk toe. Kleine of middelgrote gemeenschappen waarin spullen of diensten onderling worden geleend en/of geruild, zonder dat er een financiële transactie aan ten grondslag ligt. Voorbeelden vinden we overal, ook in Nederland. De afgelopen jaren zagen tal van nieuwe ruilwebsites het levenslicht, zoals Swoppa, Geldloos.nl of Ruilen.nl. Dit soort parallelle ruil- en gebruiksnetwerken creëren economische biotopen waarin de rol van geld wordt gemarginaliseerd. De waarde van de dingen wordt bepaald op basis van de persoonlijke relatie tussen de actoren en op basis van de gebruiksbehoefte, in plaats van de bezitsbehoefte van de mensen. In plaats van dat mensen eerst dat wat ze weg willen doen verkopen om met dat geld vervolgens iets anders te kopen, ruilen ze onderling direct van goed. Een belangrijk voordeel in dit soort netwerken is ook dat de handel in geld (het bankbedrijf) nauwelijks toegevoegde waarde kent, en dus ook niet de kans krijgt om een eigen leven te gaan leiden.

\*\*\*

Lokale of regionale geldloze economische netwerken werken op diverse plekken in de wereld al behoorlijk goed en efficiënt. Op grotere schaal is het concept post-money (of: moneyless) society voorlopig nog een verre stip op de horizon; voor facetten van onze geglobaliseerde economie blijft geld voorlopig nog een onmisbaar instrument. Maar dit wil niet zeggen dat het huidige financiële systeem onmisbaar is. Hierin kunnen we wel degelijk een aantal belangrijke veranderingen aanbrengen. Twee revolutionaire maatregelen zijn een stevige maatschappelijke discussie waard.

De eerste is een verregaande terugdringing van de commerciële handel in geld en krediet. Vandaag zijn het private banken die de wereld van kredietverlening domineren. Daar verdienen zij fors aan. Kunnen deze diensten niet ook worden ondergebracht in publieke, non-profitinstellingen? Na de redding van banken als ABN Amro en SNS Reaal gaf de minister van Financiën aan deze banken weer naar de beurs te willen brengen ‘wanneer de tijd er rijp voor zou zijn’. Waarom? Waarom maken we het niet tot taak van de overheid om publieke bancaire diensten aan te bieden; de bank van de toekomst die van ons allemaal is, en er voor ons allemaal is? Een publieke instelling die burgers de mogelijkheid geeft om veilig hun geld te stallen, een veilige betalingsinfrastructuur biedt en ook kredieten verstrekt, maar dan wel bestuurd vanuit een veel holistischer kijk op het welzijn van de samenleving, en niet op het kaal maximaliseren van ‘shareholders value’. Ons geldsysteem mag dan een private oorsprong kennen, inmiddels is het een van de belangrijkste publieke infrastructuren die we kennen. Waarom deze dan ook niet (voor een belangrijk gedeelte) in publieke handen leggen?

Een tweede maatregel om tot een fundamenteel ander geldsysteem te komen is het creëren van een nieuw anker voor ons geld, waardoor de geldhoeveelheid begrensd wordt. Vroeger was de geldhoeveelheid gekoppeld aan de goud- of zilverreserves van een samenleving. Die koppeling bestaat niet meer. Momenteel kunnen zowel centrale als commerciële banken bijna grenzenloos geld en krediet creëren. Willen we naar een geldsysteem dat bijdraagt aan maatschappelijke stabiliteit in plaats van een systeem dat dit ondermijnt, dan zullen we grenzen moeten stellen aan de hoeveelheid geld en krediet die rouleert in onze samenleving. Alleen zo kunnen we verdere groei van de schuldenberg – met de continue dreiging van een nieuwe crisis – voorkomen.

De afgelopen jaren is door diverse economen en instituten als het imf gediscussieerd over nieuwe monetaire ankers. Moet het goud zijn? Of iets anders? Economen verschillen (zoals gebruikelijk) van mening over welk soort anker de beste oplossing biedt. Maar laat het debat over de vraag of ons geldsysteem opnieuw verankerd dient te worden niet alleen door economen voeren, maar onderwerp zijn van publiek debat. Uiteindelijk moet het geldsysteem de samenleving dienen, en geen enkel ander doel.

Opvallend is dat waar centrale en internationale overheden het tot nu toe verzaken in werkelijke hervorming van ons geldsysteem, burgers steeds vaker besluiten dit zelf te doen. Op lokaal en regionaal niveau zien we in Europa succesvolle voorbeelden van alternatieve munten als de sardex en de Brixton pound, die inmiddels een belangrijke positieve bijdrage leveren aan de economie en de samenleving. Naast regionale systemen ziet een snel groeiend aantal mondiaal opererende crypto currency-systemen als bitcoin, litecoin en ether het levenslicht. Of die laatste allemaal even succesvol zullen zijn valt te betwijfelen. Belangrijker is de onderliggende trend: burgers en gemeenschappen zijn steeds beter in staat om hun eigen, van banken en overheden onafhankelijke geld- en betaalsystemen op te zetten.

In lijn hiermee zijn ook nieuwe, alternatieve kredietsystemen in opkomst – niet zelden omdat dat de kredietverlening van traditionele banken opdroogde. Coöperatieve, zonder winstoogmerk opererende collectieven waarin kapitaal tussen de deelnemers direct wordt geïnvesteerd, uitgeleend en uitgewisseld, zonder dat er een commerciële partij tussen zit. Volgens de website fundwijzer.nl telt ons land alleen al tientallen lokale kredietverenigingen, met een focus op een bepaalde regio (Amersfoort, Amsterdam, Limburg) of een specifieke sector (binnenvaart). Volgens de World Council of Credit Unions (woccu) zijn er mondiaal al ruim 56.000 kredietunies actief, met samen meer dan tweehonderd miljoen deelnemers. Een groot voordeel van deze structuren is dat de krediethoeveelheid beperkt blijft tot het vermogen dat er daadwerkelijk in omgaat, en dat er niet semi-uit-het-niets nieuw geld of krediet kan worden gecreëerd. Ook blijkt dat de motieven waarmee deelnemers aan dit soort collectieven leningen verstrekken en kapitaal investeren vaak veel ruimer zijn dan slechts het maken van winst. Men heeft veel meer affiniteit met het doel waartoe het kapitaal wordt ingezet. De uitlener en de lener staan in zulke structuren veel directer in relatie tot elkaar dan bij een conventionele bank, waar niemand meer weet wat er door de instelling eigenlijk met zijn of haar geld wordt gedaan. Dit kan niet alleen bijdragen aan meer sociale cohesie, maar ook aan een groter vertrouwen in de financiële infrastructuur waaraan men allen deelneemt.

Wanneer het gaat over kredietunies en andere coöperatieve initiatieven komen beleidsmakers en toezichthouders vaak met het argument dat deelnemers eraan niet goed in staat zijn om kredietrisico’s in te schatten van diegenen aan wie ze hun kapitaal uitlenen. Dit is ten dele waar. Je kunt je echter afvragen of de technologie die Apple of Google nu helpt om risicoanalyses te maken niet net zo goed ten bate van zulke collectieven kan worden ingezet, wanneer die in het beheer is van een publiek orgaan, zoals een (lokale) overheid of een door burgers beheerd collectief. Het belangrijkste dat de vele nieuwe geld-, betaal- en kredietinfrastructuren die momenteel door burgers, publieke instellingen en communities worden ontwikkeld laten zien is dat het bestaansrecht van het traditionele, commerciële bancaire stelsel wel degelijk ter discussie kan en moet staan. Tien jaar na de kredietcrisis en met een nog grotere schuldenberg wordt het tijd dat wij, burgers en overheden, daadwerkelijk richting de horizon van het post-bancaire tijdperk durven kijken.