Anne Büdgen

Dat je moet wenen

Anne Büdgen
Ze hapte van een tomaat
De Arbeiderspers, 48 blz., € 15,95

Pim te Bokkel, Hélène Gelèns, Ester Naomi Perquin en Bernard Wesseling zijn dit jaar genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs, de prijs voor het beste poëziedebuut van de afgelopen twaalf maanden, die op 20 juni tijdens het Poetry International-festival zal worden uitgereikt. Een puik viertal waar ik volgende maand uitgebreid op terug zal komen, maar laat ik vast stellen dat Perquin een goede kans maakt, want zij debuteerde verdienstelijk, gelet op nu al klassieke regels als: ‘Ik ben wel teruggegaan maar/ alles was zo groot dat ik ons achteraf/ misschien al kleiner heb gedacht’, of: ‘Iedere dood raakt aan eerdere doden/ en iedere rouw aan de rouw van weleer./ / Tussen de banken gaan onze skeletten/ als wilde supporters tekeer’. Zoals het een debuut betaamt geeft de bundel ook minder geslaagde beelden te lezen, zoals dat van een man die zich scheert en ‘met een mes/ de wolf van zijn gezicht’ haalt, of een wel heel zwaar aangezette romantica als ‘Aan het einde van de slaap bleef/ jij nog maanden duren’. Krasjes die je snel wegzeemt, omdat er veel moois is te halen in deze eerste kennismaking.
Dat het niet altijd feest kan zijn, wordt getoond in het debuut van de dichter Anne Büdgen, Ze hapte van een tomaat. Dit is schrijversvakschoolpoëzie, waarmee ik niet wil zeggen dat er nooit goede schrijvers aan de schrijversvakschool afstuderen, maar wel dat goede schrijvers alle geleerde lessen overboord zullen kieperen om ontembaar als een wildebeest de oud-docenten de vinger te geven en aan het werk te gaan. De minder begenadigden schrijven dit:

De stilste stad

dit is de stilste stad

ergens laat een kind een handje

knikkers vallen de kerktoren trilt

geluidloos schuiven trams

de huizen in en uit

vliegen fluisteren hun geheimen

aan de ramen

hongerige mondjes happen

naar hun moeders

ze huilen niet

en dan natuurlijk al die plekken

wat we aten waar we zaten

ons bestek

met elkaar praatte

Les 1 op de schrijversvakschool is: gebruik bij voortduring enjambementen, oftewel: breek de regels zo af dat de lezer steeds even op het verkeerde been wordt gezet en huh roept, alvorens hij door het harde ge-enter heen weet te lezen en de regels alsnog leest zoals ze bedoeld waren. Een merkwaardige hobby waar het merendeel van de Nederlandse dichters zich nochtans bij voortduring van wenst te bedienen. Les 2 op de schrijversvakschool is: maak het herkenbaar. Dus geen pietgerbrandyësk gereutel vol klank en taal waar zelfs de beul geen touw meer aan kan vastknopen, maar gewoon algemeen beschaafd liefdesverdriet: twee adolescenten die geen woord met elkaar te wisselen weten, waarop beider bestek maar een goed gesprek start. En vliegen die steeds maar weer een aanloop nemen en tegen het glas aan kukelen, en dan een beetje als een zombie voor de ruit heen en weer dansen, daar maken we van: ‘vliegen fluisteren hun geheimen/ aan de ramen’.

Mocht je aan de schrijversvakschool studeren en aansturen op een schorsing, stel dan de volgende vraag aan de dichter: wat voor een geheimen fluisteren die vliegen eigenlijk? Verhalen ze over het aantal lensjes waar hun ogen uit bestaan, over de ziektes die ze kunnen overbrengen, over hun vorige leven waarin ze onze vaders waren? Of is het geheimen fluisteren gewoon een metafoor voor zoemen? Maar dan zou ‘fluisteren’ volstaan, dus nee: het gaat erom dat die vliegen iets doen dat onze verbeelding te boven gaat. Wat dan in vredesnaam? De kerktoren trilt omdat de klok luidt, de trams schuiven huizen in en uit omdat dat de reflectie is van de tram in de ruit, en baby’s kermen omdat ze willen eten, wat allemaal niet wordt gehoord, omdat iemand op iemand verkikkerd is. En dat is het dan. Je kunt erop rekenen dat de dichter ook de wasdroger, de fluitketel en het luchtalarm op de eerste maandag van de maand niet hoort. Maar dit gedicht schreeuwt om een beeld dat we nog niet voor ons zagen, om een woordenreeks die knap gesprokkeld is of om een wending die de lezer het zweet doet uitbreken.

de keuken is witter dan ooit

kozijnen springen

spiksplinterend van de ramen

kinderen spelen geweld

tussen neonkleurig groen

terrassen wijken uit

voor de volgende invasie

in een wolk van gefladder

trekken vliegen ten strijde

vechtend om de laatste druppel winter

stervend in de vensterbank

Soldaatje spelen wordt ‘geweld spelen’. Een aangelegd bosschage wordt ‘neonkleurig groen’. Een oplichtend kozijn op de eerste lentedag oogt ‘spiksplinterend’. Het zijn synoniemen waar je geen genoegen mee neemt, zelfs niet van een debutant. En dan hebben we het ergste nog niet gehad, namelijk een schier oneindige hoeveelheid regels waar het zo mis gaat dat je moet wenen, regels als: ‘nu ik nou ja de trein de stad uit rijdt’, of: ‘zoekend naar lucht ademen we elkaar vol/ met woorden van altijd en voortaan’, of: ‘men vraagt mij stukken te hertalen/ her, zei u, en talen?/ woorden verdwalen onder handen’, of: ‘die avond verdween/ met haar make-up/ haar gezicht in de wastafel’ of: ‘ik ben een vrouw in ’t diepst van mijn gedachten/ maar toch vooral een deugdelijk product/ geen in- of uitgang is aan mij mislukt’. Als dit nieuwe poëzie is, geef me dan de oude maar.

De Russische schrijver Isaac Babel debuteerde in 1915 met redelijk succes in een literair tijdschrift waarvan Maxim Gorki redacteur was. Gorki ontfermde zich over de sneltevredene en gaf hem het volgende advies: ga leven. Maak dingen mee. Babel nam de raad ter harte en meldde zich als vrijwilliger bij het Rode Leger. Hij vocht in 1920 mee in de Pools-Russische Oorlog en schreef er later zijn meesterwerk over: Rode Ruiterij. Nu is Büdgen geen Babel en hoeft ze ook heus niet zwaarbewapend naar het front, maar iets meemaken en het over tien jaar nog eens proberen, dat advies durf ik haar hier wel te geven.