Dat kan erg grappig zijn

wasdagen

Soms gebeurt het als je brak naar de wasserette gaat
ziet hoe wasmachines zich voor je uitsloven
geuren uit kleding verdrijven
en schone dagen beloven

Dat er iemand een deuntje fluit en even
naar jou kijkt en je voordat je het weet
samen in een flamencobar belandt
elkaar wanhopig aanstaart
vraagt of het morgen mooi weer wordt
en waar de was gebleven is

Als we uiteengaan zeg je
dat je de was niet meer op zaterdag doet
dat we voortaan de wasdagen zullen verdelen


Kira Wuck, Finse meisjes, € 15,-

Op het omslag van Finse meisjes, de ­debuutbundel van Kira Wuck, staat een slecht geklede jonge vrouw met een konijn in haar armen op een betonnen vloer voor een paar knalgroene, gesloten deuren. Haar hoofd is gehuld in een enorme konijnenkop. De lelijkheid is te gezocht om voor absurd te kunnen doorgaan. Het is aannemelijk dat hier een statement wordt gemaakt, maar welk? Wuck (1978), bekend van optredens op menig festival, profileert zich als half Fins, half Indonesisch. Waarom moeten we dat weten? Alles in de presentatie van dit debuut riekt naar gelikte marketing, die inmiddels zijn effect heeft gehad, want voorzover er in poëzieland sprake kan zijn van hypes is dit er een.

Het konijn komt ook voor in een van de gedichten. ‘Je kan heel vrolijk kijken zonder te glimlachen/ zei de ambtenaar terwijl hij mijn pasfoto keurde’. Klinkt dit geruststellend, het verhoor dat daarna plaatsvindt begeeft zich op minder onschuldig terrein:

Wat is het ergste wat je gedaan hebt, vroeg hij

een konijn vergeten uit de zon te halen

ik wist niet meer of het expres gebeurde

wel dat de kamer naar verkoolde worst ging ruiken

Het vrolijke meisje blijkt een dierenbeul, zij het uit nalatigheid. De laatste strofe zou op een begin van berouw kunnen duiden:

Ik legde mijn melktanden onder een kussen

maar kreeg er nooit een knaagdier voor terug.

Hoe de ambtenaar hier vervolgens op reageert, wordt niet meegedeeld.

Het gedicht is typerend voor wat Wuck doet. Op laconieke toon wordt een al dan niet pijnlijke anekdote opgetekend of een naargeestig portret geschetst, waarbij het gebrek aan context een soms verontrustende vreemdheid veroorzaakt. Dat kan, zeker waar Wuck overdrijft, erg grappig zijn. Finse meisjes, zo stelt het titelgedicht, ­zeggen zelden gedag, maar dat komt niet door verlegenheid of arrogantie, ‘je hebt alleen een beitel nodig om dichterbij te komen’. Ze bestellen bier voor zichzelf, reizen de hele wereld af terwijl hun mannen thuis zitten te wachten, ‘als ze boos zijn sturen ze je een rotte zalm’. Na zulke regels wil ik graag een paar Finse meisjes leren ­kennen, maar ik hoef het gedicht niet te ­herlezen. Hoe komt dat? De bundel ademt een prettig soort treurnis, maar het is niet ­gemakkelijk contact te maken – in die zin is het ­inderdaad poëzie van een Fins meisje. Zoals de vrouw op het omslag zich verbergt achter een groteske vermomming geven de enigszins terloops geformuleerde gedichten weinig bloot. Het is allemaal een beetje ­vrijblijvend, er staat niets op het spel, de taal zingt niet en wringt niet.

De protagoniste presenteert zich als iemand die zo onzichtbaar is geworden dat communicatie weinig zin heeft. ‘Ik vraag aan iemand of hij mij herkent’, maar het antwoord blijft uit. Meermalen is er sprake van wegkruipen, onderduiken in slaap of het sluiten van gordijnen: ‘Ik kroop in een vreemd bed/ trok mijn knieën op en sliep de hele zomer’. Of: ‘Ik verstop mij in een lichte roes onder het tafelkleed’. En ‘na een winterslaap strekken we onze ruggen/ eten elkaars placenta op en/ worden voor het eerst dronken’.

Er wordt stevig gedronken. De Finse moeder geeft het goede voorbeeld. Zij is ‘verliefd op mijn logopedist’, komt alleen voor de spraaklessen van haar dochter het huis uit, en ‘op mijn verjaardag drinkt ze andere moeders onder tafel’, waarna haar danssolo begint, ‘benen hoog in de lucht’. Het is verleidelijk om de verwijzing naar ­logopedie als een poëticaal signaal te lezen: de dichter is geen gemakkelijke prater. De con­cen­tratie op – al dan niet gefingeerde – jeugd­herinneringen versterkt de indruk dat er iemand aan het woord is die zich ontheemd en stuurloos voelt. ‘Mijn vader leert mij fietsen’, zegt ze, ‘en laat mij los op een berg/ mijn voeten zoeken de trappers en ik ben bang/ maar hij weet dat ik het kan vandaag’.

Het verlangen naar geborgenheid en intimiteit manifesteert zich ook bij de mannen die voorbijkomen:

Hij ligt in bed met zijn sokken van gisteren

lichtblauwe reclamefolders met palmbomen

meisjes in bikini’s stapelen zich op

daartussen vleesreclames

vanbinnen zien we er allemaal uit als gehakt

Vlees is een constante in Finse meisjes, evenals vis. De leukste mannen eten hun biefstuk rauw, stelt een van de sprekers, die verklaart niet bang te zijn voor bloed. Drie strofen verder transformeert de steak tot miskraam, ‘een homp vlees in een handdoek/ die in elkaar krimpt als je het aanraakt’. Elders wordt iemand aan­gestaard door gekookte varkenshoofden, en wanneer vriendin Sylvia aan het dansen is, kijken de mannen ‘naar het vlees in haar nek’.

In deze liefdeloze wereld is de omweg van het spel nodig om elkaar te bereiken. In het eerste gedicht verschijnt de vader als schaakstuk, een Roemeen ‘die zijn achtergrond verloor’ is een vakkundig poolspeler, een fooi verdwijnt in een niet functionerende flipperkast en het ultieme avontuur voltrekt zich in een hal met speelautomaten:

ik klim achterop

we rijden door zuurstokroze velden

achter ons horen we flipperkasten

ze klinken steeds verder weg

Het is duidelijk dat Kira Wuck een eigen stem heeft.

Nu nog een substantieel verhaal.


Kira Wuck
Finse meisjes
Podium, 54 blz., € 15,-