Toneel: De jonge Brecht revisited

«Dat land van god is veel te klein»

Drie musici, een zanger en een verteller in een vooronder aan de Waal. ELS Inc. reist het land door met volksopera’s. De jonge Brecht revisited.

Nijmegen - Het festival aan de Nijmeegse Waalkade heet Armada maar oogt als de onschuld en de vredelievendheid zelve. De kassa, een grote en wat kleinere cafégelegenheden, een terras en een openluchtmassagesalon zijn gebouwd op een vriendelijk weiland, half verscholen onder de gigantische brug voor snelverkeer richting Arnhem. Er is een fraai uitzicht op het ford Belvédère en het Valkhof, hoog boven deze «Passantenhaven», waar platbodems en duwboten liggen, zoals de Multimediaschuit Zeester en de theaterboten Impala en Quinta - locaties voor het merendeel van de voorstellingen van de «Culturele Vloot Armada». Nijmegen heeft iets nieuws toegevoegd aan de niet-aflatende reeks zomerspektakels, en het ziet er allemaal nog onschuldig uit, niet bevlekt door de horecastoottroepen en patjepeëeruitbaters die evenementen als De Parade en De Boulevard onveilig maken. De Armada mag nog maagdelijk zijn maar is meteen ook al mateloos populair (veel van de voorstellingen zijn uitverkocht), dus zal ook zij spoedig overgeleverd zijn aan de patatmaffia en de bekende-Nederlanders-liefdadigheids-diners. Een nachtclubboot (De Duffelt) en een sushi-restaurant hebben ze alvast.

In het vooronder van de theaterboot Quinta gaat het bij de late avondvoorstelling om kwart voor elf al tijdens het stemmen van de instrumenten mis: het theaterlicht valt uit. De verteller, die zich backstage al aan het warmlopen was, fluistert de accordeonist iets in het oor en die stelt meteen de overvolle tribune op de hoogte van wat we zojuist zagen gebeuren: het theaterlicht is inderdaad definitief uitgevallen. De muzikant/zanger, voor geen gat te vangen, stelt meteen voor met een meezinger te beginnen («Trouw zijn, altijd bij jou zijn») en krijgt het publiek in minder dan geen tijd mee. Terwijl de verteller om een technicus en een zaklantaarn roept, werken de vier overgebleven uitvoerenden een compleet repertoire af van highlights uit andere voorstellingen dan die waarvoor we hier zitten. De theaterboot Quinta ligt aan de laatste strekdam, dus het is voor de twee technici met een zware kist vol nieuwe zekeringen een eind wandelen, maar na ruim een half uur flikkeren de pretlichtjes weer aan en nemen de twee sleutelaars alvast een plukje opgelucht applaus in ontvangst. De «volksopera» waarvoor het vooronder is volgelopen kan eindelijk beginnen.

Volksopera - mijn standaardwerken over de muziekgeschiedenis (er)kennen het genre niet en het zal ook wel uitgevonden zijn door jongens van de straat die zich aan ieder standaardwerk onttrekken. De jonge Bert Brecht en zijn briljante componist Kurt Weill (zijn honderdste geboortedag wordt juist dit jaar wereldwijd herdacht) komen nog het dichtst in de buurt, maar hun eerstelingen, de Driestuiversopera (dit seizoen sinds lang weer eens op het repertoire van het beroepstoneel) en Opkomst en val van de stad Mahagonny noemden Brecht & Weill het liefst «anti-opera» - ook geen term uit de standaardwerken trouwens. Weills jongste leerling heet Jef Hofmeister en hij is tevens de incarnatie van de jonge Brecht, want ook verantwoordelijk voor alle liedteksten.

Zijn volksopera’s zijn muzikale vertellingen, duren ruim een uur, de liederen worden acterend gezongen en zijn verbonden door een vertellerstekst. Er is nauwelijks decor en schaars toneellicht, de muziek en de vertelling zorgen voor de theatrale illusie. De volksopera’s kunnen overal worden opgevoerd: in kleine theaters, in cafés, op feesten, in de open lucht, in buurthuizen en jongerencentra, in foyers en, zoals hier, in het spelonkige vooronder van een platbodem. Hofmeister, van huis uit meubelmaker en op dit moment in het «gewone» leven naar eigen zeggen «handelaar in tweedehandsgoederen», heeft nu drie volksopera’s op zijn naam staan: De dood en de zee, gebaseerd op de legende van de Vliegende Hollan der, De hoer en de moordenaar, naar Dosto jevski’s roman Misdaad en straf, en de «relis portopera» De zesdaagse van St. Jezus in ’t Kruis.

Voor de uitvoering heeft de compo nist/tekstschrijver Jef Hofmeister (tevens accordeonist/zanger) vaste partners gevonden in acteur/zanger Kees Scholten, contrabassist/zanger Kim Soepnel, allround musicus /zanger David van Aalderen en verteller /zanger Arie de Mol, in het reguliere theatercircuit ook bekend als de regisseur van de theaterformatie ELS Inc., die de volksopera’s produceert. Deze zomer reizen ze naar bijna alle festivals, en ze werken bij voor keur hun complete repertoire af, zonder man keren twee volksopera’s op één avond. Van De dood en de zee zijn er zelfs drie versies: één in bovengenoemde minimale bezetting, één met klein orkest en één met ondersteuning van een amateurkoor (op de cd die van De dood en de zee is gemaakt is dat het Weespertrekvaart Mannen koor).

Hofmeisters repertoire bevat een aantal weerkerende en effectief ingezette ingre diën ten. Zo wordt het publiek vrijwel meteen bij aanvang bij kop en kont gevat, en in de handeling gesmeten. In De dood en de zee worden we afgezet op het schip van de tirannieke kapitein Vanderdecken en we weten meteen dat we daar niet meer af zullen geraken voor al het voorzegde onheil is geschied. In De hoer en de moordenaar wordt de gruwelijke moord van de sjofele student Raskolnikov binnen het eerste kwartier volvoerd, waarna het verhaal met een grote regelmaat op een spannende manier wordt stilgezet om de kersverse moordenaar zijn schuld & boete in te peperen. In De zesdaagse van St. Jezus in ’t Kruis worden we opgesloten in het benauwde sportpaleiske van het gelijknamige mijnwerkersdorp in de Borinage, en we weten vanaf minuut één dat we daar pas weer uit kunnen als de complete wielerwedstrijd - inclusief alle vooraf geraffineerd aangekondigde maar nog niet verraden rampen - is uitgereden.

Muzikaal en tekstueel worden alle genres (aria, meezinger, liefdeslied, ballade, strijdlied, sarcastisch tegen-strijdlied) uit de kast getrokken, geparodieerd, op zijn kop gezet en opgerekt tot op de rand van vette schmiere, maar nooit eroverheen. Er wordt even gretig lyrisch en verstild als uit volle borst en met veel pathos gezongen. En de arrangementen hebben een onwaarschijnlijk rijke klankkleur, voor een niet onbelangrijk deel te danken aan allroundmusicus David van Aalderen, die met een groot gemak schakelt van xylofoon naar viool, van altsax naar klarinet en gitaar. Alle grote rollen in de vertellingen komen voor rekening van één man: Kees Scholten, een zanger met een groot bereik (van voluit tot heel minimaal) en daarenboven ook nog eens een prachtig lyrisch acteur. Zijn tegenvoeter is ook altijd dezelfde: de sardonische verteller en epische acteur Arie de Mol, die zich nooit volledig buiten de handeling plaatst maar er wel altijd net op tijd uit kan springen om met eenvoudige middelen de touwtjes van het verhaal in handen te houden.

En dan de liedteksten. Die zijn helder in hun eenvoud, omdat ze eigenlijk altijd maar over drie dingen gaan: liefde, dood en geloof, bij elkaar gehouden door een zootje ongeregeld van voornamelijk antihelden. Hofmeister moet een flinke tik van de Hollandse geloofsmallemolen hebben mee gekregen (een vlucht naar voren uit de wurggreep van de Jehova’s getuigen die zijn jeugd hebben verpest, vermengd met een mooie dosis katholieke weemoed), de bijbel (Hofmeister noemt die «mijn onderlaag») wordt geplunderd én geparafraseerd, maar steeds is er het volkse relativisme en wordt er aanstekelijk gescholden op Nederlandse doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg dooddoeners. Een mooi voorbeeld is het lied De lege horizon in De dood en de zee, als de wind stilvalt en de mijmeringen van de zeelieden zich mengen met woede over het leven aan de wal dat de matrozen juist hartstochtelijk trachten te ontvluchten:

Wat doet een zeeman als de wind gaat liggen

Dan drinkt ie stukken uit z’n kraag

En zingt ie als een schorre zeemeeuw

Over Magdalena en de maagd

Wat doet een zeeman als de wind moet waaien

En hij de trage uren telt

Dan gokt ie uit verveling

En vervloekt ie al z’n geld

Maar hoe kan een zeeman anders leven

Dan met een lege horizon

Met een zee die oneindig groot is

En een oneindig grote zon

Maar soms denkt ie aan z’n moeder

En hoe het leven daar zou zijn

Maar hij zou stikken in de huizen

Dat land van god is veel te klein

Want dat volk van dijkenbouwers

koeienhouders en calvinisten

Dat volk van kolensjouwers

kerkenbouwers en moralisten

Dat volk zal nooit naar de kelder

Nooit naar de haaien

Nooit naar de hoeren gaan

Want dat volk van turfstekers

bietenkwekers en evangelisten

Dat volk van molenaars

handelaar en catechisten

Dat volk zal nooit naar de kelder

Nooit naar de haaien

Nooit naar de hoeren gaan

Hofmeister bouwt zo’n lied muzikaal lekker op: openen in de sfeer van een weemoedige «ballad», dan overstappen op een stevig potje schelden, en eindigen in een hartstochtelijk bezongen overtuiging, alles met steeds verspringende akkoorden en accenten, nooit plat en altijd verrassend en met een slot waar je blij in kunt meegaan. Jef Hofmeister mag schatplichtig zijn aan Kurt Weill, hij is zeker ook zo oer-Hollands als Harry Bannink, aan wiens muziek zijn composities me minstens even vaak doen denken.

Ik ben al een aantal jaren een fan van Hofmeisters volksopera’s en niet in de laatste plaats om het klimaat, de warme sfeer die hij en zijn kompanen met minimale middelen weten te creëren. Toen in het Nijmeegse vooronder de nieuwe zekeringen voor het toneellicht naar zijn zin iets te lang uitbleven, wilde Hofmeister als noodmaatregel wat zaalspotjes naar de kleine speelvloer draaien en «maar gewoon beginnen».

Verteller/zanger Arie de Mol hield dat tegen, en gelijk had-ie. Die kleine kermislichtjes, dat vieze paarse neon en de paar spots om het speelvlak in heus «reli-licht» te zetten, die zijn wezenlijk voor de finishing touch in het nabootsen van de benauwde sfeer van het Belgische sportpaleiske waar De zesdaagse van St. Jezus in ’t Kruis gaat plaatsvinden. Van de volksopera’s van Hofmeister is dit stellig de meest uitbundige.

Kees Scholten neemt ook hier alle protagonisten voor zijn rekening: de Italiaanse sterwielrijder Gianni Vanosi (die als de Valentino van Torino ooit nog het songfestival van San Remo won, en die als de Cherubijn van Turijn ook een religieuze uitstraling heeft - volkomen ten onrechte naar later zal blijken), de mijnwerkerszoon uit de Borinage, tevens «eeuwige tweede», ongelukkigerwijs ook nog Gaston van Vooren geheten, en diens verloofde Maria Vandeputte (ooit rondemiss Miss Borinage), die onbedoeld de centrale figuur wordt in een dopingrel (men spreekt hier van «drogs») die een religieuze hype dreigt te worden.

Het hilarische en tegelijk intens treurige verhaal wordt aanstekelijk en met veel liefde verteld. Een happy end zit er echter ook deze keer niet in. Net als de dolende kapitein Vanderdecken uit De dood en de zee en de moordende student Raskolnikov uit De hoer en de moordenaar moeten ook in dit «relisportdrama» de renners Gaston en Gianni berusten in hun onafwendbare einde, hun roemloze dood. Alles wat Hofmeister maakt gaat uiteindelijk over de dood, verlossing of geen verlossing. Zijn volgende volksopera wordt een bewerking van een prozatekst van Elias Canetti, De gedetermineerden. De première is voorzien in 2001. Op Allerzielen.

De volksopera’s van Jef Hofmeister & kompanen zijn nog te zien op het Lowlands Festival (inlichtingen: www.lowlands.nl), waar op zaterdag 26 augustus De hoer en de moordenaar wordt gespeeld (21.00 uur). Verder spelen ze op zondag 3 en maandag 4 september op het Uitfeest Utrecht, afwisselend De dood en de zee en De zesdaagse (inlichtingen: 030-2302023). Die beide volksopera’s zijn ook te zien op het Sirkus Ljouwert, op vrijdag 15 september (inlichtingen: 058-2158215).

De dood en de zee (studio-opname) en De hoer en de moordenaar (zaalregistratie met publiek) zijn beide op cd vastgelegd. Bestellen bij Zonder Zee Records, Hildebrandstraat 72, 1053 WB Amsterdam, tel. 020-6128087. Boekingen van de volksopera’s bij ELS Inc., Plantage Kerklaan 6 sous, 1018 TA, Amsterdam, tel. 020-4230201.