Dat miezerige gelijk

Ewoud Kieft, Oorlogsmythen. Willem Frederik Hermans en de Tweede Wereldoorlog. De Bezige Bij, 269 blz., € 18,90

Hoe kun je na de oorlog over de oorlog schrijven zonder het over de jodenvervolging te hebben? Willem Frederik Hermans deed het. In het artikel Denken tussen aanhalings­tekens (uit Mandarijnen op zwavelzuur, 1963) deed hij een krankzinnig scherpe, af en toe gewoonweg lasterlijke aanval op Ter Braak’s anti-nationaal-socialistische essays en pamfletten. Hij citeerde er alleen uit wat in zijn kraam te pas kwam, hij interpreteerde hem doelbewust verkeerd en haalde het zelfs in zijn hoofd Ter Braaks werk op een aantal plaatsen met Hitlers Mein Kampf te vergelijken (en ermee gelijk te stellen). Polemiek noemde Hermans dat en in Nederland durfde men hem nauwelijks tegen te spreken, nog steeds niet, ook de huidige Hermans-fans vinden wat hij over Ter Braak schreef nog steeds buitengewoon scherp, geestig en diepzinnig. Hij durfde zelfs een schandalige hypothese te formuleren over Ter Braaks tragische zelfmoord op 14 mei 1940. ‘Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de Duitse overval van 1940 niet de oorzaak geweest is, dat Ter Braak aan zijn leven een einde maakte, maar een onbewust verhoopte goede gelegenheid. Hij zou door de oorlog te overleven, geen enkele geestelijke toekomst meer hebben gehad.’ Hoe durf je zulke dingen te zeggen over iemands motieven. Gewoonweg schandalig, alleen maar om je op niets berustende miezerige gelijk te halen over een bevlogen essayist die het als een van de weinigen in Nederland aandurfde het nationaal-socialisme aan te vallen. In latere interviews liet Hermans zich overigens nog steeds smalend uit over Ter Braaks zelfmoord, het was allemaal enorm kleinburgerlijk en zielig, maar over zijn doortrapte vergelijkingen met Mein Kampf had hij het voor de zekerheid toch maar niet meer. Je zou je hier nog overheen kunnen zetten wanneer Hermans in zijn artikel dan ten minste over de grootste schanddaad van de Tweede Wereldoorlog, de jodenvervolging, had geschreven. Maar geen woord erover, niks over antisemitisme. Het interesseerde hem gewoonweg niet. Hij vond Ter Braaks morele oordelen over het nationaal-socialisme net zo verwerpelijk als het nationaal-socialisme zelf (hoe haal je het in je hoofd!). Alle morele oordelen waren nu eenmaal in zijn ogen verwerpelijk, allemaal jijbakken. Dus kon je maar beter je kop overal over houden.

Ewoud Kieft probeert in zijn studie over Hermans’ positie in en na de Tweede Wereldoorlog te achterhalen waaruit diens ‘passieve’ of op z’n minst ‘pragmatische’ houding tegenover het nationaal-socialisme te verklaren valt. Hij gaat uitvoerig in op de tragische gebeurtenissen in het gezin Hermans: Hermans’ zusje pleegde vlak na de inval van de Duitsers samen met een neef zelfmoord. In de ogen van Hermans een volstrekt zinloze en onbegrijpelijke daad die bewees dat het niet mogelijk was een ‘zuiver’ leven te leiden. Wat betekende dit voor hem? En voor zijn werk? Stond deze gebeurtenis aan de basis van zijn passieve houding in de oorlog? Want passief was hij, het ging bij hem zelfs zo ver dat hij zich opgaf voor het lidmaatschap van de Kultuurkamer, een beruchte organisatie voor kunstenaars en schrijvers; wie geen lid was, mocht niet exposeren of publiceren. Kieft maakt aannemelijk hoe diep de zelfmoord van zijn zusje ingreep bij de ontwikkeling van Hermans’ maatschappij- en literatuuropvatting. Hoe zijn ideeën over de zinloosheid van het geloof in maatschappelijke ideologieën hierna vaste voet kregen. En hoe hij na de oorlog deze ideeën steeds verder uitbreidde en omvormde tot een min of meer samenhangende literatuuropvatting over de mens die wanhopig rondtast in een betekenisloos universum waar niets een vaste grond heeft. Waarin Hogere Waarden illusies zijn en geschiedenis achteraf niet valt te reconstrueren. En dit leverde schitterende romans op, gelukkig brengt Kieft Hermans de nodige eer. Zijn romans: bittere gevoelsuitbarstingen, wanhopige zoektochten, pogingen grond onder de voeten te krijgen. Stuk voor stuk meester­werken zijn het die op een of andere manier altijd in discussie gaan met zijn eigen literatuuropvatting. Zijn hoofdpersonages proberen steeds goed en zuiver te leven, ze hebben gelijk, hun daden staan bol van de goede bedoelingen. Ze geloven ergens in, beter gezegd ze willen ergens in geloven. Dat maakt Hermans’ romans schrijnend, tragisch en weergaloos. Hij had zijn literatuuropvatting nodig als rationalisatie achteraf, maar in zijn romans weigerde hij zich er voetstoots bij neer te leggen. Hermans probeerde in zijn romans zijn ongelijk te bewijzen. Hij verdomde het zich bij zijn eigen opvattingen neer te leggen, dat maakt zijn romans nog altijd schitterend.

In zijn essays probeerde hij zijn gelijk te bewijzen. Dat maakt ze nauwelijks nog pruimbaar. Wat een vervelende essayist was het. Ook als hij gelijk had, ja, zelfs vooral dan. Dat smalende gelijkhebberige, dat afzetten tegen grote schrijvers (Stendhal, Du Perron, Ter Braak), dat trappen naar kleinere schrijvers (Buddingh’). In zijn essays blijkt hij wél ineens grote waarde te hechten aan geschiedschrijving, aan correcte verwijzingen, de juiste bronvermeldingen, kortom aan Waarheid, wat volgens zijn eigen theorie helemaal niet mogelijk is: je kunt ‘de’ waarheid nooit achterhalen. Kieft geeft een paar mooie staaltjes van deze typische Hermans-paradox.

Kieft schreef zijn boek duidelijk uit irritatie over het huidige debat rond de Tweede Wereldoorlog waarin een toenemend aantal publicisten zich blijkt te beroepen op de onmogelijkheid de juiste gang van zaken in de oorlog te reconstrueren. Waarin daders ineens worden uitgeroepen tot slachtoffers, waarin de jodenvervolging steeds vaker wordt voorgesteld als een van de vele ‘zwarte bladzijden’ uit de geschiedenis van de oorlog waar ‘wij’ nu maar over op moeten houden, er waren meer slachtoffers. Wij waren allemaal slachtoffer. Hermans is tegenwoordig een goeroe in deze kringen. Ik weet zeker dat hij van dit soort ideeën gehakt had gemaakt.