‘Dit ben ik. Dit moet ik verdedigen – als ik dit laat gaan blijft er niets van me over’ © Renske de Greef, uit het boek Mamamorfose

Ik was voortdurend op zoek naar het juiste boek om te lezen, schrijft Sarah Ruhl in haar boek Glimlach.

Ik had nog nooit van Sarah Ruhl gehoord, maar ze blijkt een tamelijk succesvol Amerikaans toneelschrijfster te zijn. Haar boek, net in vertaling uitgekomen, heeft als ondertitel Over moederschap en vrouwelijkheid in een maatschappij vol verwachtingen, en gaat over haar zwangerschap van een tweeling. Vier maanden vóór de uitgerekende datum – ze heeft net het premièrefeestje gehad van haar nieuwe toneelstuk op Broadway – begint ze te bloeden. ‘Vanuit de plek waar je geen bloed moet verliezen als je zwanger bent.’

Prompt krijgt ze het doktersadvies om thuis te blijven en bedrust te houden. In plaats van Grieks te leren en eindelijk alles van Proust te lezen, kijkt ze naar Twilight op haar telefoon, schrijft ze brieven aan haar nog ongeboren baby’s, en zoekt ze dus naar het boek dat ze kan lezen.

Dat dat boek er nooit blijkt te zijn als je zwanger bent, is denk ik een niet te onderschatten kwestie. Steeds meer in bezit genomen door een onbekende mogendheid, niet wetende wat te verwachten, net zo bang voor de dood als voor het leven, bang voor de vreemdeling die je straks in de spiegel aanblikt in plaats van je oude zelf, wil je weten en niet-weten, even hard het wonder intact laten als uit de droom worden geholpen. En er is geen boek dat je nog iets werkelijks blijkt te kunnen vertellen.

Begrijpelijk dat Ruhl schrijft ieder boek na tien bladzijden weg te leggen, ondertussen bozig dat er kennelijk een stilzwijgende afspraak heerst dat oudere vrouwen niets vertellen aan jongere vrouwen over alle mogelijke gevolgen van zwangerschap en dat tegen zwangere vrouwen al hélemaal niets wordt verteld.

Nu vertelt zij uiteindelijk een écht uitzonderlijk verhaal. Drie dagen na de bevalling van een gezonde tweeling, als ze iemand op bezoek heeft die haar leert hoe ze beide baby’s tegelijk kan voeden, kijkt deze haar opmerkzaam aan en zegt: ‘Je oog hangt een beetje.’

Het is het begin van een nieuwe tijdrekening, met een gezicht dat blijkt te zijn ingestort. De helft van haar gezicht is verlamd, en het grootste deel van Glimlach is gewijd aan leren te leven met deze ziekte die een naam blijkt te hebben: de aangezichtsverlamming van Bell. Het feit dat ze ook nog een leven moet zien op te bouwen met twee kinderen erbij – Ruhl had al een wat ouder dochtertje – verbleekt er bijna bij.

Ik ben terug gaan zoeken in mijn aantekeningenboekjes om te weten wat ik las tijdens mijn zwangerschap. Ik betrad een gebied – ik heb het nu wel over ruim dertig jaar geleden – waarin de halve mensheid me was voorgegaan en dat tegelijkertijd onontgonnen was. Wie vertelt mij iets, behalve – true story – Jan Terlouw, die ik destijds trof op een receptie en die mij wist te vertellen bij het aanschouwen van de kennelijke staat waarin ik verkeerde dat zijn grootmoeder altijd zei dat het hele napoleontische leger ook ter wereld was gekomen.

Ik begreep de portee van deze mededeling niet helemaal, misschien was het geruststellend bedoeld. Wat ik er vooral achter voelde was dit: het stelt allemaal niet zoveel voor.

Iedereen gaat dood. Zo zou je het grote levensmysterie ook kunnen afdoen.

Ik las behalve The Handmaid’s Tale van Margaret Atwood – over baren ten dienste van Napoleon gesproken – Nieuwe moeders van Margriet Prinssen. We schrijven eind jaren tachtig en Prinssen noteert dit in haar inleiding: ‘Het begon mij op te vallen hoe weinig er eigenlijk geschreven of gesproken wordt over de praktijk van het moederschap anno nu.’ Ze citeert Phyllis Chesler, die eind jaren zeventig With Child publiceerde: ‘Waarom krijg ik een kind? Hoeveel vrouwen hebben zich dat al afgevraagd? Ik vraag het alsof ik de eerste ben (…) Wat moet ik doen als ik mezelf niet in een moederfiguur kan veranderen?’

Ik dacht dat het dit was. Dat ook met een bibliotheek in de rug, van medische handleidingen tot subversieve manifesten, van dagboeken tot horrorliteratuur, je als mens met actieve baarmoeder uiteindelijk in je eentje die existentiële afgrond in staat te blikken, of, zo je een andere metafoor verkiest, je je aan de voet van dat gebergte bevindt. Het is jóuw lichaam dat voor een opgave staat, en dat feit is een raadsel in zichzelf waar je geest altijd bij achter lijkt te blijven.

Maar inmiddels denk ik, mede ingegeven door twee onlangs verschenen Nederlandse ‘moederboeken’, dat het natuurlijk meer is dan dat. Minder mystiek en minder persoonlijk. Meer politiek-maatschappelijk, al kan ik nooit helemaal overzien wat die termen betekenen. Er is iets in beweging, zo lijkt het, opnieuw, net als in de jaren tachtig maar dan wijdverbreider. Cabaretière en actrice Soundos El Ahmadi vertelt deze week op Instagram hoe ze succesvol auditie deed voor een rol in een kinderfilm. Toen ze tegen de productiemaatschappij vertelde dat ze zwanger was, werd haar te verstaan gegeven, zogenaamd voor haar eigen bestwil: nee, dan toch maar niet. In een uitgebreid essay voor de Nederlandse Boekengids deze maand doet schrijfster en critica Ilse Josepha Lazaroms een boekje open over de arbeidsomstandigheden aan de universiteit die het onmogelijk maken een academische carrière te combineren met het moederschap, onder het mom van ‘hou je persoonlijke sores maar bij je’.

Wat het moederschap zo’n majeur en precair gegeven maakt, is het feit dat iedereen, van je buurvrouw tot je werkgever tot je moeder tot de staat, een opinie blijkt te hebben over hoe de vrouw zich dient te verhouden tot de reproductieve mogelijkheden van haar lichaam. Zoals Lorrie Moore het terloops beschrijft in haar korte verhaal Terrific Mother: op een zeker moment in het vrouwenleven, als je (nog) geen kinderen hebt, krijg je het voor je kiezen, ‘a test of womanliness and earthly skills’. Of je de baby – welke baby, waar en waarom dan ook – niet even vast zou willen houden. Een activiteit die rond je 35ste zenuwslopende proporties krijgt. Ja hoor, we zien het, hopelijk. ‘You would make a terrific mother.’

‘Het is het kind in je armen dragen, maar je eigen naam verliezen. Het is een onherroepelijk afscheid van alles wat je tot dan toe gekend hebt’

Want dat is het natuurlijk. De Goede Moeder, en in haar kielzog haar lelijke stiefzus de Slechte Moeder, dienen zich aan in nogal nauw omlijnde culturele sjablonen. Waar de goede en de slechte vader even veel gedaantes kennen als er vaders zijn, weten we precies hoe de goede en de slechte moeder eruitzien.

‘Stel je voor dat je twee vrouwen wordt’, schrijft Ianthe Mosselman in de aangrijpende proloog bij haar memoir Al die liefde en woede. ‘De een wordt verheerlijkt, de ander verfoeid. Al eeuwen, al millennialang. Stel je voor hoe je zoveel mogelijk probeert te leven als de vrouw die wordt verheerlijkt, hoe je de andere vrouw diep wegstopt, maar je telkens weer de verfoeide vrouw lijkt te worden.’ Zou je die twee het liefst willen samensmelten tot één persoon, de een zal de ander wegduwen als het erop aankomt. Ze zijn namelijk niet onbespied, de buitenwacht staat altijd klaar om te oordelen. En dus kunnen de twee vrouwen die je bent amper naast elkaar bestaan.

Mosselman schreef haar memoir over moeder worden als een aanklacht, eentje met een duidelijk doel. Ze wil dat de boze vrouwen die er alom moeten zijn dit boek lezen en weten dat ze niet alleen zijn. Dat het terecht is dat ze boos zijn en dat die woede niet verstopt hoeft te worden. Sterker nog: dat ze zich voor die woede niet hoeven te schamen. Het levert een daverend boek op, afwisselend boos en liefdevol getoonzet. Mosselman begeeft zich willens en wetens op glad ijs. Een moeder die vraagtekens zet bij de viering van het moederschap roept weerzin en agressie op, bij medemoeders en bij mannen. Je zeurt, dat is de eerste reactie die op de loer ligt. Je verdient het niet om moeder te zijn, dat is de tweede.

Toen ik destijds het hierboven genoemde Nieuwe moeders las, was ik, zo lees ik terug in mijn aantekeningenboekje, niet in staat om het uit te lezen tijdens mijn zwangerschap. Te deprimerend. Op de voorkant staat weliswaar een foto van een vrouw in waarlijk ‘blijde’ verwachting, zo noteerde ik ná de bevalling, maar in het boek is ‘een hele hoop ellende’ gegroepeerd rond een aantal thema’s, zoals werk, seks en ‘weet ik veel’. ‘Het boek eindigt met een lofzang op de intensiteit en uniciteit van de moeder-kindrelatie, maar voor mij komt dat na die misère volkomen uit de lucht vallen.’ Aldus mijn dertigjarige ik, in de zomer van 1990.

Ik weet niet meteen of ik het een zwangere cadeau zou geven, maar Al die liefde en woede is een opwekkend boek met bevrijdende potentie, zeker voor vrouwen die hebben geworpen. Dat ik dat met aarzeling schrijf is slechts omdat ik het onterecht zou vinden als alleen vrouwen dit lezen. Mosselman maakt op een geloofwaardige, want eigen manier gewag van de tegenstrijdige gevoelens die lastig naar het oppervlak te brengen zijn. Dat ze al haar leven lang wist dat ze een kind wilde, maar dat dat iets anders was dan dat ze moeder wilde worden. Dat ze tijdens haar zwangerschap vooral ‘sterk en dapper’ wilde zijn, en dus doorliep tot ze niet meer kon. Ze schrijft over haar angst ‘saai’ te worden en zichzelf te verliezen voordat ze iemand anders was.

De enige passages waarover ik lichte aarzeling voel, zijn die over haar bevalling. Ik ben boos over mijn bevalling, schrijft ze. Voor mij is dat de categorie: ik ben boos dat het waait. Zonder de bijbel erbij te willen halen – dat wil ik echt niet – denk ik dat bevallen, net als sterven, behoort tot de niet-volkomen-te-regisseren regionen van het menselijk bestaan. Wat je mag verlangen is dat de zorg en medische bijstand voor moeder en kind optimaal zijn, wat iets anders is dan dat je ervan verzekerd kunt zijn dat je bevalling volgens een helder plan verloopt.

Het blijft wel ongelooflijk dat vrouwen dit kunnen, baren, daar niet van. Zoals de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Annalena Baerbock, vorige maand op bezoek bij de Oekraïense president Zelenski, zei: ‘Als overdag wodka drinken een bewijs van stoerheid is – ik heb twee kinderen gebaard.’ En dat dit wonder niet méér in extenso wordt beschreven, geschilderd, bezongen, vervloekt, vereeuwigd, is vreemd. Je kunt je afvragen waarom dat is.

Ik vraag het me af.

Voorzover ik weet heb van beschreven bevallingen in literaire romans komen die uit de pen van mannen, en kondigen die (sic) het afscheid aan van hun geliefde.

‘Na mijn bevalling wist ik dat je alleen bent in het uur van de dood’, schrijft Mosselman. Als ze nadien in een museum voor het schilderij Hope komt te staan, van Gustav Klimt, beseft ze andermaal wat ze doormaakte. Het is een van de mooiste stukken in haar boek, en tekenend voor de ambivalentie die al in de titel ligt besloten. ‘Het is het kind in je armen dragen, maar je eigen naam verliezen. Het is een onherroepelijk afscheid van alles wat je tot dan toe gekend hebt en wat je leven was.’ En het is óók het verwelkomen van dat tot dan toe onvoorstelbare wezen waarvan je het liefst wil dat het je nabij blijft.

Dat mijn lichaam dit kan! jubelt het getekende alter ego van Renske de Greef in Mamamorfose, een graphic novel over moeder worden en moeder zijn. Om erna onmiddellijk te constateren dat het lichaam nu ook op eigen houtje een heel nieuw pad is ingeslagen. Ook dit boek laat nog eens zien dat een vrouw nooit in haar eentje zomaar zwanger is, als zijnde ‘in verwachting’. De wereld kijkt mee. Iedereen blijkt te weten hoe het moet, nu en straks, en je dat ook te willen vertellen. Tegelijkertijd sta je er volkomen in je eentje voor. ‘Hoe niet-zwanger kan ik zijn’, vraagt De Greef zich af, die zich er in eerste instantie op toelegt om zwanger te zijn ‘als een man’.

De Greef is er een absolute meester in om grote angsten en zorgen, verboden gedachtes en verlangens, scherp en geestig in beeld én woord te vangen. Met Mamamorfose overtreft ze zichzelf. Haar bekende ‘strip’-stijl wisselt ze af met gedetailleerde tekeningen, subtiel ingekleurd, prenten die je het liefst aan de muur zou hangen. Zoals ze haar vroegere feestende ik laat transformeren in iets onbekends, en dat tegelijkertijd een cartoonesk gezichtje mee weet te geven, is gek ontroerend. Ook in dit boek het mirakel van de bevalling. ‘Je doet het heel goed’, wordt er dan tegen je gezegd. Het absurdste compliment dat ik ooit kreeg, schrijft De Greef onder de ragfijne pentekeningen van het oorlogstafereel in de verloskamer. ‘Zeggen dat ik het goed doe is alsof een vrachtwagen me platwalst en mensen vervolgens gaan applaudisseren omdat ik wel heel vaardig over me heen laat rijden.’

De blanco gebleven zwarte bladzijden na de geboorte, een schilderij op zich, geven ieder woord dat je aan dit gebeuren zou kunnen wijden het nakijken.

Net als Mosselman geeft De Greef ruim baan aan haar ambivalente gevoelens over het moederschap. ‘Als ik niet geniet, voel ik me schuldig.’ De Greef heeft dan het voordeel dat ze er een Roz Chast-achtig vrouwtje bij kan tekenen dat in kapitalen schreeuwt naar de verse moeder achter de kinderwagen dat op niet-genieten de doodstraf staat. ‘Straks zijn ze groot en heb je spijt, spijt, SPIJT.’

De absurditeit en de verwondering vieren in De Greefs universum de boventoon. Bijna terloops kraakt ze de clichés over het zogenaamde moederinstinct dat van iedere vrouw zomaar die ‘terrific mother’ zou maken. ‘Ik moet zorgzaam worden’, prent ze zichzelf in als ze ziet hoe vanzelfsprekend zorgzaam haar man is. ‘Zorgbehoefte heeft niets te maken met gender, maar is puur een optelsom van persoonlijkheid en stijl.’ Om te concluderen dat moederschap vooral werk in uitvoering is.

Anders dan Mosselman beweert, dat het moederschap afwezig zou zijn in het huidige feminisme en het feminisme daarvoor, is het niet bepaald onbeschreven gebied dat zij betreedt. Je kunt alleen maar hopen dat de optelling van academische studies en persoonlijke getuigenissen, telkens weer, zorgt voor een langzaam losser zittend korset voor de Goede Moeder. ‘Misschien zijn we allemaal op zoek naar een soort remedie’, schrijft Sara Ruhl aan het eind van Glimlach. De acceptatie van haar nieuwe gezicht als ‘goed genoeg’ vermengt zich in haar geval met het accepteren van het concept van de moeder die goed genoeg is. Meer dan dat nog, denk ik als ik Ianthe Mosselman en Renske de Greef lees: dit zijn moeders die een zegen zijn voor hun nageslacht.