Dit artikel is onderdeel van Het Groene Lab.

Het Groene Lab is de kweekvijver van De Groene en publiceert verhalen en essays van jong talent. Iets insturen? Mail ons via lab@groene.nl.

‘Dat rotmonumentje’

In 2020 krijgt Nederland eindelijk een Holocaust Namenmonument. Minder bekend is dat voor dezelfde locatie meer dan zeventig jaar geleden al een ontwerp voor een monument lag. Maar dat werd afgewezen.

Nederland, Amsterdam. Joodse gedenkplaats op het Weesperplantsoen. Dit is de locatie naast de Weesperstraat waar het nationaal Namenmonument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de Holocaust komt. © Ramon van Flymen / Hollandse-Hoogte

In plaats van een namenwand verrees het Monument van Joodse Erkentelijkheid, een ‘schandvlek in de geschiedenis’.

Het Monument van Joodse Erkentelijkheid of kortweg Dankbaarheidsmonument, dat werd onthuld op 23 februari 1950 op het Amsterdamse Weesperplein, was het eerste grote monument met betrekking tot de jodenvervolging in Nederland. Het leidde decennialang een tamelijk onbekend bestaan aan de Weesperstraat, waar het in 1968 naartoe moest uitwijken vanwege de aanleg van een metronetwerk in de hoofdstad. Omdat het door het Auschwitz Comité geïnitieerde Holocaust Namenmonument nu op de plek van het Dankbaarheidsmonument komt, was het in de afgelopen jaren mondjesmaat weer in het nieuws.

Van ‘het meest afschuwelijke monument dat er over de jodenvervolging bestaat’ (Jacques Grishaver), ‘misschien wel het meest gehate monument van Amsterdam’ (Esther Voet) en ‘dat rotmonumentje’ (Herman Vuijsje) tot in ieder geval ‘ongemakkelijk’, ‘ambivalent’, ‘omstreden’ en ‘beladen’ (media, historici en politici): het is duidelijk dat het Dankbaarheidsmonument verre van populair is. Velen zien het dan ook graag in een depot verdwijnen, hoewel anderen het willen behouden en in zijn context willen plaatsen. De gemeente maakte recent bekend het monument te willen terugplaatsen op het Weesperplein.

De antipathie is niet verwonderlijk. Van de 140.000 Joden die in mei 1940 in Nederland woonden, overleefde bijna driekwart de Tweede Wereldoorlog niet – een veel hoger percentage dan in de ons omringende landen. Een kleine groep Nederlanders had hun joodse landgenoten geholpen, een ander klein deel van de bevolking had de Duitse bezetter actief gesteund in de jodenvervolging, en de meerderheid had weggekeken: uit angst, schaamte of onverschilligheid. Een initiatief uit oktober 1945 tot een Monument van Joodse Erkentelijkheid, als dank voor de ‘burgerzin’ van niet-joodse Nederlanders, lijkt naar onze huidige normen dan ook misplaatst of zelfs bizar, zeker met in het achterhoofd de kille ontvangst van joodse Nederlanders na terugkomst uit de kampen.

De herdenkingscultuur van de late jaren veertig was echter een hele andere dan die van nu. De herinnering aan de vervolging en vernietiging van de Nederlandse joden kreeg geen aparte publieke aandacht, maar werd opgenomen in het nationale verhaal van Nederland als verzetsnatie, waarin misschien niet iedereen actief verzet had gepleegd, maar elke burger toch zeker wel een ‘geest van verzet’ in zich had gehad. De impliciet veronderstelde joodse dankbaarheid diende zo uit te gaan naar álle Nederlanders, passend bij het door Jolande Withuis treffend omschreven paradigma van ‘onbaatzuchtige redders en dankbare geredden’. Van een speciale behandeling van bepaalde groepen kon geen sprake zijn, zo vond ook de Nederlandse overheid.

Het idee voor het Monument van Joodse Erkentelijkheid kwam wel uit de joodse gemeenschap, en werd er ook door bekostigd. Sommigen – zoals Geert Mak in In Europa – zeggen dat er echter druk is uitgeoefend op de initiatiefnemers om ‘het’ Nederlandse volk een monument aan te bieden om dank te betuigen. In de officiële stukken aangaande de bouw, die zich bevinden in het Stadsarchief in Amsterdam, is daarover niets terug te vinden, maar het is aannemelijk dat dergelijke pressie zich vooral ‘in de wandelgangen’ openbaarde en nooit is vastgelegd. De twaalf leden van het ‘Comité tot Stichting van een Gedenkteeken voor de hulp in Nederland aan de joden verleend gedurende den oorlog’ ijverden uiteindelijk bijna vijf jaar voor een monument. Voorzitter en gemeentelijk politicus Maup de Hartogh, die ‘met innige deernis’ dacht aan hen ‘die geen hulp hebben kunnen vinden’ verwoordde de motivatie van zijn Comité zo: ‘Al is het dat wij nimmer geheel zullen kúnnen vergeten wat de weinige overlevende joden hebben meegemaakt, wij mógen niet vergeten wat niet-joden, met gevaar voor eigen leven en veiligheid, voor ons hebben gedaan’. En: ‘Zij waren één met ons’.

Het is opvallend, maar niet verrassend dat De Hartogh hiermee de nadruk legde op de overlevenden. Geheel naar de wederopbouwgedachte richtte hij zijn blik op het heden, maar ook op de toekomst, waarin (voorlopig) geen plek was voor de herinnering aan de gruwelijkheden van de holocaust. De ideeën van Jaap Kaas, de eerste (joodse) beeldhouwer die opdracht kreeg het Monument van Joodse Erkentelijkheid te ontwerpen, liepen precies hierop stuk. Zijn zwartgranieten loods met Jeremia-figuur die zijn armen in wanhoop ten hemel hief, was volgens zijn biograaf Jan Teeuwisse in feite ‘een enorme provocatie’ en ‘een gigantische aanklacht’.

Aan de witmarmeren binnenkant van Kaas’ monument zouden in gouden letters alle namen moeten komen van de joodse Nederlanders die waren omgekomen. In het ontwerp waren ook een Duitse soldaat die hun de weg wees naar de ondergang en een swastika opgenomen. Het bleef bij tekeningen. Volgens een officiële circulaire van het Comité omdat ‘het oprichten van een stenen beeld niet in overeenstemming bleek te zijn met de joods-culturele traditie’. In elk geval had het opperrabbinaat geprotesteerd tegen de Jeremia-figuur, wegens het voorschrift geen beelden te maken. Over de namen werd verder niet gerept.

Het ontwerp van de (eveneens joodse) beeldhouwer Jobs Wertheim, bestaande uit vijf basreliëfs van kalksteen, vond wel doorgang. Wertheim was niet zo kritisch over de veronderstelde dankbaarheid als Kaas was geweest. Integendeel: hij zag het monument slechts als symbool voor ‘een ereschuld die nimmer af te lossen is’. Hij koos vijf thema’s die hij treffend vond voor de houding van en verhouding tussen joodse en niet-joodse Nederlanders tijdens de oorlog, en voorzag de reliëfs van de teksten ‘Berustend in Gods wil’, ‘Vereend met u in afweer’, ‘Beschermd door uw liefde’, ‘Gesterkt door uw weerstand’ en ‘Rouwend met u’. Behalve een davidster kreeg ook een Maria met kind een plek.

Het moet gezegd dat het Monument van Joodse Erkentelijkheid ook ten tijde van de oprichting al schaamte opriep bij Nederlanders die zich niet hadden verzet tegen de Duitse bezetter. De burgemeester van Amsterdam, Arnold d’Ailly, benoemde deze schaamte expliciet in zijn toespraak bij de onthulling. Hij kende het monument daarnaast een extra betekenis toe: hij zag het als een steengeworden ‘aansporing om op te komen voor menselijkheid en tegen onrecht’. Tal van hoogwaardigheidsbekleders, maar ook een flinke menigte geïnteresseerde burgers, hoorden zijn woorden aan.

Vertegenwoordigers van joodse organisaties lieten echter verstek gaan bij de onthulling van het Dankbaarheidsmonument. Dit lijkt te suggereren dat het merendeel van de joodse gemeenschap er afwijzend tegenover stond. Maar wie er financieel bijdroegen aan de totstandkoming van het monument, en wie er tussen de belangstellenden in de februarizon stonden om het onthuld te zien worden, is niet bekend. Ongetwijfeld waren er joodse Nederlanders die het monument graag zagen komen, anderen die genuanceerd over de kwestie dachten, en weer anderen die er überhaupt niets van wilden weten, maar hun mening is nauwelijks vastgelegd. Wel schreef bijvoorbeeld hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad Jo Melkman (later Michman) dat dan wel niet alle niet-joodse Nederlanders hun joodse landgenoten hadden geholpen, maar dat dit niets afdeed aan ‘individuele prestaties’.

Al met al was het monument ‘van meet af aan ietwat ongemakkelijk’ (Susan Legêne), maar kwam de openlijke kritiek pas toen de volgende generatie joodse Nederlanders vragen begon te stellen. Zij weigerden dankbaar te zijn, en konden dat ook: vanaf de jaren zestig kregen niet alleen meer de verzetsstrijders, maar ook de slachtoffers van vervolging en vernietiging meer aandacht in de geschiedschrijving over en de publieke herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Zo werd langzaam maar zeker afgerekend met de verzetsmythe.

Dat elke generatie opnieuw een andere betekenis kan toekennen aan een gedenkplek, maakt de openbare basisschool Aldoende in Amsterdam-Oost duidelijk: leerlingen van groep 7 en 8 leggen vanaf 1985 elk jaar rond 4 mei bloemen bij het Dankbaarheidsmonument, dat zij ‘Beschermd door uw liefde’ noemen, naar het middelste reliëf. Het monument fungeert voor de school als onderdeel in een lespakket over de holocaust in Nederland. Met de komst van het Holocaust Namenmonument naar de Weesperstraat is het nog de vraag of het Monument van Joodse Erkentelijkheid de tand van deze tijd zal doorstaan. De cirkel lijkt rond: meer dan zeventig jaar na het eerste ontwerp van Kaas komt er een namenmonument.


Sietske van der Veen (1992) is historicus en freelance journalist. Ze werkte onder andere voor Stichting 1001 Vrouwen, Atria Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis, Historisch Nieuwsblad en Maarten!. Ook was ze een kleine twee jaar inhoudelijk projectmedewerker voor de Maand van de Geschiedenis en het Canonnetwerk (Nederlands Openluchtmuseum). Momenteel doet ze als promovendus bij het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis onderzoek naar de sociale mobiliteit van joodse Nederlanders met een hoge(re) sociale status (1880-1940)