Dat vreemde moederland

De laatste twee decennia is er een canon van moederschapsboeken ontstaan, zoals Anne Enrights Making Babies en Rachel Cusks A Life’s Work. De vaak beangstigende metamorfose bleek een vruchtbaar literair thema.

Wie heeft bedacht dat moederschap een ‘alledaags ding’ is? © Jonas Bendiksen / Magnum / HH

‘Sorry. Sorry. Sorry. Sorry.’ Al in de tweede alinea van haar boek Making Babies: Stumbling into Motherhood (in het Nederlands uitgebracht als Baby’s voor beginners: Een tegendraadse handleiding) roept Anne Enright vier keer sorry en biedt ze ‘bij voorbaat’ ‘alom’ haar excuses aan – die combinatie van alom en bij voorbaat klinkt nogal onheilspellend. Enright geeft ook behoorlijk wat redenen waarom moeders in de ogen van velen beter hun mond kunnen houden. Spreken is een daad van egoïsme en moeders horen altruïstisch te zijn. Wat hebben lezers te maken met haar ingewanden? Moederschap is toch iets om gewoon te dóen, niet om erover te praten. Er zijn haar en haar kinderen tot nog toe geen rampen overkomen, dus wat maakt haar relaas dan boeiend? En moeders worden niet geacht na te denken, wat een boek met gedachtes over moederschap hoe dan ook misplaatst maakt. ‘En sorry voor mijn ingewanden.’

Enright begint haar moederschapsboek niet voor niets met deze ironische openingszet. Toen een van haar essays over zwangerschap eerder in The Guardian verscheen, regende het verontwaardigde reacties. Bovendien publiceerde ze haar boek in 2004, drie jaar nadat Rachel Cusk A Life’s Work: On Becoming a Mother (in het Nederlands: In het land van moeders: De vreemde werkelijkheid van het moederschap) had uitgebracht, een boek dat overladen werd met woede.

In 2008 blikte Cusk in The Guardian terug op wat A Life’s Work teweeg had gebracht. Het boek verscheen tijdens een prachtige zomer, die Cusk met haar man en twee dochtertjes doorbracht in de countryside, kruisbessen plukkend en loom zwemmend in het meer. De idylle werd verstoord door een brief van een vriendin, die schreef dat ze ‘voorbereid’ moest zijn, en daarna een telefoontje van haar zus die aanraadde ‘ze’ te negeren. Cusk ging naar de stad om kranten te kopen en las dat als iedereen haar boek zou lezen ‘de voortplanting van het menselijke ras praktisch zou stoppen’. Een andere criticus liet weten dat ze een ‘self-obsessed bore’ was, de belichaming van de ‘Ikke! Ikke! Ikke!’-houding van kleine kinderen.

Zeker, het boek werd ook geprezen, maar Cusk werd vooral getroffen door de stroom van beschuldigingen: ze zou een kinderhater zijn, aan een postnatale depressie lijden, de ouderlijke macht zou haar moeten worden ontzegd, ze was schaamteloos hebzuchtig, onverantwoordelijk, egoïstisch, pretentieus en – te intelligent. Eén curieus artikel stelde de lengte van haar zinnen ter discussie: hoe was zij, een moeder, in staat geweest zulke lange en gecompliceerde zinnen te schrijven? Was ze daar niet te bezig, of anders te moe voor?

Wat Cusk opviel in al die kritiek: veel ervan was van de hand van vrouwen, die niet een boek beoordeelden maar een sociale situatie, en die zichzelf niet als lezers opstelden maar als moeders. Het waren huichelachtige oordelen, vond Cusk, doordrenkt van een ‘vernietigende middenklasse zelfgenoegzaamheid’, en ze waren een weerspiegeling van wat zijzelf altijd zo onverdraaglijk had gevonden aan de publieke cultuur van het moederschap, zoals die te vinden was in de handboeken over kinderverzorging, in de zelfhulpliteratuur, in de peuterspeelzalen en op schoolpleinen. Een cultuur waarin het gemeenschappelijke zegevierde over het individuele, met als resultaat grote oneerlijkheid.

En juist daar was het Anne Enright en Rachel Cusk om te doen: een eerlijk boek schrijven over moederschap. Na haar ‘excuses alom’ eindigt Enright met de enige waarachtige verontschuldiging, namelijk dat ze gelooft dat het belangrijk is over haar ervaringen als moeder te schrijven en precies te vertellen hoe het is. ‘Dit nieuwe drama een moeder te zijn’, noemt ze het verderop, een drama waarover zo weinig geschreven is. Cusk beschrijft hoe geschokt en onvoorbereid ze was, en hoe onwetend, toen ze, zoals ze het wat omslachtig formuleert, bij ‘het onomkeerbare feit van het moederschap’ was aanbeland. Ze haalt de feministische dichter Adrienne Rich aan, die in 1977 in haar klassieker Of Woman Born stelde dat ‘al het leven op de planeet uit vrouwen geboren is’, maar dat er altijd oneindig veel meer aandacht is geweest voor het ‘moederschap als instituut’ dan voor ‘moederschap als ervaring’. Voor Cusk de kersverse moeder is het zelfs alsof er nooit iets is geschreven over hoe het werkelijk is om moeder te zijn.

Inmiddels is er een heel nieuwe, 21ste-eeuwse canon ontstaan van literaire boeken waarin het gaat om het moederschap als ervaring, maar Cusk en Enright waren de eersten die van binnenuit schreven over de ontstellende lichamelijke verandering die ze doormaakten tijdens hun zwangerschap en over het geweld van de bevalling. Ondubbelzinnig schreven ze over aambeien en borsten die melk lekken op de raarste momenten, over de bezetenheid van hun baby’s, melk drinkende Dracula’s, en over hun eigen gevoelens van liefde, zelfverlies maar ook vervreemding en visioenen van geweld.

Als Kafka een vrouw was geweest, noteert Enright, dan zou Gregor Samsa niet in een insect hoeven te veranderen: ‘Gregor zou Gretel heten en op een ochtend zwanger wakker worden. Ze zou proberen zich om te draaien en ontdekken dat ze onbeweeglijk op haar rug lag.’ Ook Cusk ziet het moederschap als een beangstigende metamorfose. ‘De bevalling’, schrijft ze, ‘scheidt vrouwen niet alleen van mannen: ze scheidt vrouwen ook van zichzelf.’ Haar begrip van wat het betekent om te bestaan is diepgaand veranderd, doordat er een ander wezen in haar heeft geleefd, en ze na de geboorte van haar kind nooit meer onproblematisch alleen zichzelf kan zijn.

Het moederschap werd juist een vruchtbaar literair thema op het moment dat vrouwen geen moeders meer hóefden te zijn

Zowel Enright als Cusk stelt moederschap voor als een ander land; een land waar je je geen voorstelling van kunt maken als je het nooit betreden hebt. Enright gebruikt daarbij het beeld van een glazen wand: je kunt als kinderloze vrouw er wel doorheen kijken naar de vrouwen met baby’s, maar je kunt je niet voorstellen dat je ooit door die wand kunt breken. ‘Ik zag alleen maar verstrooide reflecties van mezelf, met aan de andere kant echte vrouwen, heel traag bewegend, als van verre geobserveerde walvissen.’

De vraag is waarom die nieuwe canon van moederschapsboeken juist de laatste twee decennia kon ontstaan. De literatuurwetenschapster Ruth Quiney stelt in haar in 2007 gepubliceerde artikel ‘Confessions of the New Capitalist Mother’ (in Women: A Cultural Review) dat witte, 21ste-eeuwse middenklasse moeders zichzelf vóór hun zwangerschap als betrekkelijk genderloze wezens zagen: ze leefden ook in een post-feministische wereld waarin het vanzelfsprekend is dat vrouwen studeren en een competitief beroep kiezen dat hun status en macht bezorgt. Hun ‘laat-kapitalistische zelf’ concipiëren ze overwegend als mannelijk: begrensd, onder controle, individueel. En dan krijgen ze te maken met de puur lichamelijke ervaring van het moederschap, een plotselinge inscriptie in de primitieve mythologie van de voortplanting.

Ze beseffen dat moederschap in veel lager aanzien staat dan hun maatschappelijke carrière. ‘Looking after children is a low-status occupation’, schrijft Cusk bot. Ze ondergaan hun moeder-zijn als een degradatie: ze voelen zich sprakeloos, ze ondervinden dat hun intelligentie niet meer telt. En die nieuwe wereld die ze hebben betreden, het land van de moeders, is op een andere manier maar net zozeer competitief en oordelend als de wereld van het werk. In dat moederland wordt de mythe van de Goede Moeder tegen de klippen op in stand gehouden. Tegen de klippen op, want het is een romantische mythe uit vervlogen tijden die botst met het kapitalistische vertoog van individuele verworvenheden en productiviteit.

Het is een invoelbare analyse: het moederschap werd juist een vruchtbaar literair thema op het moment dat vrouwen geen moeders meer hóefden te zijn. Sterker nog: de schrijfsters van de nieuwe moederboeken hadden al een heel leven als niet-moeder achter de rug, een leven dat ze ook zonder problemen hadden kunnen voortleven – die optie, een kinderloos en toch vrolijk bestaan, was door het feminisme van de tweede golf bevochten. En dan word je als autonoom individu zwanger en ervaar je de kwetsbaarheid van opeens een dubbel wezen zijn, mens met een mensje in wording in je buik. En als je dan moeder bent, onderga je wat zelfverlies is, hoe je, om met Cusk te spreken, met je kinderen niet jezelf bent, maar zonder hen evenmin. Hoe dan ook ben je je ‘normale’ lichaam (een tijd) kwijt.

Als iets de nieuwe moederboeken dan ook tekent dan is het ambivalentie. Die ambivalentie bezorgde Enright en met name Cusk razernij, maar wordt nu als grote kwaliteit gezien van bejubelde en bekroonde boeken als The Argonauts (2015) van Maggie Nelson en Dept. Of Speculation van Jenny Offill (2014, in het Nederlands vertaald als Verbroken beloftes). ‘Hoe kan een ervaring die zo ongekend vreemd en heftig en transformerend is tevens een ultieme vorm van conformisme symboliseren, of die zelfs zíjn’, vraagt Nelson zich af. In De Argonauten, dat veel meer is dan een moederboek, verstrengelt Nelson de transitie die ze zelf doormaakt als ze zwanger is met die van haar genderfluïde geliefde Harry Dodge, die in ‘de zomer waarin onze lichamen veranderen’ aan het testosteron is begonnen.

Offill schreef net als Nelson een in omvang bescheiden, fragmentarisch boek dat tegelijk het hele leven bevat. Bij haar is de allesverzengende liefde voor haar dochtertje meteen ook de grote ontwrichting van haar bestaan. Ze had zich voorgenomen nooit te trouwen en kinderen te krijgen, maar een ‘kunstmonster’ te worden. ‘Vrouwen worden bijna nooit kunstmonsters, want kunstmonsters houden zich enkel bezig met kunst, nooit met alledaagse dingen. Nabokov klapte niet eens zijn eigen paraplu in. Vera likte zijn postzegels voor hem.’ Voor haar dochter is ze bereid alles op te geven, maar ondertussen zit er iets scheef in haar hart. Waarom lijkt het bij sommige vrouwen zo gemakkelijk, ‘de manier waarop ze hun ambities afwerpen, als een dure jas die niet meer past’.

Dat Offill haar ambitie niet heeft afgeworpen, daar is Dept. Of Speculation het bewijs van. Net zo goed als Nelson met De Argonauten toont dat moederschap tegelijkertijd vreemd en nonconformistisch en volkomen vanzelfsprekend kan zijn. Wie heeft eigenlijk bedacht dat moederschap een ‘alledaags ding’ is? De schrijfsters van de nieuwe literaire moederboeken laten zien dat het zacht en woest is, vertederend en gewelddadig, symbiotisch en doodeenzaam, gelukzalig en gekmakend. En sorry voor de ingewanden.