Dat was valderrama

De man met de blonde dreadlocks is naar huis. We zullen hem niet terugzien. Niet dat hij te oud is geworden; hij was altijd al oud. Ouder dan honderd, zegt men; geboren in de tijd van strohoeden en cigarillo’s. Hij stamt uit een tijd zonder haast. Hij haastte zich nooit. Dat vond hij niet nodig, net zoals geniale mensen zich niet om hun uiterlijk hoeven te bekommeren.

Valderrama is klaar. Het voetbal van deze tijd is niet aan hem besteed. Ze begonnen hem over te slaan. Vroeger leverde elke Colombiaan elke bal bij hem in. Nu begonnen ze zelf dingen te verzinnen. Niet dat het hielp. Zonder hem kunnen ze het niet. Zelden moest een voetbalnatie zijn hele spelopvatting, zijn hele levensvisie zo grondig omgooien vanwege het afscheid van één enkele man.
In zijn beste dagen, de WK ‘94 bijvoorbeeld, leed hij geen balverlies. Per definitie niet. Zoals Johan Cruijff na de uitwedstrijd tegen Malmö in 1987 uitlegde dat de strafschop tegen Arnold Mühren onterecht was, omdat Arnold Mühren per definitie geen overtredingen maakt, zo leed Carlos Valderrama geen balverlies.
Dat ging zo. Hij stond altijd in de buurt van de man met de bal. Niet dwingend, maar wel een tikje ongeduldig. Dat andere spelers ook van alles van plan waren, wilde hij wel gedogen maar niet te lang. Het moest niet te bont worden. Kreeg hij de bal eenmaal toegespeeld, dat was het mooie, dan kaatste hij hem meestal meteen weer terug. Iedereen stond nog precies op dezelfde plaats, en toch was het beter. Er waren seconden verstreken, de aarde was een tikje gekanteld, er was een kind geboren - hoe dan ook, het tikje breed van Valderrama betekende toch vooruitgang.
En vervolgens was hij natuurlijk opnieuw aanspeelbaar. Hij hobbelde op zijn gemak mee met een van die stervelingen in zijn ploeg, meestal zwarte mannen die met een op zichzelf verbazende handigheid doende waren hele verdedigingen te doorboren - net zo lang tot ze het vergeefse van hun poging inzagen en de bal gedwee opzij legden naar de chef, die naast ze stond te wachten, de bal ontving en met één klein tikje iemand aanspeelde die tot ieders verbazing volkomen vrij voor de keeper bleek te staan.
Zo verplaatste hij onophoudelijk, met groot geduld en ambachtelijke precisie, het spel van zestien naar zestien. Het hele veld bleek te bestaan uit talloze, voor gewone mensen onzichtbare lijntjes, waarlangs de bal minutieus verplaatst diende te worden. Ik heb wel eens gedroomd van een wedstrijd van elf tegen elf Valderrama’s. Het speelveld was uiterst klein, nauwelijks groter dan een postzegel, en toch bleef de bal keurig rondkaatsen, zachtjes verplaatst door al die licht kromme benen. Tweeëntwintig haardossen wuifden genoeglijk in de wind.
Vorige week tegen Tunesië verrichtte hij voor het oog van de wereld nog een laatste wonder. Het was een lekker potje, snel op en neer, en wat hem betreft mocht het zo doorgaan tot het donker werd. Maar hij begreep dat er een beslissing moest vallen en dus gaf hij vlak voor tijd die ene bal. Naar een spits die helemaal niet vrij stond. Er stonden zeker drie ijverige Tunesiërs tussen. En toch schoof die bal er precies doorheen. Nog voordat de spits was bereikt, dus nog enkele tellen voor het beslissende doelpunt viel, sjokte Valderrama al terug naar de middenlijn. Hij had het al gezien. Hij wist genoeg.