Vijftien jaar na de moord op Pim Fortuyn

Dat zeg je niet!

Eeuwenlang heerste in Nederland consensus omtrent waarden en normen, en sinds de term in de jaren negentig uit Amerika kwam overwaaien waren we ook nog eens politiek correct. Maar de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh betekenden een breuk in de vaderlandse geschiedenis.

Medium hh 20142995
Mat Herben laat bloemen zien aan het portret van Pim Fortuyn tijdens de opening van de Pim Fortuyn Zaal in de nieuwe vleugel van de Tweede Kamer in Den Haag, 2004 © Phil Nijhuis / HH

Bij nader inzien is het onbegrijpelijk dat ‘we’ het niet zagen aankomen, zelfs niet voorvoelden. Er waren zoveel aanwijzingen. Daarbij doel ik niet op de evidenties die vanaf september 2001 zichtbaar werden – oorlog, moord, aanslagen. Ik doel op meer subtiele aanwijzingen zoals het aanzwellend gemopper over achterkamertjespolitiek en de twijfel over het maatschappelijk systeem waardoor steeds meer mensen, voorlopig nog in kleine kring, bevangen werden. Ik doel ook op de breuk in het denken over de gebeurtenis die sinds geruime tijd bij uitstek ons referentiekader vormt, en waarnaar steeds weer, door iedereen en te pas en te onpas, verwezen werd: de Tweede Wereldoorlog.

Een en ander had te denken moeten geven. Dat deed het niet, voorzover na te gaan ook niet bij de mopperaars en twijfelaars zelf. Zij mopperden en twijfelden zonder te doorgronden dat achter hun woorden en gedachten een failliet schuilging. Dit geldt onder anderen voor Herman Vuijsje. Hij publiceerde in 1997 een klein maar fijn boek met de korte titel Correct, over ‘weldenkend Nederland sinds de jaren zestig’. In dit boek schetst Vuijsje het, wat hij in wielertermen noemt, surplace van de Nederlandse cultuur in de jaren tachtig en negentig: wat waren we het toch met elkaar eens over wat goed en niet-goed, zeg maar correct en incorrect was! Vuijsje zag echter beweging, hij spreekt zelfs al van een sprint. Maar deze sprint beschrijft hij niet, die noemt hij slechts. Pas in een derde druk van Correct, verschenen in 2008 en nadat er grote veranderingen hadden plaatsgevonden, ging hij op die sprint nader in. Maar dat deed toen al zo goed als iedereen.

Hetzelfde maar dan duidelijker geldt het sindsdien altijd weer genoemde stuk dat Paul Scheffer eind januari 2000 in NRC Handelsblad publiceerde: Het multiculturele drama. In de jaren negentig had Nederland, zoals de meeste andere West-Europese landen, geworsteld met een grote toestroom van buitenlanders. Steeds weer dacht men die stroom te kunnen beheersen, zoals men ook dacht dat de immigranten zouden integreren. Maar de feiten toonden iets anders. Het kostte te veel moeite om dat onder ogen te zien, met als gevolg dat de waarheid veelal werd ontkend. Scheffer deed dat niet en schreef dat de maatschappelijke orde ernstig bedreigd werd. ‘De politieke bovenlaag die vroeger over een duidelijke beschavingsmissie beschikte, twijfelt aan zichzelf en verliest meer en meer zijn greep op de maatschappelijke werkelijkheid.’

Veelal kwamen de signalen vanaf de zijlijn, niet uit het politieke en maatschappelijke midden. Spittend en speurend in oude kranten en tijdschriften, lang achterhaalde en vergeten rapporten, destijds actuele maar nu historische werkjes, Handelingen van de Tweede Kamer en elders vind je steeds meer van dergelijke signalen, uiteindelijk zoveel dat je jezelf wel voor de kop kunt slaan. Waarom zag je, waarom zag ik het destijds niet? De jongerenorganisaties van zo goed als alle politieke partijen bijvoorbeeld die vlak vóór Prinsjesdag van het jaar 2000 gezamenlijk – pvda, vvd, cda, d66, GroenLinks, ChristenUnie én sgp, in één adem – een verklaring deden uitgaan over de ‘troebele politiek’ van dat moment. Het paarse gedoogbeleid was geen beleid, zo stelden de jongeren, het was pappen en nathouden. Beleid betekent toelaten óf verbieden, één van de twee en niet dat gemodder.

Precies hetzelfde bleek uit de hernieuwde populariteit van het begrip ‘achterkamertjespolitiek’. Eind twintigste eeuw nestelde het zich met steeds meer kracht in het publieke debat, eerst in een weekblad als De Groene Amsterdammer (‘De achterkamertjes van Paars’, 10 juni 2000) en een dagblad als de Leeuwarder Courant (‘Binnenhof toe aan ideologisch reveil’, 30 juni 2000), daarna elders, om binnen enkele jaren uit te groeien tot een standaardbegrip. Ook dat tekent de onrust.

Onrust en meningsverschillen waren in de jaren 1990 ook al gebleken uit de vergruizing van het oorlogsbeeld, sinds geruime tijd onze heldere spiegel in lastige tijden. Correct, lees moreel goed was een daad, uitspraak of gedachte die overeenkwam met de normen die naar aanleiding van de oorlog als in lood gegoten leken. Steeds als iemand de ‘oorlogsgrens’ overschreed, klonk moord en brand. Zeer weinigen durfden om die reden het risico aan. Je zou maar eens fascist of nsb’er genoemd worden. Het betekende einde carrière.

Maar in het laatste decennium van de twintigste eeuw desintegreerde het beeld waaraan Nederland en de Nederlanders hun normen en waarden ontleenden. Wat begon met de rebelse overdrijvingen van Adriaan Venema over goed en fout in de oorlog ging over in verhalen over naoorlogs antisemitisme en ongehoord gedrag van overheid en ambtenaren met goederen, kunst, geld en erfenissen van vooral joodse oorlogsslachtoffers. Ondertussen dook ook nog eens het spook van Srebrenica op en versmolt wat tot dan toe altijd ‘de oorlog’ was geweest langzaam met andere oorlogen, ook uit het verleden. In die andere oorlogen, die met Indonesië niet in de laatste plaats, speelden Nederlanders een heel wat minder fraaie rol dan het eigen, trotse oorlogsverhaal suggereerde. Daarmee ontstonden eerst kleine en vervolgens almaar grotere barstjes in het oorlogsbeeld. Uiteindelijk bleek nog slechts een tikje nodig om dat beeld, onze spiegel, aan gruzelementen te doen vallen.

***

Maar goed, dat alles zagen we destijds dus niet. We hadden het goed. We waren rijk. Politiek hadden we de zaak op orde. De Nederlandse bevolking was ‘gelukkig’. De consensus was groot. Wim Kok zat al jaren op dezelfde plek. De mkz-crisis was ten einde. Het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima lag in het verschiet. Het homohuwelijk was sinds enige maanden officieel toegestaan. Het eerste Nederlandstalige Wikipedia-artikel was zojuist verschenen. Vrij naar Dickens: van alle tijden leek dit toch wel een van de beste. De vermoedelijk belangrijkste reden hiervoor is dat onze wereld harmonieus, veelbelovend en duidelijk was – nou ja, in vergelijking dan. In ieder geval voelde hij veilig en vertrouwd. Je wist waar je stond, je wist wat je vond en je dacht te weten wat er te verwachten viel.

Mijn oude agenda vertelt dat ik nog slechts een paar dagen terug van vakantie was toen Pim Fortuyn zich beschikbaar stelde voor het premierschap. Vermoedelijk heb ik erom geglimlacht: zoveel pretentie vanuit het niets, je moet maar durven! Voor mij was de man zo’n beetje wat hij op dat moment ook voor NRC Handelsblad was. Toen de krant in die augustusmaand een stukje aan zijn premierspretentie wijdde, schreef zij dat Fortuyn tegen Leefbaar Nederland aan schurkte en zich adviseur van het cda noemde maar geen kans maakte op een plek op de lijst. ‘Eind jaren ’80 maakte hij naam met de invoering van een openbaarvervoerkaart voor studenten. Ook trok hij de aandacht met een pleidooi voor een restrictief asiel- en immigratiebeleid.’ Dat was alles.

Ruim een week na zijn boude aankondiging gaf Pim Fortuyn een interview aan de krant van zijn stad, het nu niet meer bestaande Rotterdams Dagblad. Daarin riep hij op tot een ‘koude oorlog met de islam’. Dat stond ook in de kop van het artikel, zoals het enkele dagen eerder boven de column van Fortuyn in Elsevier had gestaan. ‘De islam zie ik als een buitengewone bedreiging, als een ons vijandige samenleving’, zei Fortuyn in dat interview. En ook: ‘Ja, Nederland ís vol. Ook Rotterdam.’ ‘Zo onomwonden zijn politici meestal niet’, repliceerde de interviewer, ‘dat gaat u problemen opleveren.’ ‘Dit land snakt naar duidelijkheid’, antwoordde Fortuyn. ‘Ik wil ondernemende burgers aantrekken. Mensen die iets willen doen… Die ongeïnteresseerdheid, daar moeten we van af.’

Ik weet zeker dat ik column noch interview gelezen heb en dat ik, als er toch ergens iets van doorgeklonken heeft, Fortuyn op z’n best als een zoveelste randversiering van het Nederlands politieke landschap beschouwde. Maar dat veranderde toen kort daarop twee vliegtuigen het World Trade Center binnenvlogen, Bush en de zijnen reageerden als een bijenzwerm op de stok en de wereld als bij toverslag veranderde. Daarmee kwamen ook Fortuyns uitspraken over de islam in een ander daglicht te staan en groeide hij in korte tijd uit tot een geliefde mediaverschijning – zijn excentrieke voorkomen en ongeremde optreden deden de rest. Vooral ’s mans boodschap dat een oorlog tegen de islam noodzakelijk was, werd door 9/11 hete bliksem. Bij voor- en tegenstanders. En of je het nu leuk vond of niet.

Enkele organisaties van islamitische signatuur vonden het niet leuk, twee uit Rotterdam en één landelijke. Zij deden aangifte. Fortuyn zou aanzetten tot discriminatie en daarmee artikel 1 overtreden. Ook zou hij oproepen tot geweld. Fortuyn reageerde meteen en waagde het zelfs voor afschaffing van de openingsparagraaf van de grondwet te pleiten. Deze paragraaf stond volgens hem op gespannen voet met een ander, belangrijker grondrecht: vrijheid van meningsuiting. Drie principiële punten dus, drie grenzen die binnen de Nederlandse verhoudingen zelden of nooit ter discussie stonden maar nu opeens wel: discriminatie, oproep tot (politiek) geweld én artikel 1 van de grondwet. Dat was veel – én heftig.

We hadden het goed. We waren rijk. Politiek hadden we de zaak op orde. De Nederlandse bevolking was ‘gelukkig’. De consensus was groot

Tot een rel kwam het niet, nog niet. De aanklagers waren overwegend Rotterdams. Zijn uitspraken deed Fortuyn in Rotterdamse media. Fortuyn kwam uit Rotterdam. En de eerste politieke belangen die op het spel stonden, de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2002, waren lokaal. Mede vanwege dit alles besloot de officier van justitie de aanklacht nog even aan te houden en bleef het relatief rustig rond Fortuyn. Bovendien ging de meeste aandacht uit naar wat buiten de landsgrenzen gebeurde. Begin oktober was een aantal westerse landen onder leiding van de Verenigde Staten Afghanistan binnengevallen. Zelfs binnen de Nederlandse context waren de opmerkelijke uitspraken van Fortuyn niet meer dan een voetnoot.

***

Dit veranderde toen bekend werd dat Fortuyn lijsttrekker van Leefbaar Nederland werd en deze partij in de peilingen omhoog schoot. Hierdoor voelden om te beginnen landelijke politici en opiniemakers zich uitgedaagd en werden van alle kanten pijlen op de man gericht. De eerste die dit deed was vvd-leider Hans Dijkstal. ‘In een duidelijke verwijzing naar Fortuyn sprak Dijkstal “ernstige bezwaren” uit tegen het gelijkstellen van terrorisme met een bepaalde godsdienst’, schreef NRC Handelsblad op 30 oktober, ‘en uitte hij zijn afkeer van “bepaalde groepen” die denken dat er heel veel voordeel mee is te behalen door mensen tegen elkaar op te zetten.’ Het was een startschot voor meer, met name van de politieke partijen die tot het zogenoemde establishment behoorden, plus hun aanhang. ‘De “oude” politiek reageert met de bekende reflex’, schreef de NRC op 9 november. ‘De kandidaat-lijsttrekker deugt niet, het programma deugt niet en de partij deugt niet.’

Deugt niet. Dat is precies wat d66-fractievoorzitter Thom de Graaf op 13 november in de Volkskrant schreef. ‘Het uitroepen van een kruistocht tegen de islam is een primitieve reactie, vergelijkbaar met “de uitingen van een achterlijke woestijncultuur” waar Fortuyn zelf imams van beschuldigt. Wordt Nederland leefbaarder met een eerste kabinet-Fortuyn? Wellicht voor sommigen. Fortuyn kan voor de Nederlandse politiek op sommige terreinen interessant zijn, maar voor een leefbare samenleving is zijn komst ronduit bedenkelijk.’

Primitief. Achterlijk. Bedenkelijk. Kortom: ‘deugt niet’. De tegen Fortuyn ingebrachte ‘argumenten’ waren geen argumenten, het waren ook geen feiten. Het waren morele veroordelingen zoals die in het verleden tegen Hans Janmaat en in mindere mate Frits Bolkestein naar voren waren gebracht. Ook zij zouden zich met hun uitspraken over buitenlanders, migratie en culturele uniformiteit buiten het debat, ja zelfs buiten de beschaving hebben geplaatst. Maar waarom eigenlijk? Thom de Graaf zei het niet met zoveel woorden. Hij oordeelde slechts. Maar de uit het scherp links-politieke kamp afkomstige journaliste en columniste Anet Bleich verklaarde de veroordeling wél. Dat gebeurde de volgende dag, eveneens in de Volkskrant. Daarin verwees Bleich naar westerse waarden, Verlichting, ja zelfs universele waarden, in het bijzonder vrijheid en verdraagzaamheid. ‘Die waarden staan volkomen haaks op het aan gewetensonderzoeken onderwerpen van moslims, het lastigvallen van vrouwen met hoofddoeken, het verketteren van “de islam”.’

Mede ingegeven door de voorspellingen van een enorme zetelwinst voor Leefbaar Nederland onder Fortuyn (‘wel 25 zetels, nog nooit vertoond’), gooide een aantal rebelse journalisten in de daaropvolgende dagen en weken olie op het vuur door steeds weer te wijzen op ‘het grote gebrek van de gevestigde Haagse politiek’. Wat dat gebrek inhield, werd zelden precies gezegd. Maar wat bedoeld werd, was onmiskenbaar: te zachte billen door langdurige aanraking met het pluche; gebrek aan contact met de burger; onvermogen de ‘echte maatschappelijke problemen’ onder ogen te zien; en onwil om de politieke strijd aan te gaan met een natural born debater als Pim Fortuyn. Vier grote verwijten aan de zittende macht dus, plus een veer in de kont van de nieuwkomer. De irritatie bij allen die welvoeren bij Paars, Polder en Progressie kon hierdoor niet anders dan toenemen.

Medium hh 60409029
Pim Fortuyn wordt gekozen tot lijsttrekker van Leefbaar Nederland, 2001 © Peter Hilz / HH

Van dergelijke irritatie was ook sprake bij de vele journalisten die zich via persoonlijke, politieke of ideologische lijntjes met dezelfde trits van Paars, Polder en Progressie verbonden wisten. Een van hen was Raymond van den Boogaard. Hij betichtte Fortuyn van niets minder dan rancune, provocatie, fundamentalisme, grootheidswaanzin, pathos en betweterigheid. En dat allemaal in één artikel. Het stond op 24 november 2001 in NRC Handelsblad.

Rond diezelfde datum verhardde het debat nog meer. Een van de meest bijtende kritieken kwam van een man die zijn weerzin tegen Pim Fortuyn al eerder had geuit: dichter en Rotterdams gemeenteraadslid Manuel Kneepkens. Zijn uitbarsting kwam op de dag af drie maanden nadat Fortuyn in het Rotterdams Dagblad van een koude oorlog tegen de islam had gesproken. In dezelfde krant noemde Kneepkens de man nu een polder-Mussolini. Niet alleen zijn ideeën leken op die van de Italiaanse fascist, ook zijn aanpak. ‘Kneepkens ziet zelfs wat uiterlijke gelijkenis’, schreef de krant. ‘Wie schoor zijn haar ook af? Precies: Mussolini. Fortuyn wil zelfs op hem lijken.’

Hiermee was het F-woord gevallen en werd Fortuyn voor het eerst, een enkel gevalletje uitgezonderd, met de grootste misdaad van de twintigste eeuw in verband gebracht. Daarmee was de deur naar een eventueel debat nog verder dicht gegaan. Met fascisten praat je niet, die bestrijd je. ‘De jacht op Pim Fortuyn is geopend’, kopte De Telegraaf op 1 december dan ook boven een stuk van Sjuul Paradijs, toen nog parlementair redacteur van de krant.

Het dieptepunt, althans wat het jaar 2001 betreft, was de column die voetbaljournalist Matty Verkamman enkele dagen voor Kerst in Trouw publiceerde – een tekst die noch bij het aanstaande feest noch bij de religieus getinte kwaliteitskrant paste. De column beschreef het huiselijk commentaar bij een praatprogramma waarin Fortuyn optrad. ‘Ik zeg tegen mijn vrouw: waarom hakt Jan [Mulder, vaste stamgast van het programma] er nou niet op in? Haal die zak stront neer, schop ’m in het kruis, steek een vinger in zijn oog, pleeg obstructie! Hou je rustig, zegt mijn vrouw. Ga er dan zelf zitten! Wat zou jij dan wel allemaal willen zeggen? Wat ik zou willen zeggen?! Wat ik zou willen zeggen?!! Ik denk na. Mijn keu ligt nog op de bank. Ik voel aan de pomerans, zie dat biljartbalhoofd van Fortuyn en bedenk dat ik met een lekkere trekstoot de haatkwab in zijn hersenen voorgoed onschadelijk zou willen maken. Dan ineens weet ik het. Ik zeg: ik zou gaan schelden, bij voorkeur op de toon van Henk Spaan. Jij vuile, kale nepprofessor, jij hebt de intelligentie van Adolf Hitler en de charme van Heinrich Himmler! Jij leeft van haat en daarom hoop ik dat je in die dark room van je zo gauw mogelijk aids krijgt.’

Dit was heftig. Te heftig. Dat vond eigenlijk iedereen. Tegelijkertijd dachten velen net zo, maar zeiden dat niet met zoveel woorden. Het bleek spoedig. Eind 2001, begin 2002 brak de tijd. Foul & fair, goed en kwaad, correct en incorrect vermengden zich, met op den duur een volstrekt ander maatschappelijk panorama tot gevolg. In dit panorama was ‘links’ het establishment en ‘rechts’ het verzet, zaten de machthebbers op ‘links’ en de machtzoekers op ‘rechts’. Maar dat niet alleen. Ook de politieke wind draaide: ‘links’ kreeg hem tegen, ‘rechts’ mee. Deze veranderingen zijn ook een van de redenen dat de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ hun betekenis verloren en allerlei groeperingen, partijen en personen een nieuwe mix samenstelden.

Steeds minder mensen wisten waar zij stonden, wie waar hoorde, wat goed was en wat slecht, wat correct en wat incorrect. Een van de vele gevolgen hiervan – zoiets heet breukvlak: een lawine van veranderingen die tot nieuwe veranderingen leiden die weer meer veranderingen met zich meebrengen, enzovoort – was dat het aantal zwevende kiezers razendsnel toenam, wat zich tot op de dag van vandaag voortzet. Voeg hierbij de grote nationale (politieke moorden) en internationale (oorlogen, aanslagen) spanningen plus het feit dat een aantal jaren later ook de economische vooruitzichten ophielden rooskleurig te zijn en de thematiek is gegeven: van morele chaos, paradigmawisseling, breukvlak dus.

Als het ‘end of history’ ergens zichtbaar was, dan was het wel hier, bij de BV Nederland aan de kusten van de kabbelende Noordzee

Hier gaat het vooral om de morele en politieke aspecten van de breuk, in het bijzonder om het feit dat correct en incorrect, goed en fout, gewenst en verboden door elkaar begonnen te lopen, met her en der een radicale omkering van normen en waarden tot gevolg. Deze omkering is op dit moment alom gaande en overal zichtbaar – volgens sommigen is ze sinds de overwinning van Donald Trump zelfs een voldongen feit. Aldus de uitkomst van vijftien jaar ontwikkeling: op z’n laatst sinds de moord op Fortuyn ging de ons bekende wereld op de schop.

Dat de toenmalige tijdgenoot dit niet opmerkte, mag niet verbazen. Zoiets gebeurt steeds weer, zeker als zo’n breuk in eigen omgeving niet gepaard gaat met revolutie, oorlog of een andere alles omwoelende gebeurtenis – de moord op Fortuyn werd, veelzeggend voor de toenmalige consensus, zo niet gezien, pas de moord op Theo van Gogh deed het besef doordringen dat er meer aan de hand was. Zoals uit onderzoek steeds weer blijkt is de tijdgenoot blind. Dit is ongeveer hetzelfde als zeggen dat hij achterstevoren de toekomst in loopt. Zo was het ook destijds: eind 2001, begin 2002 verkeerden ‘we’ nog in de euforie die West-Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder eind twintigste eeuw in de ban had gehouden. Want wat hadden we het toch goed. Wat deden we het ook goed – sinds de eerste metingen in 1972 was het consumentenvertrouwen nooit eerder en nooit meer zo hoog als in april 2000. En wat waren we het toch met elkaar eens!

***

Dat we het in Nederland in verregaande mate met elkaar eens waren, dachten overigens niet zozeer wijzelf als wel de anderen, de buitenwacht. Zo vind je in de internationale sectie van de krantenbank LexisNexis vóór 1 januari 2000 duizenden artikelen met de begrippen ‘Netherlands’ en ‘consensus’. Heel de wereld kijkt naar Nederland, constateerde The Washington Post in de zomer van 1997 en op datzelfde moment stuurden tientallen kranten om precies die reden een correspondent naar het landje aan de Noordzee. Zij zagen zonder uitzondering een wonder: bijna volledige werkgelegenheid, een blij volk, rijkdom, het ontbreken van conflicten en bovenal vergaande consensus.

Deze consensus werd te meer als bijzonder beschouwd omdat Nederland op het gebied van waarden en normen als opmerkelijk vooruitstrevend bekendstond – en dat terwijl het land enkele tientallen jaren eerder juist de naam had opmerkelijk behoudend te zijn. Individuele vrijheid, seksualiteit, homoseksualiteit, drugsgebruik, vrouwenemancipatie, abortus – in Nederland was zo goed als alles toegestaan. Maar dat was nog niet alles: zo goed als iedereen was het met deze vergaande tolerantie ook eens. In elk ander land, aldus het verhaal dat door de internationale media ging, zouden zoveel permissiviteit en zo’n radicale omslag tot ernstige conflicten en onoverkomelijke tegenstellingen hebben geleid. In Nederland niet.

Het toverwoord bij de internationale bewondering c.q. verbijstering was ‘poldermodel’. Net als destijds apartheid maakte het begrip zoveel furore dat het in korte tijd tot het internationaal vocabulaire doordrong. Voor de Fransen stond ‘poldermodel’ gelijk aan ‘le miracle hollandais’, voor de Engelsen betekende het de almaar gezochte maar nooit gevonden ‘derde weg’ tussen het harde Amerikaanse kapitalisme en de zachte Europese verzorgingsstaat en voor de Duitsers was het een reden om de kleine buurman, in het bijzonder de centrale organisatie van werkgevers en werknemers, de Stichting van de Arbeid, de prestigieuze Carl Bertelsmann Preis toe te kennen.

De bewondering ging zo ver dat in 1997, precies twintig jaar geleden, zoiets als een ‘poldermodeltoerisme’ op gang kwam, een onophoudelijke stroom van strak in het pak gestoken heren en goed gekapte dames die het mirakel in levenden lijve kwamen aanschouwen. Oostenrijkers, Koreanen, Slowaken – onder meer de ser kreeg ze allemaal over de vloer, soms met twintig tegelijk. ‘Handelskammers, ambtenaren, politici’, klaagde een woordvoerder hartje zomer van wonderjaar 1997 tot een verslaggever van NRC Handelsblad. ‘Deze week nog twee politicologen die in opdracht van de gemeente Berlijn onderzoek doen naar deeltijdwerk. Ze willen alles weten over het Akkoord van Wassenaar, werkloosheidscijfers, arbeidstijdverkorting, en slepen rapporten mee van de Raad van de Arbeid. En ze gaan overal langs. Spreek ik iemand van de vno of het fnv, dan is het van: “Heb jij die Slowaken ook al gehad?”’

De Nederlanders zelf wisten met zoveel succes en bewondering niet altijd even goed raad. Zichzelf op de borst slaan deden ze niet snel en zeker niet luidruchtig. Dat past niet bij een burgerlijke en minder nog bij een kleinburgerlijke cultuur. Maar deze nuchterheid maakte de trots niet kleiner, eerder groter. De feiten, zo werd men niet moe te herhalen, gaven daartoe immers alle aanleiding. Kijk maar… En weer kwamen ze, de resultaten van de onderzoeksinstituten, de conclusies van de banken, de vergelijkingen, tabellen, statistieken. Keer op keer herhaalde men: dat het Nederland voor de wind ging – en dat nog niet zozeer omdat de bevolking rijk en gelukkig was, als wel omdat ‘men’ het in zo vergaande mate met elkaar eens was en dat bovendien in een samenleving waarin je het tegenovergestelde zou verwachten – een zeer vrije, open en vooruitstrevende samenleving. Als het in de jaren negentig steeds weer verkondigde ‘end of history’ ergens zichtbaar was, dan was het wel hier, bij de BV Nederland aan de kusten van de kabbelende Noordzee.

Medium hh 3070455
Sympathisanten van Pim Fortuyn staan in de rij voor een eerbetoon bij zijn gedenksteen, een jaar na zijn dood, op het Mediapark in Hilversum, 2003 © Pim Ras \ HH

Iets dergelijks meende ook de president van de Verenigde Staten, Bill Clinton. Hij bracht in mei 1997 een bezoek aan ons land, vanwege vijftig jaar Marshallhulp, maar eigenlijk omdat hij de Nederlandse variant van neoliberalisme en sociaal-democratie dan wel van kapitalisme en verzorgingsstaat, plus onze vergaande vorm van libertinisme, met eigen ogen wilde zien. En ziedaar, ook Clinton raakte overtuigd. Dit was de toekomst, ‘the third way goes global’, zoals de internationale media weldra verkondigden. Twee jaar later beklemtoonde Clinton dit nogmaals door Kok tijdens een (Third Way-)bijeenkomst in Washington te omhelzen en, naar het verhaal wil, toe te fluisteren: ‘You where the first, Wim. You did it before we even talked about it.’ Kortom, Nederland was een sprookje maar dan écht!

***

Een jaar of zes, zeven later, met als eerste dieptepunt de weken na de moord op Theo van Gogh, november 2004, kreeg de zegswijze ‘sprookjesland’ vooral dankzij Ayaan Hirsi Ali’s bijtende kritiek op ‘het land van ooit’ een tegenovergestelde betekenis. Want Nederland was in crisis. In plaats van model was het opeens een afschrikwekkend voorbeeld. Drugs, doorgeslagen tolerantie, abortus, homoseksualiteit, euthanasie, prostitutie, probleemjongeren, hondenpoep, politieke besluiteloosheid, voetbalvandalen, probleemwijken, stagnerende gezondheidszorg, slecht onderwijs, moord – je kon het zo erg niet verzinnen of Nederland en de Nederlanders zouden eronder gebukt gaan. Opnieuw spon de internationale pers garen bij de kretologie en dwaalden filmploegen en journalisten door het land. Maar deze keer waren ze op zoek naar fouten, verwording, ondergang. ‘Anger and despair is great’, schreef The Boston Globe. ‘Nederland heeft zijn naïveteit verloren’, meende The Daily Telegraph. The Financial Times liet Geert Mak met open mond door het land lopen terwijl The Chicago Tribune vertelde dat dichter en rechtsfilosoof Afshin Ellian zijn nieuwe vaderland vergeleek met crisisgebieden als Irak en Afghanistan. Nederland, zo betoogde Newsweek, was in oorlog.

Dat de Nederlanders zelf nauwelijks anders dachten bleek toen enkele maanden nadien, voorjaar 2005, de resultaten van een groot onderzoek naar de mening van ‘de Nederlander’ over een aantal sociaal-economische vraagstukken werden gepubliceerd: 21minuten.nl. Ze waren meer dan somber. De bevolking was pessimistisch. Vooral op de gebieden van veiligheid en criminaliteit, (de kosten van het) levensonderhoud en de integratie van allochtonen maakte men zich ernstig zorgen. Verontrust was men ook over alles wat met de verzorgingsstaat van doen had, dat wil zeggen over onderwijs, medische zorg, sociale voorzieningen en de groeiende kloof tussen arm en rijk. Maar bij onvrede met de bestaande situatie bleef het niet. Nederlanders wensten in meerderheid ook een andere samenleving. Ze wilden solidariteit in plaats van individualisme, kwaliteit in plaats van kwantiteit en fatsoen in plaats van brutaliteit en onverschilligheid. Aldus dat onderzoek. Anders dan enkele jaren eerder leken Nederlanders het over de grondslagen van de samenleving met elkaar volstrekt oneens te zijn. Was een Umwertung aller Werte ophanden? En zo ja, om welke waarden ging het dan?

***

Het was in de Verenigde Staten van het laatste decennium van de twintigste eeuw dat het debat over de morele grondslagen van de samenleving voor het eerst nadrukkelijk en expliciet in verband werd gebracht met de uitdrukking ‘politiek correct’. Wat deze woorden betekenen laat zich wat de Nederlandse taal betreft het best aflezen uit het fraaie naslagwerk dat taalkundige Marc De Coster in 2001 onder de titel Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik publiceerde: een kleine vijfhonderd pagina’s vol begrippen die een als problematisch ervaren werkelijkheid keer op keer fraaier voorstellen dan zij is. De klassieke voorbeelden hiervan betreffen onderwerpen als seksualiteit, ziekte, dood, eten, handicaps, religie en lichamelijkheden, het aloude terrein van de taboes, het terrein ook waarop de Nederlandse samenleving de naam had vooruitstrevend te zijn. Franse massage voor wat ‘in de volksmond’ pijpen wordt genoemd. Naamloze zonde voor homoseksualiteit. Doodslaap voor sterven. Bezoek hebben voor menstrueren. Overgewicht voor dik. Magere Hein voor dood. Met voorbeelden als deze vult De Coster honderden pagina’s.

Pijnlijk voor sommigen is de uitdrukking zwarte koffie. Beter is ‘koffie zonder melk’. Het Onze Vader ligt gevoelig: waar is Moeder gebleven?

Modernere eufemismen liggen op ander gebied en worden om die reden liever politieke correctheden genoemd. Zij betreffen voornamelijk zaken als sociale positie, ras, cultuur en geslacht. Overbekende voorbeelden zijn huishoudelijke hulp of, fraaier, interieurverzorgster voor werkster of, kwalijker, dienstbode; laaggeletterde voor analfabeet; escortservice voor hoereerderij; milieuwerker voor vuilnisman en assistent-manager voor secretaresse. Talloze voorbeelden in deze richting hebben met ras en cultuur te maken: allochtoon, medelander, rijksgenoot, etnische Nederlander, andersgekleurde en Afro-Amerikaan. Opmerkelijk in dit verband is wat door Brian Christian (The Most Human Human, 2009) de ‘tredmolen van het eufemisme’ wordt genoemd, een aanduiding die almaar eufemistischer en op den duur zelfs zo ijl wordt dat ze welhaast vervliegt. Een goed voorbeeld hiervan is de reeks die van gastarbeider via buitenlander, immigrant en allochtoon naar medelander, nieuwe Nederlander en inwoner met een migratieachtergrond gaat.

Het terrein van politieke correctheden is eindeloos, zeker in de Engelse taal. Talloze gevallen kunnen nauwelijks anders dan op de lachspieren werken: herstory voor history en womyn voor woman bijvoorbeeld. In de VS vinden sommigen het al lastig van Founding Fathers te spreken. Dat is immers seksistisch. Kerstmis wordt er steeds vaker vervangen door ‘holiday season’ – ook in Nederland spreekt men in toenemende mate van feestdagen, Kerstmis is immers beledigend voor degenen die dit christelijke feest niet vieren. Pijnlijk voor sommigen is ook de uitdrukking zwarte koffie. Beter is ‘koffie zonder melk’. Zelfs het Onze Vader ligt gevoelig, want waar is Moeder gebleven? ‘Het eufemisme zou je kunnen beschouwen als de paranimf van het taboe’, stelt De Coster in het voorwoord bij zijn boek. Van politiek correct taalgebruik zou je hetzelfde kunnen zeggen, met de kanttekening dat hierbij niet zozeer de gevoelens ontzien worden van de degene die spreekt als wel van degene die besproken wordt.

Het debat over politieke correctheid bereikte in de VS een eerste hoogtepunt naar aanleiding van het boek Illiberal Education van de conservatieve Indiaas-Amerikaanse criticus Dinesh D’Souza uit 1991. In dit boek wordt beweerd dat conservatieve denkbeelden aan Amerikaanse universiteiten taboe zijn. Het was de knuppel in het hoenderhok en het begin van een nu al meer dan 25 jaar durende oekaze tegen de zogenoemde ‘linkse kerk’ die het in wetenschap, media, politiek en maatschappij voor het zeggen zou hebben. Zoals de meeste ‘kerken’ deed ook deze zich, volgens haar critici althans, mild voor. Maar ook de linkse kerk aanvaardde slechts wat in het eigen straatje paste; al het andere werd als incorrect dan wel ontoelaatbaar beschouwd en dus, naar goed kerks gebruik, ‘verketterd’. Zie wat destijds met Fortuyn, vóór hem met Janmaat en naderhand met Geert Wilders, gebeurde: geen debat, geen argumenten, geen tegenspraak. Veroordeling. Verkettering.

De uitdrukking ‘politiek correct’ is overigens ouder dan het laatste decennium van de twintigste eeuw en komt oorspronkelijk uit het politiek linkse kamp. Volgens taalkundige Geoffrey Hughes (Political Correctness, 2010) ontstond ze onder Chinese communisten en refereerde aan de partijlijn. Vervolgens werd de uitdrukking in de jaren zestig en zeventig overgenomen door Amerikaans links, maar drong ze niet door – daarvoor was dat Amerikaanse links toch te weinig dogmatisch, lees te ‘hip’. Maar zo werd het door hun tegenstanders niet gezien en de frase ‘politiek correct’ maakte dan ook furore vanaf het moment dat rechts haar begon te gebruiken, niet als aanduiding van wat goed maar als aanduiding van wat slecht was, ironisch dus.

Dat gebeurde voor het eerst op grotere schaal naar aanleiding van Allan Blooms spraakmakende boek The Closing of the American Mind uit 1987 – met als centrale stelling dat het Amerikaanse hoger onderwijs zijn taak verzaakt had. Het postmoderne relativisme pretendeerde openheid, beweerde Bloom, maar bereikte in feite het tegenovergestelde. Door alles op losse schroeven te zetten bleef niets overeind. En als niets overeind staat, is er ook niets, niets anders dan tja, ach, en alles kan – zie het Nederlands gedogen. Dat betekende volgens Bloom het einde van alle denken, het einde ook van de beschaving. Oordelen, ja zelfs vooroordelen zouden nodig zijn, al was het alleen maar om te weten waar je het niet mee eens bent. Aldus een van de vele kritieken op het destijds modieuze postmodernisme.

Blooms boek werd in 1990 gevolgd door How Politics Has Corrupted Our Higher Education van de hand van Roger Kimball, uitgever van het conservatieve tijdschrift The New Criterion, en het jaar daarop dus door Dinesh D’Souza’s geschrift. De uitdrukking ‘politiek correct’ verwierf in het Amerikaans taalgebruik zo’n positie dat ze de oversteek maakte en ook in Nederland doordrong. De eerste keer dat dit gebeurde was op 27 april 1991, kort na het verschijnen van D’Souza’s boek en naar aanleiding van een bezoek dat Maarten Huygen, destijds correspondent voor NRC Handelsblad in de VS, bracht aan een van de personen die in dat boek worden opgevoerd, Harvard-historicus Stephan Thernstrom. Na het volgen van zijn college The Peopling of America in 1988 hadden drie zwarte studenten hun beklag over hem gedaan en beweerd dat hij ‘racial insensitive’ was. Dit had in The Harvard Crimson gestaan, het universiteitsblad, en was het begin van de bekendmaking van talloze vergelijkbare zaken, zowel aan Amerikaanse universiteiten als elders in de samenleving, met als gevolg oeverloze discussies, ontelbare artikelen en steeds meer boeken. Gevolg hiervan weer was blokvorming, met aan de ene kant ‘links’ en de zogenaamde moraalridders en aan de andere kant ‘rechts’ en de zelfbenoemde waarheidsvinders. Daarmee leek de oude, noodzakelijke brug tussen moraal en waarheid te breken – als hij niet al gebroken was.

***

Het is niet moeilijk te begrijpen dat de critici van het politiek correcte denken aanvankelijk de publicitaire wind mee hadden. Waarheid kan pijnlijk zijn, dat ontkende en ontkent niemand. Maar pijnlijker nog, zeker in een open samenleving als de onze, is als waarheid om wille van moraal, fatsoen, angst, maatschappelijke druk of een ander psychologisch of sociaal motief plaatsmaakt voor de leugen en zijn afgeleiden, zoals positieve discriminatie (iemand is beter omdat hij anders is), angst (om je uit te spreken) en slachtofferitis (overdreven aandacht voor iedereen die zwak is). Althans, zo was en is in de wereld van wetenschap, journalistiek en politiek de dominante mening – naar buiten toe, in theorie. Maar naar binnen toe, in de praktijk, lag en ligt de kwestie gecompliceerder, vooral om drie redenen.

Om te beginnen is er de framing. Critici wrijven ‘links’ politiek correct denken aan. Maar klopt dat wel? Is dat verwijt niet sterk overdreven? Er zijn zeker uitwassen – zie onzinnigheden als herstory of womyn – maar zijn dergelijke idiotismen kenmerkend voor links in zijn algemeenheid (alsof dat een blok is), of gaat het om een paar aanstellers en dus om een retorische truc van politiek rechts dat deze aanstellers als maatgevend voorstelt? Het is moeilijk te zeggen. In ieder geval leiden meningsverschillen over dergelijke vragen tot een oeverloos welles-nietes-spelletje tussen de voor- en tegenstanders van zogenoemde politieke correctheid.

Reden nummer twee voor de ingewikkeldheid van de kwestie is de identificatie van het ‘linkse denken’ met het beschavingsproces – de vrij algemeen aanvaarde gedachte dat er een relatief rechte lijn loopt van de Renaissance via Verlichting, liberalisme en sociaal-democratie naar de westerse moderniteit. Wat ‘rechts’ beschimpt als politiek correct, aldus zijn critici, is simpelweg de grondslag van onze cultuur. Wie daaraan morrelt, morrelt aan het systeem en dus aan westerse basiswaarden als gelijkheid en verdraagzaamheid. Daarover is discussie uitgesloten.

Tot slot is het debat over politieke correctheid met de jaren almaar ingewikkelder geworden omdat van ‘debat’ eigenlijk geen sprake is en ook niet kan zijn. Het gaat hier immers om appels en peren, onvergelijkbare grootheden: waarheid en moraal. Elke poging tussen die twee een midden te vinden mislukt bij voorbaat. En als zo’n midden gevonden wordt, is het resultaat per definitie hutspot.

In 1991 hadden NRC Handelsblad en Maarten Huygen van zoveel bedenkingen nog geen last. Vandaar dat dat eerste artikel over politieke correctheid gelardeerd werd met tal van ‘amusante’ voorbeelden. Een daarvan betrof een hoogleraar aan de Universiteit van Californië die in huilen uitbarstte omdat hij niet tot een minderheidsgroep behoorde. Zijn redding kon niet ver weg zijn, luidde het ironisch commentaar van Huygen. Immers, het Bureau Studentenzaken van Smith College had onlangs een stencil uitgegeven met de strekking dat er velen waren die niet beseften dat zij eveneens tot een minderheidsgroepering behoren. Zo zijn er die lijden onder lookism (opleggen van schoonheidsnormen), ageism (leeftijdsnormen), classism (klas) en ablism (handicap). Kortom, eigenlijk hoort iedereen tot een minderheidsgroep, is iedereen slachtoffer en verdient iedereen voorrang.

Medium hh 2896925
‘De islam zie ik als een buitengewone bedreiging, als een ons vijandige samenleving’ © Harry Meijer / HH
‘We rouwden om het definitieve einde van ons optimisme en het veilige, knusse Nederland dat daarbij hoorde’

Aldus de gekscheerders van het politiek correcte denken. Hun spot trof doel, het eerst en het sterkst in de VS zelf, maar vervolgens ook elders, zoals in Nederland. Ook hier zou de uitdrukking ‘politiek correct’ in de loop van de jaren negentig doordringen. Vanaf 1993, 1994 dook ze steeds vaker op, in de Volkskrant, De Telegraaf en uiteindelijk overal. Maar de betekenis was nog verre van duidelijk. ‘Man, 32, filosofisch maar niet zweverig, links maar niet politiek correct, zoekt zweverige en politiek correcte vrouw’, stond in maart 1994 in de Leeuwarder Courant. ‘Het toenemend gebruik van het uit de Verenigde Staten overgewaaide begrip “politiek correct” is in Nederland slechts een nieuwe manier om opinies buiten spel te zetten die afwijkend of niet in de mode zijn’, luidde een stelling bij de dissertatie over vrouwelijke politici waarop Hella van de Velde in 1994 promoveerde – vreemd, want met politiek correct werd veelal juist het tegenovergestelde bedoeld: opinies die wel in de mode waren en niet afweken van de norm. ‘[Kinder]boeken toetsen aan maatstaven van (politieke) “correctheid” is een gevaarlijke bezigheid’, schreef het Nederlands Dagblad in hetzelfde jaar, en vervolgde: ‘Een jongen als hoofdpersoon? Kan niet, is sexistisch. Een moeder aan het bakken? Rolbevestigend. Twee buitenlanders die ruzie maken? Racistisch. Komt er een kabouter in voor? Occult.’

***

Zo ging het door. ‘Columnist en schrijver Gerrit Komrij worstelt ook wel eens met politiek correct taalgebruik.’ Cartoonist Peter van Straaten ‘vertelt over politiek correct taalgebruik’. Vanaf eind 1994, begin 1995 was de uitdrukking ook in Nederland bon ton. In krantenbank LexisNexis komt ze tussen 1990 en 1995 117 keer en tussen 1995 en 2000 955 keer voor, om in de daaropvolgende jaren steeds verder in het taalgebruik door te dringen. LexisNexis vermeldt haar tussen 2000 en 2005 1885 keer, tussen 2005 en 2010 2738 keer en tussen 2010 en 2015 2636 keer.

Ondertussen voltrok zich een verwarrende omkering van begrip en inhoud – ‘politieke correctheid is een dronkenlap die slingert van boom tot lantaarnpaal’, schreef Herman Vuijsje in 2008 in de NRC. Want het was helemaal niet verboden om anders te denken. Juist niet. Om erbij te horen werd je eigenlijk geacht niet al te politiek correct te zijn. In ieder geval moest je voorkomen daarvan beschuldigd te worden. Politiek correct zijn was een vorm van domheid, een teken van kleinburgerlijke Prinzipienreiterei. Betekende dit dat de samenleving in korte tijd verrechtst was en dat correct en incorrect, zoals in dit trumpiaanse tijdperk lijkt te gebeuren, van plek gewisseld hadden? Voltrok zich destijds, eind vorige, begin deze eeuw, al een omkering van waarden?

Nee, zo ver was het destijds nog niet. Voordat het zo ver kon komen, moest er eerst iets anders gebeuren. Normen en waarden zijn geen luchtbellen, ze zijn zoals alles gerelateerd aan belangen die op hun beurt weer verbonden zijn met macht en machtsposities. Het gaat hier om een ander soort macht dan gewoonlijk met dat begrip wordt aangeduid: niet van de staat en de daad (lees: het eventuele vermogen van een overheid om met geweld haar wil op te leggen), maar van de samenleving en het woord, eventueel het gebaar, of het gevoel. De macht waar het hier om gaat, ligt bij het ongrijpbare fenomeen dat veelal publieke opinie wordt genoemd. Zij is daadwerkelijk een macht, zij het een macht die niet straft maar dwingt, met schuld(gevoel), uitsluiting, schaamte en ridiculisering, straffen die als des te problematischer ervaren worden omdat ze deels zelfkastijdingen zijn.

In het laatste decennium van de twintigste en het eerste decennium van de 21ste eeuw vond in de westerse samenlevingen niet zomaar een verandering in de machtsverhoudingen plaats. Er voltrok zich niets minder dan een revolutie – van fluweel, dat wel, en op ander gebied dan gewoonlijk: niet een revolutie van de daden en de wapens maar een revolutie van de beelden en de woorden. Veelal duidt men deze revolutie aan met begrippen als medialogica, mediatisering en digitalisering. Sterk vereenvoudigd gezegd doelt men hiermee op het feit dat media en publiek het in de publieke ruimte in toenemende mate voor het zeggen hebben gekregen. In de jaren negentig ontpopten eerst de media zich als een maatschappelijke factor waarmee rekening gehouden moest worden. In dat verband sprak men veelal van vierde macht en noemde steeds weer cnn als voorbeeld. Meer dan wie of wat ook zou deze televisiezender in staat zijn de internationale politiek te sturen. De jaren nul waren vervolgens die van de internet- en mobiele revolutie, met name teweeggebracht door de sociale media. Deze blijken zo’n lawine van publieksstandpunten te kunnen veroorzaken dat niets of niemand daartegen bestand is. Weer een nieuwe macht dus.

Eind twintigste, begin 21ste eeuw braken media en publiek de traditionele machtsbases van de publieke opinie – die tot dan toe niet zo ‘publiek’ was geweest. In feite was deze ‘opinie’ tot dan toe altijd het monopolie geweest van enkele kleine, regelmatig veranderende groepen van vooral politici, opiniemakers en intellectuelen, zeg de tegenwoordig gefnuikte elite cq. ‘blanke man’. Dit verklaart ook waarom de critici van het politiek correcte denken, althans in de Verenigde Staten, hun pijlen in eerste instantie op de academische wereld richtten. Daar, onder wetenschappers en intellectuelen, zouden sinds de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw de belangrijkste opiniemakers zitten. Om een andere manier van denken mogelijk te maken moest eerst hun macht gebroken worden. In Nederland speelde hetzelfde, zij het dat het politiek correcte denken hier beslist niet alleen aan de universiteiten heerste. Het was veel dieper doorgedrongen. De verklaring hiervoor: de al herhaaldelijk genoemde consensus.

Toen Herman Vuijsje in 2008 een derde druk van Correct publiceerde, liet hij deze voorafgaan door een uitvoerige inleiding. Hierin reflecteerde ook hij op de omslag die zich sinds de publicatie van zijn boek in 1997 voltrokken had, in het bijzonder op de gebeurtenissen sinds de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Daarbij ging Vuijsje eveneens in op het veranderde beeld van Nederland, van een paradijs van consensus en tolerantie in een hel van strijd en vreemdelingenhaat. Als een van de vele illustraties van deze verandering besprak hij het pamflet dat Geert Mak in 2005 onder de titel Gedoemd tot kwetsbaarheid had gepubliceerd. ‘Iedereen was die eerste dagen in paniek’, schreef Mak hierin naar aanleiding van de moord op Van Gogh. ‘We rouwden, denk ik nu, ook om het verlies van onze onschuld… én om het definitieve einde van ons optimisme en het veilige, knusse Nederland dat daarbij hoorde. Daarna barstte het los… en de jarenlang opgespaarde vreemdelingenhaat – o, wat waren we altijd politiek correct geweest – spatte naar buiten. In Utrecht, IJsselstein, Groningen, Huizen, Breda, Rotterdam, Uden en Heerenveen werd brand gesticht bij islamitische gebedshuizen en scholen. Het antwoord kwam snel: aanslagen op kerken in Utrecht, Amersfoort, Boxmeer en Rotterdam.’

Zoals bijna iedereen meende Vuijsje dat Mak overdreef. Zo is het ook, de auteur had zich laten meeslepen. Kort na de moord op Van Gogh kwam het her en der inderdaad tot uitbarstingen, maar uiteindelijk viel de beroering erg mee. Het tweede deel van Maks citaat, over de aanslagen op vreemdelingen en hun reactie daar weer op, is dan ook aantoonbaar onjuist. Maar dat geldt niet het eerste deel, over het einde van de consensus. Dit begrip gebruikte Mak overigens niet, hij sprak van optimisme, veilig, knus. Nee, het is Vuijsje die hem noemde, en terecht. Want consensus is veel meer dan het in de jaren 1990 geroemde poldermodel, het is een oeroud fenomeen in de Nederlandse geschiedenis, met het poldermodel als een van de varianten, gedogen als modern bijverschijnsel en vergadering als traditioneel middel.

De Nederlandse consensus werd opgebouwd in eeuwen van burgerlijke beheersing, leek onverwoestbaar in tijden van verzuiling, werd door de generatie van de jaren zestig, ondanks hun rebellie tegen hun voorgangers, gehandhaafd om pas aan het begin van de 21ste eeuw, althans zo ziet het er nu naar uit, te breken. Pas na deze breuk werd Nederland, zoals Vuijsje boven een van de paragrafen van zijn inleiding bij de 2008-editie van Correct schrijft, ‘een gewoon Europees land’. In dit land zijn we het niet langer met elkaar eens over de grondslagen van de samenleving – wat in dit verband hetzelfde is als zeggen dat wat de een als ‘politiek correct’ beschouwt door een ander afgedaan wordt als halfslagen idiotie. Je hoeft de krant maar open te slaan, de tv maar aan te zetten, te klikken op internetlinkjes, recente boekpublicaties te bekijken en je hoort, leest, ziet steeds vaker beweringen die een jaar of tien geleden zo goed als onvoorstelbaar waren. Zoiets zei je niet. Zoiets werd je niet eens geacht te denken. Maar op dit moment zijn dergelijke ‘onfatsoenlijkheden’ heel gewoon.

***

De chronologie van de verandering is onmiskenbaar. Al voordat Fortuyn vermoord werd, was duidelijk dat hij een snaar raakte. Het lag voor de hand dat deze snaar vervolgens ook door anderen beroerd zou worden – omdat ze vergelijkbaar dachten, uit opportunisme of uit een combinatie van deze twee factoren. Een van degenen die dit nadrukkelijk deed, was de man die kort na de moord op Fortuyn de nieuwe premier van Nederland werd, Jan-Peter Balkenende. Al in zijn campagne begon hij over normen en waarden, ‘fatsoen moet je doen’ werd zijn vleugelkreet, en in zijn regeringsverklaring van juli 2002 herhaalde Balkenende deze woorden om er als regeringsleider vervolgens een project van te maken. Dat project leidde tot het zogenoemde normen-en-waardendebat dat jarenlang door politiek en media schemerde, maar dat, behalve een canon (2005-2006) en plannen voor een Nationaal Historisch Museum (2006), niet veel meer opleverde dan gesteggel. Dat kon ook moeilijk anders, want zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in december 2003 in het rapport Waarden, normen en de last van het gedrag stelde: ‘Een moderne samenleving staat voor de opgave de grote mate van pluriformiteit te laten samengaan met voldoende eenheid en gemeenschappelijkheid.’

Inderdaad, dat was precies het probleem waar Fortuyn, Balkenende en zovele anderen eerder (Bolkestein) en later (Wilders) over vielen: de lastige, zo niet onmogelijke combinatie van pluriformiteit en eenheid. Tot dan toen was die combinatie echter zelden of nooit als een probleem ervaren. Integendeel. Zij was Nederlands kracht. Het kenmerk bij uitstek van ons land en onze cultuur was immers het vermogen om schijnbaar onverenigbare groepen, religies en opinies samen te brengen – protestant en katholiek, of joods en christelijk, elite en volk, werkgevers en werknemers, boeren, burgers, buitenlui. Juist daarom werd de Nederlandse consensus zo geroemd: omdat hij niet voor zich sprak.

In de zeventiende eeuw was de Republiek al een toevluchtsoord voor velen die anders dachten of deden en om die reden in eigen land niet veilig waren. In het tijdperk van de verzuiling bleken geheel verschillende bevolkingsgroepen op dezelfde bodem zonder noemenswaardige problemen te kunnen samenleven – en op politiek niveau zelfs goed te kunnen samenwerken. En in de botsing tussen generaties en ideologieën in de jaren zestig en zeventig bleek, althans bij nader inzien, het stokje vrij geruisloos doorgegeven te kunnen worden – en dat terwijl er ook nog eens een ongekende morele revolutie plaatsvond. Het was de buitenstaander James Kennedy die dit laatste het scherpste opmerkte in Nieuw Babylon in aanbouw: Nederland in de jaren zestig (1995) en daarmee de aloude theorie van de Nederlandse pacificatie van een nieuw jasje voorzag. Vandaar die, ondanks grote politieke verschillen, voortdurende consensus. Deze betaalde zich uit in het laatste decennium van de twintigste eeuw, toen Nederland in staat leek nieuwe bevolkingsgroepen (immigranten) en traditionele opponenten (werkgevers en werknemers) met elkaar te kunnen laten samenleven en samenwerken in het poldermodel. Consensus dus, steeds weer consensus, ook en soms zelfs juist waar je botsing zou verwachten.

Maar begin 21ste eeuw leek hieraan dus toch een einde te kunnen komen. Dat was de boodschap van Balkenende. Hij zag de dreigende breuk en meende dat het noodzakelijk was meer aandacht te besteden aan eenheid, gemeenschappelijkheid, zeg Nederlanderschap. Gebeurde dat niet, dan zou de gewenste pluriformiteit wel eens in gevaar kunnen komen.

Maar eerst Fortuyn, vervolgens Wilders en uiteindelijk steeds meer anderen meenden dat dit een gepasseerd station was. De ‘pluriformiteit’ is volgens hen zo groot dat zij een anomalie is. De consensus is gebroken. De dreiging permanent, meer nog: een botsing is gaande, een oorlog uitgebroken. Wie dit niet ziet is blind dan wel zo ‘politiek correct’ dat het aan blindheid grenst.

Vanzelfsprekend spitst de discussie zich toe op alles en iedereen die afwijkt van het Nederlands kaaskoppencliché (blank, blond, stevig & christelijk), te beginnen met buitenlanders, in het bijzonder immigranten en nog meer in het bijzonder moslims. Het Nederlandse debat hierover wordt nu al meer dan tien jaar bijna volledig gedomineerd door Geert Wilders. Hij heeft het niet gewonnen. Maar zijn voortdurende hamerslagen hebben er wel toe bijgedragen dat de scheur van vijftien jaar geleden op dit moment niet anders dan als een breuk kan worden gezien, een echte breuk in de vaderlandse geschiedenis. Door die breuk weten steeds minder mensen waar de grens ligt tussen correct en incorrect. En zelfs degenen die deze grens nog wel menen te kennen, twijfelen, is het niet aan zichzelf, dan wel aan de wereld waarin zij, wij, leven.


Dit essay is mede tot stand gekomen met steun van Fonds 1877