Opheffer  

David, alias Johan, Fred of Teddy

Vorige week kondigde ik aan te gaan schrijven over schelmen. Theo van Gogh en ik wilden een film maken over Heer Olivier.

Ik legde dus een mapje aan met berichten over oplichters om daarover een film te maken en eigenlijk was Heer Olivier een uitstekende kandidaat. Vooral omdat, zo meenden Van Gogh en ik, Heer Olivier zelf wel die film kon betalen. Theo was daartoe al met hem in contact getreden en Heer Olivier had daar inderdaad oren naar. Hij vond het zelfs een goed idee. Alleen was ons probleem toen: hoe wisten wij dat de meesteroplichter ons wél zou betalen?
Heer Olivier schijnt toen tegen Theo te hebben gezegd: ‘Je moet me gewoon vertrouwen, Theo. Ik ben echt een eerlijk man.’
Helaas, die film is er nooit gekomen. Maar mijn mapje over schelmen groeide.
Ik had het geluk dat ik voor Het Parool, in mijn beginjaren als verslaggever, ook regelmatig naar de rechtbank mocht. Ik heb toen een paar keer echte schelmen voor de balie zien staan. Kleine oplichters, souteneurs, die tegenwoordig loverboys heten, vervalsers van documenten, maar het mooiste vond ik toch de Heer Olivier-types die tegenwoordig, door internet, enigszins uit zicht zijn verdwenen, maar die zich, begin jaren tachtig, net als Heer Olivier, vaak letterlijk en figuurlijk onledig hielden met het uitkleden van rijpere weduwen.
Eén man in het bijzonder maakte diepe indruk op mij, omdat hij zo ongelooflijk lelijk was dat je niet begreep dat er ook maar één vrouw was die hem zou willen hebben. De rechter vond dat ook en vroeg op een bepaald moment: ‘Waarom vallen vrouwen op u?’ Waarop de man antwoordde: ‘Dat zegt u omdat ik lelijk ben, maar hebt u die vrouwen van mij wel eens gezien? Als ik naast ze liep, werden zij opeens mooi, edelachtbare.’
Die man, die nu eens Johan, dan weer Fred, dan weer Teddy, maar eigenlijk David heette, had twee geweldige trucs om die rijpe weduwen te verschalken. Als er in Baarn of Hilversum een rijke stinkerd was overleden wiens vrouw dus opeens rijk was geworden en waarvan in het Baarnse sufferdje of in de Hilversumse Courant melding werd gemaakt, dan knipte hij die rouwadvertentie uit en plakte die in zijn grote kantooragenda, ongeveer een half jaar na overlijden. Na dat halve jaar liet hij bloemen bezorgen op het adres, om direct na de bezorging zelf aan te bellen met de mededeling dat de bloemen verkeerd waren bezorgd. Zo knoopte hij een gesprekje aan, en hij zei: ‘Die bloemen komen u meer toe dan de vrouw voor wie ik ze had bedoeld. Houdt u ze maar.’ En niet zelden wist hij ze, tijdens dat eerste gesprekje, al voor een diner uit te nodigen.
Onze David, alias Johan, Fred of Teddy, was niet arm, maar had een eigenaardige verhouding met geld. Daar wilde hij alleen maar meer van en hij weigerde zelf iets te betalen. Zo gebruikte hij de volgende zin als hij met de rijpere weduwe uit eten was geweest: ‘My darling, mag ik dit diner voor je betalen, met jouw geld, om te laten zien dat jij als geen ander mijn charme naar boven kan halen…’
Een knappe zin, vind ik nog steeds, want verwarrend, charmant, seductief en grappig. Dat ‘met jouw geld’ is een non-sequitur – in een zin die verder normaal lijkt. Een zin, kortom, met allerlei vluchtwegen erin, voor als het fout mocht gaan.
Dat talent voor verwarring is iets wat alle schelmen bezitten.
Daarover volgende week meer.