24 april 1919 - 8 juli 2010

David Blackwell

De Amerikaanse statisticus David Blackwell werd een icoon van de burgerrechtenbeweging - eerste zwarte hoogleraar, eerste zwarte in de Academie van Wetenschappen. Zelf interesseerde hem dat niets.

WIE IN EEN pistoolduel verzeild raakt en langzaam op zijn duellist afloopt, heeft één alles overheersende zorg: wanneer moet je schieten? Schiet je te vroeg, dan bied je de ander een open kans. Schiet je te laat, dan zul je wellicht je traagheid vervloeken in een plas bloed. Als je geweten had dat M (x, y) = x-(1-x)y, dan had je wel geschoten op x=0,5, want dan was je kans op succes het grootst geweest. Jammer genoeg voor de pistooltrekkers van het Wilde Westen werd dit pas ontdekt in 1954.
Dergelijke wijsheden waren het domein van David Blackwell, een Amerikaanse statisticus die vorige week overleed in zijn woonplaats Berkeley. Blackwell werd geboren in Centralia, Illinois, recht op Amerika’s segregatielijn. Zuidelijk van zijn stadje tot aan de Golf van Mexico waren alle scholen wit of zwart, erboven waren ze gemengd. Blackwell, de zoon van een spoorwegwerker met vier jaar middelbare school, bleek de hersenen te hebben om door te leren en begon in 1935, op zijn zestiende, aan een levenslang verblijf in de academia - totaal tegen zijn verwachting in.
‘Toen ik aan de universiteit begon, verwachtte ik dat ik leraar op een basisschool zou worden’, vertelde Blackwell later in een interview met het vakblad Statistical Science. 'Maar ik bleef de onderwijsvakken maar voor me uit schuiven.’ Op studiebeurzen promoveerde Blackwell op zijn 22ste. Vervolgens liep hij opnieuw tegen de segregatielijn aan.
Met een beurs voor zwart talent, ingesteld door een zwarte confectiemagnaat, verbleef Blackwell in 1941 een jaar aan Princeton, maar vanwege zijn ras kreeg hij daarna niet de gebruikelijke uitnodiging om bij Princeton in dienst te treden. Zijn talent was wel opgevallen, en een statisticus van de Universiteit van Californië probeerde hem naar Berkeley te halen. Blackwell was verbaasd over het dringende verzoek om eens op gesprek te komen. 'In die tijd was de ambitie van elke zwarte wetenschapper het bemachtigen van een plek bij Howard University’, zei Blackwell over de beste zwarte universiteit van het land. 'Dat was het beste waar je op kon hopen.’
En Blackwell had gelijk: hoewel Berkeley’s statistiekafdeling hem graag wilde, stuitte het idee van een zwarte wetenschapper daar in de jaren veertig nog op te veel weerstand. Het betekende bijna het einde van deze zo briljante carrière, want de meeste zwarte universiteiten hielden er geen vakgroep voor statistiek op na: Blackwell schreef alle 105 zwarte universiteiten van het land aan en mocht bij drie langskomen. Hij zou bij alle drie werken: Southern University in Louisiana, Clark College in Atlanta en Howard University in Washington D.C.
Op Howard woonde Blackwell een lezing bij over speltheorie, een nieuw en opwindend onderzoeksgebied dat zich onder meer op het terrein van wiskunde, economie en politicologie begaf en dat ongekende inzichten leek te bieden in de logica van menselijk handelen en het maken van keuzes. Blackwell was direct verkocht. Hij zou er een groot deel van zijn werkende leven aan wijden. En hij werd er ook meteen erg goed in: al een paar jaar later werd hij consultant voor Rand, de denktank van de Amerikaanse luchtmacht die het atoomarsenaal en de nucleaire strategie van de Verenigde Staten wilde inrichten naar de laatste, hyperrationele inzichten over de aard der dingen.
Het scherpte een probleem aan waar Blackwell al mee worstelde: de spanning tussen de wetenschappelijke theorie en de werkelijkheid. Een econoom van het Pentagon kwam eens langs om te informeren naar de statistische waarschijnlijkheid van een kernoorlog met de Sovjet-Unie in de komende budgetperiode van vijf jaar. 'Dat is geen logische vraag’, antwoordde Blackwell naar eigen zeggen. 'De waarschijnlijkheid is 0 of 1, maar dat weten we pas over vijf jaar.’
De implicatie van dat antwoord - dat speltheorie nutteloos is bij praktische vragen - zat Blackwell dwars. De statistische methode die hij aanhing, zei hij in Statistical Science, was 'een heel natuurlijke manier om over problemen na te denken en het was mathematisch prachtig. Het speet me zeer dat het niet aansloot op de werkelijkheid.’ Een collega bevrijdde hem van zijn twijfels: 'Jimmie vertelde me dat dit werkelijk de juiste manier was om te denken en dat ik niet zo over empirische bewijzen in moest zitten.’
Het legde Blackwells carrière geen windeieren. In 1954 werd hij toch aangenomen in Berkeley en toen de vakgroep statistiek zich een jaar later afsplitste van wiskunde, werd hij hoogleraar - de eerste zwarte hoogleraar op een niet-zwarte universiteit in de geschiedenis van de VS. Tien jaar later werd hij het eerste zwarte lid van de Amerikaanse Academie van Wetenschappen. Ondanks die baanbrekende rol in de Amerikaanse rassenverhoudingen liet Blackwell de strijd voor burgerrechten aan zich voorbijgaan. Gevraagd naar discriminatie tijdens zijn carrière antwoordde Blackwell: 'It never bothered me.’ In plaats daarvan liet hij zich altijd leiden door zijn persoonlijke interesse. 'Ik zie mezelf niet als staatsman of zo, ik ging gewoon richtingen uit die me interessant leken. En zo horen alle wetenschappers te werken. Maak je niet druk om de importantie van je werk. Tussen interesse en importantie zit correlatie genoeg.’