David Carr, 8 september 1956 – 12 februari 2015

Na een leven vol tragiek werd hij het gezicht van de moderne New York Times. En niemand preekte de orthodoxe waarden van de journalistiek – nauwkeurigheid, eerlijkheid, moed en ondernemingszin – zoals hij dat deed.

Vorige week donderdagavond zakte de New York Times-journalist David Carr op de redactie van zijn krant in elkaar – om nooit meer op te staan. In het dichtstbijzijnde ziekenhuis bleek hij te zijn bezweken aan spontane complicaties van de longkanker en de hartziekte waaraan hij leed. Carr was 58 jaar oud.

Het was een vlotte en schijnbaar pijnloze dood voor een man die in zijn leven volop pijn had gekend. Carr was in de jaren tachtig verslaafd aan crack, overwon lymfeklierkanker en worstelde zijn leven lang met een drankverslaving. Het weerhield hem niet van een rijke journalistieke carrière, die hij zou eindigen als de even gevierde als gezaghebbende mediacriticus van The New York Times – juist in een tijdperk waarin de traditionele media het zwaar hebben. ‘Hij omarmde de volheid van zijn leven’, schreef The New Republic.

In zijn memoires The Night of the Gun (2008) beschreef Carr hoe hij op een avond zijn twee pasgeboren dochters, een tweeling, in de auto achterliet om in een crackhuis drugs te kopen van zijn favoriete dealer, Kenny. ‘De roes van Kenny’s coke was sierlijker, op een of andere manier bevredigender dan die van de andere dealers waarmee ik werkte’, schreef Carr. ‘Het hield me alert. Maar vanavond had ik gezelschap. Ik kon zeker de tweeling niet mee naar binnen nemen. Zelfs in de kringen waarin ik toen verkeerde, was het ongehoord om de deur van een dope-huis open te gooien met twee gevulde babyzitjes onder je armen. Gezeten in de duisternis van de passagiersstoel, terwijl de ronkende auto de kou buiten hield, besloot ik dat mijn twee kleine meisjes veilig waren, dat God in mijn plaats over ze zou waken.’

Carr was door de spreekwoordelijke ondergrens gezakt: een paar maanden later zat hij in een afkickkliniek. Hij zou er bovenop komen, schreef hij in hetzelfde boek: ‘Tegenwoordig ben ik een oprecht, vaak plezierig persoon, ik doe solide werk voor een respectabele organisatie en heb door de jaren heen bewezen een zorgzame vader en echtgenoot te zijn.’

Carr trad in 2002 in dienst bij The Times. Hij was er vanaf het begin geen muurbloempje, zo blijkt uit zijn necrologie in die krant. ‘Met zijn wijze houding, zijn hese stem en zijn ooievaar-achtige postuur was Carr een opvallende figuur op de redactie’, schreef zijn collega Bruce Weber. ‘Hij kon grofgebekt zijn en zijn intellectuele arrogantie en gebrekkige tolerantie van dwazen zag je terug in zowel zijn conversatie als zijn proza.’

‘We lopen op deze aarde allemaal rond met het gevoel dat we fraudeurs zijn’

Toch werd juist deze figuur het gezicht van de moderne New York Times, niet in het minst vanwege zijn prominente rol in de documentaire over de krant, Page One: Inside The New York Times. De film volgt Carr onder meer als hij voor een verhaal over het opkomende mediabedrijf Vice Media een interview doet met enkele medewerkers van Vice. Wanneer een van hen, oprichter Shane Smith, zichzelf op de borst slaat omdat Vice net een verhaal heeft gemaakt over kannibalisme in Liberia – ‘terwijl The New York Times schrijft over surfen in Liberia’ – onderbreekt Carr hem: ‘Wacht eens even, time out. Voordat jullie daar überhaupt waren geweest, hebben wij daar reporters gehad die over de ene genocide na de andere hebben bericht. Het feit dat jij een safarihoed hebt opgezet en naar wat poep bent gaan kijken, geeft je nog niet het recht om belachelijk te maken wat wij doen. Maar ga verder.’

De uitgesproken wijze waarop Carr zijn krant en zijn vak verdedigde, is een van de redenen dat hij onder andere journalisten populair was, schreef Jack Shafer op de website Politico: ‘Hoewel hij eruitzag als een verdwaalde outsider preekte niemand de orthodoxe waarden van de journalistiek – nauwkeurigheid, eerlijkheid, ondernemingszin, moed – zoals hij dat deed. (…) Maar zijn verdediging van de orthodoxie ging nooit ten koste van de toekomst van de journalistiek. Hij verheugde zich enorm over wat nieuwe technologieën ons kunnen brengen.’

Journalisten hielden ook van Carr vanwege zijn vergevensgezindheid richting zijn vakgenoten. Zo schreef hij in zijn laatste ‘Media Equation’-column over de ontmaskering van Brian Williams, de nbc-presentator die gelogen had dat hij in 2003 beschoten was in een helikopter in Irak: ‘We willen dat onze presentatoren overal naartoe gaan, en tegelijkertijd onmogelijk beroemd, wereldwijs, gewoon en betrouwbaar zijn. Dat is een functieomschrijving waaraan niemand kan voldoen.’

Op de avond voor zijn dood leidde Carr een debat in het New York Times-gebouw over de documentaire Citizenfour, over klokkenluider Edward Snowden, die zelf per satellietverbinding deelnam. Andere sprekers waren onder anderen Laura Poitras, regisseur van de film, en Glenn Greenwald, de journalist die ooit als eerste de door Snowden gelekte informatie publiceerde. Volgens bezoekers was Carr levendig, geëngageerd en geestig, en ondanks zijn vele hoesten prima verstaanbaar.

‘Ik leid nu een leven dat ik niet verdien’, schreef Carr in het einde van zijn memoires, ‘maar we lopen op deze aarde allemaal rond met het gevoel dat we fraudeurs zijn. De truc is om dankbaar te zijn en te hopen dat aan de voorspoed niet snel een einde komt.’


Beeld: New York, juli 2008 (Chester Higgins Jr. / The New York Times / HH)