8 december 1936 – 3 juni 2009

David Carradine

Eerst was hij Kwai Chang Caine in Kung Fu, daarna Ingmar Bergman-acteur en toen Bill, dé filmische cultheld van de nieuwe eeuw. David Carradine deed de grenzen tussen kunst, cult en populaire cinema vervagen.

DAVID CARRADINE bleef tot aan zijn dood door verstikking in een hotelkamer in Bangkok, Thailand, waar hij de zoveelste nietszeggende film in zijn lange carrière draaide, een ster in de marge. Carradine werd in de jaren zeventig wereldwijd bekend als Kwai Chang Caine, of Grasshopper, in de tv-serie Kung Fu, maar kon dat succes pas laat in zijn leven herhalen, als de romantische, comics lezende schurk Bill in Quentin Tarantino’s Kill Bill. In de tussenliggende periode maakte hij aan de lopende band tv-series en slechte B-films. Zijn leven lang leek hij geknipt voor de wereld van ‘cult’. Maar schijn bedriegt. Carradine werkte óók met grote namen van de vernieuwende jaren-zeventigcinema, zoals Robert Altman, Martin Scorsese en Hal Asby, en met Ingmar Bergman, meester van de Europese psychologische film. Zo vervagen de grenzen tussen cult, populaire cinema en kunst in het leven en werk van David Carradine.
Als antwoord op de vraag waar hij nu precies in paste, refereerde Carradine graag aan een gesprek tussen hem en de in Frankrijk wonende Chileense kunstenaar en regisseur Alejandro Jodorowsky, die tegen hem zei: ‘Je moet kiezen tussen macht en onsterfelijkheid.’ En Carradine koos ‘natuurlijk’ voor onsterfelijkheid, want ‘wat heb je aan macht?’
Deze anekdote schetst precies het verschil tussen filmster en cultheld. De eerste heeft macht – iemand als George Clooney of Brad Pitt, die zelf kan bepalen in welke films hij speelt en vaak die films ook nog produceert. De cultheld daarentegen leeft in chaos, zonder controle over de rollen die hij speelt, met als gevolg een carrière vol middelmatige televisieseries en lowbudgetfilms. Hiervan was Carradine een schoolvoorbeeld. Na gastrollen in cowboyfilms en westerns op tv, waarmee hij in de voetsporen probeerde te treden van zijn beroemde vader, de acteur John Carradine, maakte hij jarenlang een spectaculaire reeks goedkope actiefilms, met titels als Death Race 2000 (1975), The Silent Flute (1978, naar een script van Bruce Lee) en Lone Wolf McQuade (1983). Voor de hondstrouwe fans van dit soort films betekent ‘cult’ niettemin juist iets bijzonders, in de marge, weg van mainstream, iets met inhoud – in elk geval in hun ogen – en daardoor – ironisch genoeg – verheven boven het werk van gewone acteurs die in commerciële films optreden om een zo groot mogelijk publiek te bereiken. Dat is cult. En zo bezien valt cult juist in veel gevallen te beschouwen als het beste wat de wereld van de populaire cultuur te bieden heeft. Want in een cultuursector die zo sterk afhankelijk is van de werking van cliché en stereotype zijn diepgang en kwaliteit eigenschappen die juist in de marge te vinden zijn, in de off beat-wereld van David Carradine, waarin ‘cult’ onrustbarend gemakkelijk kan overgaan in ‘kunst’.
Neem Carradine’s werk met Ingmar Bergman. Critici keken ervan op toen juist hij werd gevraagd voor de rol van Abel Rosenberg in Bergmans The Serpent’s Egg (1977). Het was een raadsel wat de stijlvolle Zweedse meester zag in de Amerikaanse kungfu’er met die hippieachtige, laconieke manier van praten en bewegen. Toch biedt deze vreemde combinatie de sleutel tot datgene wat Carradine tot een cultheld maakt. Toen Bergman The Serpent’s Egg regisseerde, stond de cineast aan de top. Drie jaar eerder was Scenes from a Marriage uitgekomen en een jaar later maakte hij Autumn Sonata. Bovendien was zijn inspiratie, Liv Ullmann, op dat moment een van de begeerlijkste actrices ter wereld. Dus, de maestro, zijn muze en… een cultheld? Carradine: ‘Ingmar wilde mij om mijn uitstraling, niet omdat ik zo goed kon acteren. Hij wilde dat ik de rol van een circusacrobaat zou vertolken. En dat is tamelijk accuraat, want ik ben ook wel een circusartiest!’
Bij de release van The Serpent’s Egg was iedereen het erover eens dat Bergman gek moest zijn geworden en dat dit toch wel zijn allerslechtste film was. Voor Bergman was het draaien een marteling geweest. Het project overweldigde hem. Door de betrokkenheid van de weerbarstige Italiaanse producent Dino de Laurentiis had Bergman toegang tot veel geld. In München liet hij het Berlijn van de jaren twintig nabouwen, zodat cameraman Sven Nykvist zich volledig kon concentreren op het nabootsen van de klassieke Duitse expressionistische stijl. Dat lukte prachtig. De sfeer van de film is donker, melancholiek, gevaarlijk.
Carradine’s personage raakt verstrikt in een web van moord wanneer zijn broer dood wordt gevonden. Liv Ullmann is Manuella, echtgenote van de broer. Carradine en Ullman krijgen een relatie, maar wanhoop en angst leiden tot een breuk en uiteindelijk tot geweld. In het laatste kwart van de film volgt de onthulling, in de vorm van een stijlbreuk, dat Carradine en Ullman proefkonijnen waren in een psychologisch experiment, compleet met gewetenloze blonde wetenschappers, cyanidecapsules en geheime camera’s achter spiegels in het appartement van de hoofdrolspelers. De film gaat – ironisch, gezien Carradine’s gesprek met Jodorowsky – over macht en onmacht.
The Serpent’s Egg verdient een herwaardering. Liv Ullmann vertelt op de in 2004 uitgebrachte dvd van de film dat Bergman haar tijdens een bezoek aan hem op zijn eiland toevertrouwde dat hij het werk toch een warm hart toedroeg. Zo is de cirkel rond. Bergman wilde oorspronkelijk een artistiek werk maken. De critici vonden het platvloers, met de beschuldigende vinger wijzend naar David Carradine. Vervolgens brachten Amerikaanse producenten het werk met groot succes in Europa aan de man (geen enkele andere Bergman-film maakte zo’n winst), waarna de regisseur nog voor zijn dood zijn werk eindelijk omarmde. Kunst. Cult. Cinema. Kunst. Met zijn Bergman-film belichaamde David Carradine deze verschuivende betekenissen, waardoor hij zijn tijd jaren vooruit was.