Zomerserie: Vroegere vrienden

David en de duivel

David laat een pauze vallen. Het is kwart voor drie. De barvrouw is langsgekomen om de laatste ronde op te nemen. We zijn al een tijdje aan het bier. ‘Goh’, zeg ik.

Medium 4 shira keller

‘Ik ben verliefd op je…’

David zat tegenover me aan tafel. We waren vijftien en dronken ranja uit gekleurde plastic bekers. Op de bank zat Davids moeder. Ze deed alsof ze een tijdschrift las, soms sloeg ze een bladzijde om. Het huis rook naar schoonmaakmiddel, het parket glansde, een steriele zithoek, boeken met evangelische titels stonden stofloos op alfabet geordend achter glazen deurtjes in een metalen kast. David had me het hele huis laten zien; de zolder waar zijn vader ’s avonds werkte (we bleven op de drempel staan en fluisterden), de slaapkamers op de eerste verdieping, waar gestreken lakens in wurggreep om de matrassen gevouwen waren, Davids kamer, zijn cassettebandjes – pas toen we iedere kamer in het huis hadden bezocht, liep David met opgetrokken schouders voor me uit de trap af. Zijn moeder zat op de bank, met dat tijdschrift. Ze had niet opgekeken toen we binnenkwamen.

David zweeg. Hij duwde zijn vingerkootjes tegen elkaar, de knokkels sloegen geel uit. Zijn blik schoot van zijn moeder naar de ranja naar zijn vingers en heel even keek hij me aan.

In mijn hoofd een kloppende brij, de vier woorden – ik ook op jou – waren bezig hun weg van mijn maag naar mijn lippen af te leggen.

David kneep in zijn glas, nam een slok, haalde snel achter elkaar twee keer adem en zei: ‘… maar omdat je niet gelovig bent kunnen we beter geen contact meer hebben.’

2013, 28 jaar

Via Facebook kom ik David op het spoor. Hij hield zijn woord; na de middag met de ranja, ruim tien jaar geleden, hebben we elkaar niet meer gezien. Op zijn initiatief spreken we af in een groezelig bruin café. Mannen hangen er zwijgend aan de bar, een groep jongens speelt een kaartspel. We zijn allebei een kwartier te vroeg.

‘Hé. Hoi. Kom je hier vaak?’ Het komt er raar uit, ik heb er te lang op geoefend.

‘Soms.’ Zijn halflange kapsel is gekortwiekt, hij is langer dan in mijn herinnering. Als hij me niet had verteld dat hij een zwartleren jas (een zwartleren jas?) zou dragen, had ik hem niet herkend. Ik heb zin in wijn, maar bestel koffie. Hij neemt cassis. De barvrouw weet hoe hij heet.

‘Phoe, lang geleden’, dreun ik op als we aanschuiven aan een tafeltje.

‘Ja.’

Ik roer in mijn koffie, hoewel ik hem zwart drink. ‘Veel gebeurd?’

‘Dat had ik je nog willen zeggen’, zegt hij, en hij kijkt me aan. Ik voel vlekken mijn hals op kruipen.

‘Ik geloof sinds een paar jaar niet meer in God.’

1985, 0 jaar

De gynaecoloog had Davids moeder na een lange reeks miskramen meegedeeld dat de kans op een levensvatbaar kind in haar geval klein was en sterilisatie de meest humane oplossing. Davids moeder had een inschikkelijk karakter; ze sprak niet veel en als ze iets zei waren haar woorden zacht, zo zacht dat men haar maar zelden daadwerkelijk hoorde. Maar haar inschikkelijkheid kende grenzen.

Op de dag dat zij en haar man elkaar hadden leren kennen, waren ze het eens geworden over de naam van hun eerste zoon. Binnen een half jaar waren ze getrouwd om geen tijd te verliezen voor de productie van hun toekomstig kroost. Het was evident dat God haar voorbestemd had voor het moederschap.

Schreeuwend was ze haar gynaecoloog aangevlogen. Thuis verzweeg ze het voorval. Ze besloot dat de gynaecoloog een minkukel was en deed wat ze gewend was te doen wanneer het in het leven even niet meezat: ze bad tot God.

Eind 1984 raakte Davids moeder voor de vierde keer dat jaar zwanger. Davids wonder­geboorte werd in de kerk gevierd als de regelrechte overwinning op Satan.

1988, 3 jaar

‘Wat staat daar?’ vroeg David aan zijn moeder, ze zaten in de tram, hij met zijn neus tegen het raam. Met zijn wijsvingertje tikte hij tegen het glas, in de richting van het hoge, grijze gebouw.

‘Vrije Universiteit’, antwoordde zijn moeder, ‘dat is waar slimme mensen naar school gaan.’

Een week later zat David met een stapel kranten op de bank. Plotseling stak hij er een in de lucht en begon te gieren van het lachen.

‘Shhh, wat is er, lieverd?’ vroeg zijn moeder, zacht.

‘Univessiteit!’ riep David.

Zijn moeder nam het Nederlands Dagblad uit zijn handen. De krant lag opengevouwen op een artikel over biochemisch onderzoek aan de Universiteit Twente.

‘Univessiteit!’ brulde hij weer.

Davids moeder was er niet gerust op. Ze verstopte kranten en tijdschriften om de onnatuurlijke ontwikkeling van haar zoon te remmen, liet haar echtgenoot glazen deurtjes met sloten op de boekenkast monteren, maar toen ze de peuter op een dag op zijn kamer aantrof met de bijbel op schoot won haar vroomheid het van haar zorgen. Binnen een paar weken las David stralend de eerste paragrafen uit Genesis voor aan zijn crècheleidster. God had David een wonderlijk stel hersens gegeven, maar het duurde niet lang of ook de duivel was op de hoogte.

1990, 5 jaar

Staand op zijn trappers zoefde David de hoek om, de straat op. Hij was met zijn moeder op weg van school naar huis. Niet alleen de spelletjes in zijn klas gingen hem te langzaam. Het liefst zou hij zo snel fietsen dat hij met zijn vaart de jaren achter zich zou laten.

Dat wist hij nog. Dat hij daar fietste. Van wat volgde had zijn moeder hem jaren later verslag gedaan: vanuit haar ooghoek had ze het rode voertuig zien naderen. Haar adem stokte. Nog voor ze iets had kunnen uitbrengen was haar zoon met fiets en al over de motorkap gevlogen en een paar meter verder met zijn hoofd op het asfalt geklapt. Hij had zich niet bewogen. De automobilist was uitgestapt, had houvast gezocht bij de motorkap en had overgegeven op het asfalt.

Met loeiende sirenes werd David naar het ziekenhuis gereden, waar de artsen zijn moeder vertelden dat hij kunstmatig in coma zou worden gehouden zolang zijn toestand niet verbeterde. Mogelijk blijvend letsel. Falende hersenfuncties. Misschien een andere school. Davids moeder zat naast zijn ziekenhuisbed, roerloos, en bad tot God.

Toen David een paar weken later aan de hand van zijn moeder de kerk betrad, zijn moeder had een helmpje voor hem gekocht dat hij onder geen beding mocht afzetten, bogen de kerk­gangers eerbiedig het hoofd.

‘Zie dit als een waarschuwing’, sprak de voorganger, zijn woorden galmden tegen de kale wanden. ‘David kroop door het oog van de naald. Wees alert. Satan heeft het gemunt op zijn verstand.’

Met tongentaal en wegdraaiende ogen verdreef de kerkgemeente die dag de duivel uit Davids buurt. Zijn moeder verloor hem geen moment meer uit het oog. De duivel moest van goeden huize komen wilde hij de gehelmde kleuter van zijn goddelijke taak beroven.

2000, 15 jaar

‘Hij heeft haar gezegd dat hij haar niet meer wil zien’, hoorde David zijn moeder aan haar vriendinnen in de kerk vertellen.

Het was al een tijd geleden dat zijn moeder iets bijzonders over hem had kunnen melden. Eerst was alles op rolletjes gegaan. Hij mocht van groep drie naar groep vijf, en toen juf Wolkers van groep vijf merkte dat ook zij hem niets kon leren, kwam de zesjarige David in groep zeven terecht. In de kerk hadden ze zuinigjes op het nieuws gereageerd – nederigheid siert de mens − maar Davids moeder had heus wel gemerkt dat de anderen haar benijdden. Wat er daarna gebeurd was had ze verzwegen, maar het nieuws verspreidde zich als een lopend vuur. Vier jaar achter elkaar bleef David zitten, waarna hij de basisschool afrondde met de kinderen die hij nog kende van de kleuterklas. Ook op de middelbare school kon hij zijn draai niet vinden. Hij was net voor de tweede keer aan de tweede klas begonnen.

‘Was hij écht verliefd?’ vroegen de vriendinnen.

‘Reken maar’, glunderde Davids moeder. ‘Het was een ware beproeving.’

De vriendinnen knikten vol ontzag.

2007, 22 jaar

‘Wat als die zes dagen metaforisch bedoeld zijn?’

David studeerde aan de universiteit voor theo­logie in Elst. Hij had een verhandeling geschreven over de onmogelijkheid fossielen op leeftijd te schatten als gevolg van de zondvloed. Toch was het hem niet gelukt het laatste puzzelstukje passend te krijgen: hoe viel te verklaren dat de fossielen in Afrika er consistent zoveel ouder uitzagen dan die in Irak, waar zich de Hof van Eden moest hebben bevonden? Was de aarde werkelijk maar zesduizend jaar oud?

Professor doctor Haverijt zette zijn bril af, legde die voor zich op tafel en vouwde losjes zijn handen. ‘David’, zei hij, een frons als een loopgraaf trok over zijn voorhoofd, ‘vertel me eens: als God de aarde niet geschapen heeft, waarom zou die dan zijn ontstaan?’

Al in de eerste maanden was David de professor opgevallen. De vragen die de student tijdens zijn colleges stelde, de ijver waarmee hij teksten verslond in de faculteitsbibliotheek, het was of hij een jonge versie van zichzelf in de ogen keek. Hij kreeg er een bittere smaak van in zijn mond.

David schoof op zijn stoel. ‘Dat weet ik niet.’

‘Waarom zou jíj bestaan?’

David schraapte zijn keel, haalde zijn schouders op.

‘Waarom zouden we überhaupt willen leven?’

David wist het niet.

‘Zodra we de bijbel als leidraad verwerpen, David, is dat wat overblijft. Een kil universum waarin willekeur regeert. Wees je daarvan bewust.’ Professor Haverijt boog zich voorover. ‘Is de waarheid dat waard, David?’ Hij sprak zacht, er zat iets tussen zijn voortanden. ‘Zeg eens eerlijk: doet het ertoe?’

2008, 23 jaar

‘Wat als je het zou zien als een prisma?’

David zat op zijn campuskamertje achter zijn computer. Hij had al een paar maanden iedere avond contact met Marieke, een vrolijk meisje met een hese stem en schitterende ogen. Ze woonde op dezelfde campus, maar als ze elkaar in levenden lijve tegenkwamen, in de gang of in een collegezaal, begonnen ze allebei te stotteren, dus spraken ze elkaar liever via msn. Ze hadden al eens een discussie gevoerd over de naam van hun toekomstige kind.

‘Een prisma?’ typte Marieke. ‘Snap ik niet.’

‘Wat als je de waarheid vergelijkt met het licht?’ Davids vingers haperden. ‘Je kunt het niet zien, maar als het door een prisma schijnt, zie je kleuren. Wat als ons geloof een van die kleuren is?’

Marieke’s kapitalen klapten op het beeldscherm. ‘ONS GELOOF NIET DE WAARHEID???’

Davids vingers trilden. ‘Ik bedoel’, typte hij, enter, ‘misschien is de waarheid te groot om te bevatten.’ Enter. ‘Misschien is ons denkvermogen te beperkt?’ Enter. ‘Misschien is ons geloof één van vele manieren om een stukje van de waarheid te kunnen zien…?’

Onder in beeld knipperde de hoop. Marieke is aan het typen…

David telde de seconden. Hij was bij 33 toen haar reactie op het scherm verscheen.

‘?!’

Davids handen bleven boven het toetsenbord hangen. Vijf minuten staarde hij naar de twee leestekens, naar de knipperende cursor. Marieke was niet aan het typen. Hij besloot dat ze naar de wc moest zijn gegaan. David stond op van zijn bureaustoel en schonk een kop koffie in. De helft van de koffie goot hij over zijn broek. Toen hij terugkwam bij de computer was de verbinding verbroken. Marieke had David uit haar msn-lijst verwijderd.

2009, 24 jaar

Zo’n geluid had hij zijn moeder nog nooit horen maken.

Hij had de hele weg van Elst naar zijn ouderlijk huis zitten repeteren op zijn woorden. Toen ze met z’n drieën, drie koppen thee, in de woonkamer zaten, had hij het gezegd. Het was eigenlijk heel simpel, of hij een tekst uit een script opzegde: ‘Ik ben gestopt met theologie. Ik ben geen christen meer.’

Zijn vader was opgestaan en met kaarsrechte rug en gladgestreken gezicht de trap op ­gelopen. Zijn moeder had zich niet bewogen. Hij had de kleur uit haar gezicht zien ­wegtrekken. Toen, alsof iets bezit van haar nam, was het schrille krijsen begonnen. Kippenvel waaierde over Davids armen. Hij liep naar zijn moeder toe, legde een hand op haar schouder, maar ze schokte achteruit, met stoel en al, sloeg gillend zijn hand van zich af. Het duurde een half uur voor zijn moeder bedaarde. Ze snoot haar neus en keek David aan met de ogen van een vreemde.

‘Maar lieverd’, zei ze, de tranen kwamen terug, ‘nu ga je naar de hel…’

Die nacht sliep hij in zijn vroegere kamer in zijn ouderlijk huis.

‘Het is te laat, Mariska.’ Midden in de nacht. Zijn vader tegen zijn moeder, het huis was gehorig. Het klonk beheerst.

Zijn moeder, met gesmoorde stem: ‘We hebben niet goed genoeg op hem gelet. We hebben hem aan de duivel verloren.’

De volgende dag nam David afscheid.

2009 tot 2012, 24 tot 27 jaar

De dagen zagen er allemaal hetzelfde uit. Hij werd wakker om een uur of zeven, ging op de grond met zijn rug tegen de verwarming aan zitten en luisterde naar de stemmen in zijn hoofd. Naarmate hij ze vaker afdraaide verloren ze hun vorm, hun betekenis, zoals alles langzaam aan betekenis verloor.

‘Als God niet zou bestaan, waarom zou jíj bestaan?’

‘Zie dit als een waarschuwing.’

‘ONS GELOOF NIET DE WAARHEID???’

‘Dan ga je naar de hel.’

‘Doet het ertoe?’

‘Hij heeft haar gezegd dat hij haar niet meer wilde zien.’

‘Zie dit alse waasuwing.’

‘Doetetetoe?’

‘Aje ade el.’

‘Webbe addeduivelore.’

‘Oofiet aarijt.’

‘Addeduivelore.’

‘Webbe addeduivelore.’

‘Uivelore.’

Soms schoot hij zomaar in de lach. Dan schrok hij.

Om zes uur zette hij de computer aan keek hij op Uitzending gemist een aflevering van SpangaS, die duurde tien minuten en dat was tamelijk exact de concentratiespanne die hij op kon brengen.

2013, 28 jaar

David laat een pauze vallen. Het is kwart voor drie. De barvrouw is langsgekomen om de laatste ronde op te nemen. We zijn al een tijdje aan het bier.

‘Goh’, zeg ik.

David grijnst. ‘Weet je wat het is, er bleef niets over. Ik gaf die professor gelijk. Wat was nu in godsnaam mijn taak? Wie was ik? Zonder God was ik in één klap leeg, inwisselbaar. Een nobody.’

De barvrouw zet de glazen tussen ons in. ‘Tien minuten, tortelduifjes!’ roept ze over haar schouder. De rest van de kroeg is leeg.

‘Maar het is omgekeerd’, zegt David. ‘Vroeger, toen ik mijn best deed aan alle verwachtingen te voldoen, toen ik ieder gevoel, iedere twijfel ­interpreteerde als een zwakte, een tekort­koming, tóen was ik leeg. Tóen was ik een nobody. Nu, nu ik niets meer hoef, nu heb ik voor het eerst in mijn leven het gevoel dat ik iemand bén.’

‘Wie ben je dan?’ grap ik. Ik begin iets van het bier te merken.

David lacht weer, neemt een slok, knijpt in zijn glas, kijkt me aan en langzaam breekt zijn gezicht open.

Hij zegt: ‘Ik ben een mens.’


Eind vorig jaar verscheen van Shira Keller (1985) de roman M. Dat was haar debuut­roman, en daarmee is ze genomineerd voor de Academica Debuutprijs – academicaliteratuurprijs.nl

Vroegere vrienden

De Groene Amsterdammer vroeg vijf schrijvers terug te keren naar hun jongere jaren en te reflecteren op wie hun beste vrienden waren, en hoe ze die uit het oog hebben verloren. In reportage, memoir of essay gaan Gustaaf Peek, P.F. Thomése, Yannick Dangre, Shira Keller en Philip Huff op zoek naar hun vertrouweling van weleer.