David Graeber, 12 februari 1961 – 2 september 2020

David Graeber bedacht de term ‘bullshit job’, maar stond voor veel meer. Hij was een autonoom denker die na de schuldencrisis voorzag in de behoefte aan een ander perspectief.

Aan sympathie geen gebrek, voor de demonstranten die in 2011 hun tentenkamp hadden opgezet in het Zuccotti-park, vlak bij Wall Street. Dat het gefinancialiseerde kapitalisme had afgedaan, daarover waren veel mensen het wel eens. Maar naarmate de protesten langer duurden zwol de kritiek aan. Waarom formuleerde de zelfverklaarde 99 procent geen heldere eisen? Waarom kwam ze niet met concrete alternatieven? Volgens David Graeber, een van de aanjagers van de Occupy-beweging, miste dit soort bezwaren het hele punt: het protest wás het alternatief. De actievoerders toverden parken en pleinen om tot agora’s en toonden zo hoe ware democratie eruit kon zien. Een directe democratie zonder leiders. ‘Onze visie was gebaseerd op het geloof dat democratie besmettelijk is’, schreef Graeber in The Democracy Project (2013).

Eigenlijk wilde hij dat boek een andere titel meegeven: As If We Are Already Free. Dat vatte de filosofie achter de acties mooi samen: wacht niet tot regeringen verandering in gang zetten, prikkel de verbeeldingskracht door zelf het ogenschijnlijk onmogelijke in de praktijk te brengen. Handel alsof je al vrij bent. Of zoals hij het verwoordde tijdens zijn bezoek aan de Maagdenhuisbezetting in Amsterdam: ‘We weten niet waartoe we allemaal in staat zijn. Het is enkel op momenten als deze dat we daarvan een glimp opvangen.’

In kleermakerszit zat hij begin 2015 tegenover de rebellerende studenten, op zijn verfomfaaide trui had hij een rood vierkantje gespeld, het symbool van de Nieuwe Universiteit. Het was een setting waarin hij zichtbaar op zijn gemak was, meer nog dan in collegezalen of studeerkamers. Ondanks zijn reputatie als baanbrekend antropoloog voelde Graeber, kind uit een New Yorks arbeidersgezin, zich nooit helemaal thuis in de geleerde klasse. Net als de Maagdenhuisbezetters hekelde hij de bureaucratisering van de universiteit, die langzaamaan veranderde van een toevluchtsoord voor nieuwsgierige buitenbeentjes in een diplomafabriek. ‘Als je je niet een beetje kunt gedragen als een professionele manager, kun je een academische carrière wel op je buik schrijven’, zei hij in een interview met The Guardian.

En als Graeber iets niet was, dan was het wel een professionele manager. Hij was een uitgesproken activist, een antikapitalist, een anarchist met kleine letter ‘a’. Dat maakte het lastig manoeuvreren in academiën, zo merkte hij toen hij in 2005 na een sabbatical terugkeerde op Yale. De universiteit besloot zijn aflopende contract niet te verlengen – volgens Graeber omdat hij zijn verlofjaar voornamelijk had doorgebracht op de barricaden en zijn leidinggevenden niet zaten te wachten op oproerkraaiers. Uiteindelijk verhuisde hij naar Londen, waar hij er toch in slaagde om een succesvolle academische carrière op te bouwen zonder zichzelf te verloochenen.

Graeber wist zijn radicale ideeën te vangen in toegankelijke taal

Graeber was het zeldzame soort wetenschapper wiens onderzoek de bestsellerlijsten bereikte. In 2011 publiceerde hij Schuld: De eerste 5000 jaar, een grondige studie naar de oorsprong van geld en schuld. Dat het boek een internationaal verkoopsucces werd, had alles te maken met het moment van verschijnen. De schuldencrisis had de klassieke economen, die geloofden dat ze de werkelijkheid konden vangen in cijfers en rekensommen, in hun hemd gezet. Er was behoefte aan een ander perspectief. Dat bood Graeber. Hij bewees dat een antropoloog minstens zoveel zinnigs te zeggen had over ‘de economie’ als een econoom. Hij herschreef de ontstaansgeschiedenis van geld en zette schuldkwijtschelding op de agenda.

Graebers kracht was dat hij radicale ideeën wist te vangen in toegankelijke taal. Zijn mediagenieke concepten vonden gemakkelijk een weg naar het brede publiek, geholpen door opiniemakers die dankbaar voortborduurden op zijn originele analyses. Zo vergaarde hij faam als bedenker van de term ‘bullshit job’. Het is een begrip met een intuïtieve geldingskracht: iedereen heeft wel een beeld bij geestdodende en overbodige baantjes. Maar het was ook zijn meest omstreden theorie. Want was het fenomeen werkelijk zo wijdverspreid als hij deed voorkomen? Maakte hij zichzelf er niet te gemakkelijk vanaf door iets pas te classificeren als onzinbaan wanneer de uitvoerder ervan zelf de nutteloosheid erkende? Volgens Graeber bewees de stortvloed aan instemmende reacties van gedesillusioneerde bedrijfsadvocaten en marketingmanagers dat hij zijn vinger op een zere plek had gelegd.

Graebers populariteit ging niet ten koste van zijn radicaliteit. Hij was een autonoom denker, geen thought leader. In plaats van deftige congressen bezocht hij liever Syrisch Koerdistan. In de autonome Rojava-regio bouwde de lokale bevolking te midden van een verwoestende oorlog namelijk aan een nieuw soort samenleving, gebaseerd op radicale gelijkheid en directe democratie. Het deed Graeber denken aan de verhalen van zijn vader, die als vrijwilliger van de Internationale Brigade had gevochten in de Spaanse Burgeroorlog. Hij woonde in Barcelona toen anarchisten en socialisten de stad bestuurden. Voor Graeber toonden de Spaanse revolutionairen dat het kón: een echt vrije samenleving creëren.

Diezelfde hoop putte hij uit de ‘Rojava-revolutie’, die fungeerde als een magneet voor linkse activisten van over de hele wereld. Bij hen kwam het onverwachte bericht over Graebers dood aan als een mokerslag. Zij verloren niet alleen een intellectuele inspiratiebron, maar ook een bevlogen kameraad. Iemand met een onwrikbaar geloof in de mogelijkheid van een betere wereld, omdat hij zag dat er mensen zijn die durven te handelen alsof ze al vrij zijn.