David griffith verdient beter

Eigenlijk is het een moralistisch monstrum. In Intolerance vlecht David Griffith vier reusachtige vertellingen, die tezamen een panorama van onrecht door de eeuwen heen vormen, door elkaar heen. De vroegste episode verhaalt over de verwoesting van Babylon, een bolwerk van liefde en verdraagzaamheid. De kruisiging van Jezus schetst het Midden-Oosten aan het begin van de jaartelling. De Bartholomeusnacht speelt zich af in het zestiende-eeuwse Frankrijk, waar de katholieken de calvinistische Hugenoten afslachten. De ‘moderne tijd’ (de jaren tien van deze eeuw, waarin Griffith dit kolossale werk schiep) is vertegenwoordigd met een vertelling uit Amerika, waar arbeiders gewelddadig worden onderdrukt. Al deze historische machtsverhoudingen zijn geplooid rond individuele perikelen.

Door de vier vertellingen met elkaar te versnijden ontstaat een caleidoscopisch beeld van universele onderdrukking, waarbij als verbindend element het steeds terugkerende beeld van een wiegende moeder fungeert. Dat beeld is sentimenteel, maar in de loop van de film wordt het steeds cynischer: het toont de toewijding en het geduld waarmee moeders over de hele wereld kanonnenvlees kweken.
Al met al is Intolerance, met zijn brokkelige vertelstructuur een tamelijk gecompliceerde film. Dat is de reden dat de Amerikaanse componist/dirigent Carl Davis, die in 1988 nieuwe muziek bij deze film componeerde, heeft gekozen voor zo veel mogelijk herkenbaarheid en toegankelijkheid. Elke episode heeft hij in een eigen muzikaal jasje gegoten, waardoor de kijker onmiddellijk weet in welke eeuw we verkeren. Zo overheersen in Babylon de meanderende fluiten en het exotisch slagwerk, een galmend orgel verwijst naar de Bijbelse vertelling, renaissancemuziek kleurt het Franse hof, en de vroege twintigste eeuw wordt verklankt door een romantisch zwelgend orkest. Voor de wiegscènes componeerde Davis een apart Intolerance-thema, een melancholisch getint motief dat in een dramatische kreet eindigt.
Het is een heel consequente benadering, die in de concertzaal - Intolerance werd tijdens een kleine toernee begeleid door het Noord-Nederlands Orkest onder leiding van Davis zelf - ook niet meer dan dat bleek te zijn. Bij gebrek aan echte flair en fantasie deed de partituur van Davis schools aan. Dramatische scènes op het filmdoek werden vaak maar slapjes verklankt en zelfs filmmuziekclichés - zoals harpglissandi en sprankelende klokjes bij een liefdesscène - klonken simpel en rechttoe rechtaan.
Dat is zonde, omdat juist filmmuziek zich leent voor experimenten en onconventionele idiomen. Atonale muziek, grauwe elektronische muziek en akelige klankvelden zijn al decennialang gesneden koek voor het grote filmpubliek, mits gecombineerd met de juiste beelden. Een grillige film als Intolerance leent zich bij uitstek voor een avontuurlijke, geraffineerde soundtrack, maar Davis heeft iets gecomponeerd dat op z'n best niet afleidt van het beeld.
Naar het eind toe construeert Griffith een filmisch accellerando dat culmineert in een viervoudig bloedbad. Slechts één vertelling neemt op het allerlaatste moment een goede wending, zodat er toch nog een sprankje hoop gloort. Ook Davis trekt bij deze gruwelijke climax alles uit de kast wat hij kan verzinnen: de pauken roffelen, het orgel dreunt en de trompetten schetteren. Maar zelfs op dat moment kan hij het filmische geweld niet bijbenen. Toegegeven, een vertoning van Intolerance zonder muziek zou een lege huls zijn geweest, maar deze score is een geschiedenis van gemiste kansen.