De dystopie. In de literatuur duikt zij regelmatig op. Brave New World, A Clockwork Orange, 1984, The Handmaid’s Tale. Dichter bij huis onlangs nog Concept M en KLiFi, om er slechts twee uit te pikken. Het is een interessant literair genre: je kijkt vooruit naar iets wat niet bestaat en gebruikt eigenaardige of angstwekkende elementen en tendensen uit de eigen tijd, in de overtreffende trap.

De dystopie dient als waarschuwing. Grappig, hoogstwaarschijnlijk zijn we er al in aanbeland, met onze virtuele werkelijkheden, luchthavens, mondiale armoede, drones, wolkenkrabbers, de stijgende zeespiegel, frikandellen uit de muur. Een negentiende-eeuwer zou een beroerte krijgen als hij of zij de kans had een kwartier in onze tijd rond te lopen.

In het veelvuldig bekroonde werk van Peter Verhelst, waaraan recent twee prachtige oeuvreprijzen zijn toegekend, de eerste Sybren Poletprijs en de Constantijn Huygens-prijs, lijkt het dystopische nooit helemaal afwezig. Niet dat hij in zijn romans, poëzie en theaterwerk constant aan het doemdenken is, maar de droom, het onvoorspelbare en de zeer zintuiglijke beleving van de werkelijkheid maken zijn teksten intens en onheilspellend. Het ruiken, voelen, tasten, proeven, alles wat het menselijk lichaam instinctief doet, bepaalt en stuurt de inhoud van het werk. Het verhaal is niet secundair, maar de beschrijving van de beleving komt op de eerste plaats. Die beleving is subjectief en doet daardoor soms buitenissig aan.

Dit fragment uit Chambres d’amis 2 in de bundel Alaska (2003) zou je bijvoorbeeld zomaar ‘dystopisch’ kunnen noemen (al is ze dat niet), omdat de gebeurtenis op het oog nog niet kan bestaan en op een vreemde wijze angstwekkend is: ‘Elke nacht worden witte lichamen in het gras gelegd. Onder invloed/ van de zon zullen ze bewegen en zich over de rand van het zwembad hijsen,/ hun gezichten meedraaien met de zon als gele bloemen’.

Verhelst is een schrijver die dikwijls zinnen en beelden bedenkt die me niet meer loslaten, zoals in Schrijfstoel uit De boom N (1994): ‘Wespen van me afslaan. // Vanuit de verte moet deze beweging op vereenzaming lijken’. Ik vind dit een schitterend en tragisch beeld, en ja, de regels zouden zó in 2050 kunnen staan, waarin Verhelst in zes verwante afdelingen het naargeestige, dringende en betoverende van ‘een’ beklemmende toekomst verkent; de utopie is hier een verblindend ideaal dat ‘alleen nog zichzelf’ representeert en ‘zonder taal’ is, ‘parasitair’, ‘heet’, alleen ‘door discipline’ te bewerkstelligen.

Hoe zou de mensheid er voor kunnen staan in de nabije tijd? Volgens 2050 verschilt dat toekomstige leven niet eens zo veel van het huidige leven, hoewel in de tweede, lange afdeling ‘Kijk niet in de lichtstraal’ een langzame en totale vernietiging wordt geschetst: ‘Voorbijdrijvend puin met hier en daar vlammen. Piepschuim, echt/ ontzettend veel piepschuim uit de fabriek in de haven. Houten/ skeletbouw’. Er is ‘het precisiebombardement – vol op het ziekenhuis’. Soms ‘vormen we rouwstoeten zonder lijk’.

Maar zoals in al zijn werk zoomt Verhelst vooral in op het bijzondere en uitzonderlijke; genoeg beelden en fragmenten in deze nachtmerrie zouden, zonder het thema van de ongewisse toekomst, ook in eerder werk niet misstaan. Er zit veel schoonheid in het gruwelijke en angstaanjagende, gewoon omdat ze zo scherp en goed is uitgedacht of waargenomen, en omdat het beeld op zichzelf mag staan, zonder uitleg: ‘Hijgend op z’n zij ligt het paard – de zwarte oogbol/ volgt ons ononderbroken, totaal hijgend, totaal/ uit zijn pels geschud,// maar het is geen paard’.

Zoals gezegd, de wereld anno 2050 is bij nader inzien zo vreemd niet. Weliswaar is in Gevleugelde tuinen sprake van groteske beelden als ‘Tientallen luchtschepen die, bezaaid met sensoren,/ dag en nacht data verwerken om tuinen/ naar de ideale plek te slepen’, en is een stad ‘een bos van behaarde gebouwen/ waaruit ’s ochtends nevelsluiers opkringelen’, waarin ‘wolven, beren en vossen plechtig/ op hun achterpoten door de verlaten straten’ lopen. Maar de intieme eenzaamheid, die is gewoon van nu, zoals in Tokio’s midzomernachtdroom: ‘In dit seizoen van de kleuren, de warme nacht van de kleuren/ die zich vermengen, staat op de etage onder je een vrouw// in smetteloos wit uniform met gesloten ogen/ hartstochtelijk het venster te kussen’.

In het jaar 2050 lijkt alles fundamenteel veranderd: we zoeken een plek om te overleven, dromen digitaal, vragen ons af welke wereld de echte is en of de toekomst inderdaad dood is. Toch doet Verhelst hier, deze keer binnen het thema van doem- of toekomstscenario’s, wat hij al een oeuvre lang met steeds grotere precisie doet: de vreemdheid, en daarmee de schoonheid en de gruwel van ons huidige bestaan uitbeelden, in soms droomachtige taferelen.

Ondanks de woede over ons egoïsme, de teloorgang van natuur en klimaat, is 2050 geen verkapt pamflet. Hier en daar lees ik verwijzingen naar de actualiteit, zoals in de gedichten 2050 (‘jouw shut the fuck up,/ boomer’) en 2050 (Gated Community), waarin sprake is van een leider in ‘een blauw maatpak’ met ‘donzig haar’, maar de actualiteit staat pal naast, en contrasteert fijn met tal van onbestemde, autonome beelden. De vergelijking is eerder gemaakt, maar toch: dit is David Lynch of Wong Kar-Wai op papier.

De koortsdroom krijgt bij Verhelst ruim baan om te schitteren, twee jaar geleden nog in Zon, nu in 2050: ‘Je staat naakt achter het raam. Mannen en vrouwen/ komen uit het donker in het saffraan van de straatlantaarns,/ met mondmaskers op, als papegaaiduikers,// omhoogkijkend naar tienhoog, wijzend met hun snavel/ alsof ze je komen redden’.

Je staat bij het water maar er is geen water.

Je kijkt in licht maar er is geen licht.

Zo sta je in de branding, de zon
stijgt uit de zilverige verte op,

het licht is te fel en uit de verte
komt als een glazen vouw een golf.

Zo totaal spoelt de zon over je heen
en vloeit de golf in een zucht uit.

In licht kijk je maar het is geen licht.

Bij het water sta je maar het is geen water.