David pinto

DAVID PINTO IS een man die zijn bekendheid dankt aan het gebruik van één enkele term. In 1988 schreef hij in de Volkskrant dat ‘minderheden in Nederland worden doodgeknuffeld’. Groot gekrakeel brak uit in kringen van de migrantenorganisaties, terwijl de VVD zich haastte de heer Pinto in te schrijven als lid.

‘Het minderhedenprobleem’, betoogde David Pinto, 'is niet een probleem van sociaal-economische achterstand zoals zo vaak wordt beweerd, maar van cultuurverschillen. Mensen met verschillende culturele achtergronden begrijpen elkaar vaak gewoonweg niet en daardoor ontstaat er frictie.’
Tussen 1988 en nu is er in de argumentatie niet veel, eigenlijk niets veranderd. Bij de introductie van zijn boek Het virus: cultuurverschillen, in 1994, zei Pinto: 'Minderheden worden per definitie beschouwd als ziek, zwak en misselijk. Dat beeld wordt in stand gehouden door al die welzijnsinstellingen die buitenlanders blijven betuttelen.’ Pinto maakte van die ene uitdspraak zijn broodwinning en handelsmerk.
IN 1967 KWAM David Pinto naar Nederland. Hij werd geboren omstreeks 1942 - een geboorteregister was er niet in Midelt, een dorpje in Marokko aan de voet van de berg El Ayachi. In Midelt woonden al eeuwen lang een paar duizend joden. De vader van Pinto was schoenmaker, en David speelde alleen met joodse vriendjes. Hij deed het heel erg goed op school en werd toegelaten tot een hogere opleiding voor joodse studies in Rabat. Pinto leerde er Hebreeuws, Arabisch en Frans. Hij maakte de opleiding niet af maar ging voor de klas staan in een kleine stad in de buurt van Midelt.
Emigratie naar Israel was in de jaren zestig in de joodse gemeenschappen in de Arabische wereld het meest brandende punt van discussie, en dat gold ook voor de orthodox-joodse familie Pinto. Vader zag er niets in, David eigenlijk ook niet, maar moeder zette door en het gezin vertrok naar Israel. Later in Nederland zei Pinto over zijn afkomst tegen Het Parool: 'Wat kan een mens het slecht treffen: Marokkaan, jood en nog Berber ook.’
Zijn tijd in Israel, waar hij in 1967 vocht op de Golanhoogte en waar hij zijn Nederlandse vrouw ontmoette, bleek cruciaal te zijn voor zijn latere ideeën over minderheden, inburgeren en doodknuffelen. Israel was een land waar vanaf de eerste dag van haar bestaan sprake was van een meerderheid van nieuwkomers. Nieuwkomers die tot voor kort, tot aan de grote instroom van Russische en Ethiopische migranten, meer dan welkom waren. Bovendien was het hele systeem van opvang erop gebaseerd dat mensen bleven, deel wilden worden van een andere natie en maar al te graag een Israelische identiteit willen verwerven. De staat bood een rigoureus aanpassingsprogramma op het gebied van taal en cultuur dat mensen in zes maanden klaarstoomde voor een nieuw leven. Dat zogeheten 'Ulpan-systeem’ werkte vooral ook zo goed omdat de samenleving waar de mensen na die zes maanden in terecht kwamen, gewend was te leven met cultuurverschillen.
David Pinto kwam naar Nederland, vond een baantje als schoonmaker ('Vegen jij’, waren de eerste Nederlandse woorden die hij leerde), en behaalde in hoog tempo diploma’s omdat hij al snel merkte dat in Nederland diploma’s meer gewaardeerd werden dan ervaring. Hij promoveerde in 1993 aan de Rijksuniversiteit Groningen op het onderwerp 'Onderwijs over cultuurverschillen’. Al eerder, in 1982 richtte hij het ICI op, het Intercultureel Instituut, een bedrijf dat cursussen en scholing verzorgde op het gebied van 'interculturele communicatie’.
Vanaf die tijd voert hij zijn voortdurende kruistocht tegen de welzijnsinstellingen die zich bezighouden met migranten, tegen het overheidsbeleid dat mensen blijkbaar in de watten legt en hun zelfstandigheid ondermijnt, en tegen het Nederlands Centrum Buitenlanders (NCB) in het bijzonder. In de belevingswereld van David Pinto is het allemaal één grote samenzwering om te voorkomen dat zijn aanbevelingen worden uitgevoerd. Ook voorspelt hij grote problemen, waaronder rassenrellen in de grote steden, als er niet naar hem geluisterd wordt.
Pinto fluisterde Bolkestein het concept van de inburgeringscontracten in. Nieuwkomers zouden verplicht moeten worden een intensieve cursus inburgeren te volgenen kunnen daarna gebruik maken van dezelfde voorzieningen als autochtonen. Dat voorstel kwam op het moment dat de taal cursussen voor migranten lange wachtlijsten kenden. Bovendien leek het nogal een heidense klus om een lessenpakket Nederlandse waarden en normen te ontwikkelen. Welke waarden en normen dan? Die koektrommel die dicht gaat na het eerste koekje? Eerst bellen voor je langs gaat? Niet tussen je tanden fluiten naar collega’s? Een cursusje verzuiling?
Ook het onderwijs in eigen taal en cultuur kan de goedkeuring van Pinto niet wegdragen: dat doen ze maar in hun eigen tijd. Maar dat onderwijs was juist gebaseerd op de gedachte dat kinderen de band met het land van herkomst niet moeten verliezen omdat de bedoeling is dat ze er ooit naar terugkeren.
De oplossingen die Pinto aandraagt vallen in de categorie: voor ieder ingewikkeld probleem is er een simpele oplossing die niet werkt. Hij wil iedereen naar een inburgeringscursus sturen, en een verblijfsvergunning afhankelijk maken van het met goed gevolg afleggen van een toets aan het einde van die cursus. Deze panacee geldt voor iedereen met een andere dan de Nederlandse nationaliteit. Alsof vrouwen die een Rifdorpje verlaten om zich na tien jaar bij hun man in Nederland te voegen, iets gemeen hebben met een Somalische asielzoeker. Alsof de goed opgeleide jonge mensen die Afrika zijn onvlucht vanwege het gebrek aan perspectief, te vergelijken zouden zijn met Russische en Poolse vrouwen die vanwege hun volgzaamheid populair zijn als partner voor trouwlustige Nederlandse mannen.
AAN DE BASIS VAN die voorstellen ligt nog altijd het idee dat het de cultuurverschillen zijn die het leven van migranten ingewikkeld maakt. Bovendien, zo betoogt Pinto, moeten we niet zo overdrijven. De minderheden zijn geconcentreerd in een paar grote steden en daarbuiten bestaat het probleem helemaal niet. Pinto woont niet in een van die concentratiegebieden, want anders zou hij weten dat er in sommige van die wijken allang een 'cultuur’ is ontstaan die niet kleinburgerlijk Nederlands is, maar ook niet Turks of Marokkaans. De bakker is Turks maar bakt ook witte kadetjes, en naast de salsa-dansles kun je ook sas leren spelen in het buurthuis. En dat gezeur over vreemde etensluchtjes is al langer dan tien jaar geleden verstomt.
Bestaan cultuurverschillen niet? Natuurlijk wel, maar de cultuurverschillen tussen de krakers in Oud-West en het gezinnetje in Almere zijn groter dan tussen de Nederlandse en Turkse jongeren in Oud-West. En Nederlanders en migranten leren elkaar dingen af en aan, juist door het contact met elkaar.
Cultuurverschillen bestaan, maar ze zijn niet het alfa en omega van de beroerde positie waarin veel migranten verkeren. Hun sociaal-economische positie en niet te vergeten het Nederlandse systeem van het illegaal verklaren van grote groepen mensen, zijn veel bepalender.
Pinto wil het geld voor al dat inburgeren weghalen bij stichtingen als het Nederlands Centrum Buitenlanders. Maar zijn aanvallen op die centra zijn weinig concreet en doen voornamelijk broodnijd vermoeden. Pinto verdient een dik belegde boterham aan zijn intercultureel gecommuniceer. Hij laat zich erop voorstaan dat hij geen cent subsidie opstrijkt, maar dat is een flauwe truc, want hij wordt ingehuurd door bedrijven en instellingen die op hun beurt wèl subsidie krijgen.
Heeft Pinto op het gebied van cultuurverschillen dan tenminste iets interessants te melden? Sinds het 'doodknuffelen’ uit 1988 klinkt de man als een grammofoonplaat die blijft hangen. In vrijwel ieder interview en in elke publikatie komen dezelfde drie voorbeelden naar voren, alleen het land van herkomst varieert. Het eerste voorbeeld is de Surinaamse vrouw die op hoge hakken, hip gekleed en zwaar opgemaakt, gaat solliciteren bij de politie. En niet wordt aangenomen omdat men vindt dat zo iemand nooit een goede politievrouw kan worden. Het tweede voorbeeld is de Molukse jongen, of soms het Vietnamese meisje, dat mensen niet aankijkt als ze tegen hen praat omdat hem dan wel haar geleerd is dat het onbeleefd is om mensen recht aan te kijken. Maar de onderwijzer denkt dat ze wat in haar schild voeren. En Pinto voert steevast aan dat als twee mensen naar elkaar toe fietsen ze elkaar sneller bereiken dan wanneer er een afstapt.
Wat zouden die managers van de PTT en Defensie nou eigenlijk leren op al die peperdure cursussen?